Peter Peters: Laat de klassieke muziek vernieuwen

Peter Peters. beeld Bas Quadvlieg

Is voor velen het orgel maar een oubollig instrument, niet voor Peter Peters. „Het orgel heeft kans gezien zich steeds weer te vernieuwen”, zegt de man die per 1 september is benoemd tot bijzonder hoogleraar innovatie van klassieke muziek aan Maastricht University.

Hij begon met pianospelen, en raakte later gefascineerd door de ”koning der instrumenten”. Wat hem boeit in het orgel is niet alleen de klank, maar ook het feit dat dit instrument zich steeds weer vernieuwde, aldus Peters. „Voor mij is het orgel een soort model van hoe klassieke muziek kan innoveren. Je ziet het in de geschiedenis van de orgelbouw: het orgel heeft altijd de nieuwste technologische ontwikkelingen in zich opgenomen, met de komst van de elektriciteit, de pneumatiek, en later de computer en de digitalisering. Het orgel is letterlijk gewoon bij de tijd.”

U bent benoemd tot bijzonder hoogleraar innovatie van klassieke muziek. Wat houdt deze functie precies in?

„Ik ga leidinggeven aan het nieuwe Maastricht Centre for the Innovation of Classical Music (MCICM). De omvang van deze functie is drie dagen in de week, en het gaat om een bijzonder hoogleraarschap voor een periode van vier jaar. Het MCICM is een initiatief waarin Maastricht University, Zuyd Hogeschool en de Philharmonie Zuidnederland samenwerken, met financiering van de provincie Limburg en de gemeente Maastricht. De samenwerking is in deze vorm uniek in de wereld. Het idee kwam van Stefan Rosu, directeur van de Philharmonie Zuidnederland. Rosu kwam in 2015 naar de universiteit met de vraag: Kunnen wij samenwerken, want wij willen onszelf vernieuwen en hebben de universiteit daarbij nodig. Toen heb we een plan geschreven waarom we dit centrum nodig vinden, de mogelijkheden van financiering onderzocht en de vraag beschreven wat we onder innovatie verstaan.”

Innovatie is een breed begrip, een soort modewoord ook. Hoe zien jullie het?

„Als cultuurwetenschappers zijn wij geïnteresseerd in de vraag hoe een cultuur zich vernieuwt. Dat vernieuwen gebeurt altijd in een dubbele beweging. Enerzijds bestudeer je het verleden, tegelijk rijst de vraag: Hoe krijgt dat verleden nieuwe betekenis in het heden? Neem de muziek van Beethoven en Brahms. Die is populair en wordt door veel orkesten gespeeld. Toch heeft deze muziek niet automatisch betekenis in het heden omdat het nu eenmaal goede muziek is. Je zult steeds een antwoord moeten vinden op de vraag: Wat is de waarde van deze muziek voor het hier en nu?”

Klassieke concerten vinden plaats in dezelfde setting als honderd jaar geleden, met een spelend orkest op het podium en applaudisserend publiek in de zaal. Hoe kun je dan van innovatie spreken?

„Laat ik twee voorbeelden noemen. Een buitenlands orkest kwam op het idee de repetities van de hoornsectie online te zetten. Zo kon het publiek zien hoe de hoornisten zich voorbereiden op een concert. Het publiek kreeg als het ware een kijkje in de keuken. Heb je zo’n kijkje gehad, dan luister je anders tijdens een concert. In de technologische sfeer kun je denken aan de Wolfgang-app die je op je telefoon zet. Tijdens een concert geeft de app realtime beschrijvingen van wat er klinkt. Zo zijn er meer voorbeelden te bedenken, waarbij het gietijzeren orkestritueel, wat trouwens ook veel goede kanten heeft, zich vernieuwt. Denk aan het bewerken van klassieke stukken, zoals bijvoorbeeld André Rieu dat doet. Bewerkingen illustreren de levendigheid van een muziekcultuur. Er ontstaat iets nieuws, in die zin is er sprake van innoveren. Zo kun je muziek van Henry Purcell heel goed uitvoeren met een jazzensemble zoals Christine Pluhar doet met L’Arpeggiata. Aan het uitvoeren van klassieke werken ligt vaak nog een negentiende-eeuwse kunstopvatting ten grondslag van een soort heilige partituur die je zo precies mogelijk moet uitvoeren. Maar in de tijd van Bach waren bewerkingen heel gewoon. Ik geloof niet in werken die onveranderd door de tijd heen doorgegeven worden.”

Bewerkingen van klassieke stukken leveren nog weleens kritiek op.

„Het interessante aan bewerkingen vind ik dat je het er niet over eens hoeft te worden: het debat erover is spannend. Het is juist goed dat vernieuwing en debat hand in hand gaan. Ik vind het jammer dat er de laatste tijd minder muziekrecensies worden geschreven, iets wat ik zelf veel gedaan heb. Je ziet in kranten nog wel cd-recensies, en soms een concertrecensie, maar het is allemaal veel minder geworden. Dus een deel van vernieuwing zou ook kunnen zijn dat je manieren zoekt om het debat weer nieuw leven in te blazen. Christine Pluhar, André Rieu, wat vinden we daar nu van?”

