Peter Koetsveld troost met de klank van de klarinet

Peter Koetsveld. beeld Sjaak Verboom

Klarinettist Peter Koetsveld (57) was in zijn jeugd dol op Mozart én op jazz. Recent herontdekte hij Bach als het fundament onder zijn muzikale bestaan. De solowerken van de Thomascantor zijn heel geschikt om te troosten, weet Koetsveld uit ervaring.

Hij is de zoon van een dominee. Dat komt een aantal keren terug in het gesprek. Peter Koetsveld uit Veenendaal groeide op in een gereformeerde pastorie. Het werk van zijn vader, ds. H. Koetsveld, voerde hem als kind van Naarden via Wapenveld, De Lier en Den Helder naar Sliedrecht.

Even leek het erop dat Peter ook predikant zou worden. Hij werd echter toegelaten tot de klarinetstudie aan het conservatorium – voor hem een teken dat zijn leven die kant uit moest.

Een paar jaar geleden ontdekte de musicus, die zich „behoudend evangelisch” noemt, zijn muzikale wortels: de werken van Bach. Zijn eerste solo-cd, die eerder dit jaar verscheen, staat in het teken van die muziek: ”Roots!”.

1. Mijn jeugd werd gestempeld door muziek.

„Op school in De Lier kreeg ik blokfluitles. Maar dat bood te weinig uitdaging. Naast ons zat muziekvereniging Excelsior. Daar hadden ze nog een trombonist en een klarinettist nodig. Ik koos de klarinet – die leek een beetje op de blokfluit. Mijn zeven jaar oudere broer Krijn ging aan het conservatorium orgel studeren. Ik wilde ook naar het conservatorium. Maar geen orgel – altijd in je eentje in de kou achter een gordijntje spelen. Ik wilde in een orkest musiceren. M’n vader wilde het liefst dat ik predikant zou worden. Toen ik in vwo 6 zat, we woonden in Den Helder, wilde ik weten of kans maakte voor het conservatorium. In Haarlem speelde ik voor bij Piet Honingh, soloklarinettist bij het Concertgebouworkest. Die keek bedenkelijk. Als ik hard ging studeren kon ik misschien de vooropleiding gaan doen. Ik was enorm geschrokken en ging een halfjaar lang keihard studeren, bij Ariëns Kappers in Alkmaar. Toen ik in Den Haag toelatingsexamen deed, hoorde Honingh me opnieuw. „Als die jongen in een halfjaar zo’n progressie weet te maken, kan hij direct in het eerste jaar beginnen”, was zijn conclusie. Voor mij was het een teken: als ik niet was aangenomen, was ik theologie gaan studeren.”

2. Ik zou de klarinet voor geen ander instrument willen ruilen.

„Het was toevallig dat het de klarinet werd. Het had ook de hobo kunnen zijn. Maar sindsdien heeft de klarinet m’n hele leven vergezeld. Fysiek past het ook bij