U geeft leiding aan een NWO-project. Kunt u dat toelichten?

„In 2016 heb ik samen met Stefan Rosu van Philharmonie Zuidnederland en Ruth Benschop van het lectoraat autonomie en openbaarheid in de kunsten van Zyd Hogeschool een subsidieaanvraag gedaan bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Die aanvraag is gehonoreerd. Het project (zie ”Levensloop Peter Petersen”) gaat over de vraag hoe je het publiek op een nieuwe manier kunt betrekken bij wat een symfonieorkest doet. Nu zit het publiek vooral in de zaal te luisteren en te klappen. Juist concerten van symfonieorkesten zijn heel ritueel, ze verlopen volgens vaste vormen. Het is volkomen duidelijk wat er tijdens een concert gebeurt. Maar wat gebeurt er als je het publiek via de sociale media deelgenoot maakt van een repetitie? Of als je het publiek betrekt bij de programmering? In het kader van dit project voeren we dergelijke experimenten uit. Ook doet een promovenda onderzoek naar de vraag hoe Nederlandse symfonieorkesten op dit moment bezig zijn met vernieuwing, tegen de achtergrond van bezuinigingen en een overheid die de kunsten de verantwoordelijkheid oplegt om eigen middelen te verwerven.”

U schrijft een boek over het nieuwe barokorgel in het Orgelpark in Amsterdam. Wat boeit u in het orgel?

„Voor mij is het orgel echt een fantastisch instrument. Niet alleen vanwege de muziek en de klank, maar ook omdat het als geen ander instrument een geschiedenis meedraagt. Ik speel zelf ook orgel sinds een jaar of vijftien. Op m’n tiende ben ik begonnen met pianospelen en pas op latere leeftijd ging ik orgel erbij doen. Als je op het orgel een toets aanslaat, blijft de toon liggen. Je kunt dus op een heel andere manier polyfone muziek spelen dan op een piano. En het grappige is: in het Orgelpark zie je precies dezelfde vragen als bij het klassieke symfonieorkest. Zelf speel ik in een protestantse kerk hier in de omgeving, dus ik weet wat het is om een gemeente te begeleiden. Maar het orgel heeft niet automatisch betekenis. De wereld verandert en seculariseert, en daarmee moet het orgel weer een nieuwe plek krijgen. Dat is precies de missie van het Orgelpark, en die realiseren ze op een heel fascinerende manier. Ik heb er veel geleerd.”

In de orgelwereld wordt veel geïmproviseerd, in het orkest gebeurt dit niet. Ligt hier nog een terrein braak?

„André Rieu en z’n orkest werken niet met partituren zoals symfonieorkesten dat doen, maar met piano-uittreksels. Alle musici hebben hetzelfde piano-uittreksel en zijn heel improviserend bezig tijdens repetities en opnames. Dit orkest weet wat improviseren is. Er wordt vanuit de symfonieorkesten soms wat op neergekeken, maar dát kunnen ze. En een symfonieorkest kan het niet. Dat is ook logisch, diens kerntaak is het uitvoeren van muziek die heel precies is genoteerd, in al haar details. Toch is die vraag naar improviseren spannend: wat zou het voor een symfonieorkest kunnen betekenen? Kunnen de musici wel improviseren, zijn ze ertoe bereid? We zien dat de beschikbare tijd van orkestleden heel vast ligt. Terwijl experimenteren en improviseren juist tijd kóst. Het gaat een van onze grote uitdagingen worden om met dat grote orkestapparaat de tijd hiervoor te vinden.”

---

Levensloop Peter Peters

Peter Peters (Amsterdam, 1960) studeerde sociologie en filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef als journalist klassieke muziek voor onder meer NRC Handelsblad, Nieuwsblad van het Noorden, VPRO Gids en Haagse Post. Ook was hij hoofdredacteur van Mens en Melodie.

In 2003 promoveerde Peters aan Maastricht University op een proefschrift over reizen in de technologische cultuur. Naast zijn functie als universitair docent aan de faculteit der cultuur- en maatschappijwetenschap was hij van 2007 tot 2013 lector bij het kunstvakonderwijs van Zuyd Hogeschool. Hij publiceerde onder meer ”Klankwerelden. De twintigste eeuw van Reinbert de Leeuw” en ”Rieu. Maestro zonder grenzen” (met Maaike Meijer en Jac van de Boogard). Peters leidt het NWO-Smart Culture project ”Artful Participation. Doing Artistic Research with Symphonic Music audiences”. Daarin staat de vraag centraal op welke manier het publiek deelneemt aan concerten van symfonieorkesten.

Peters is betrokken bij een project rond het nieuwe barokorgel in het Orgelpark te Amsterdam. Daarover bereidt hij een publicatie voor, die in 2019 zal verschijnen. Per 1 september is hij benoemd tot bijzonder hoogleraar innovatie van klassieke muziek aan Maastricht University.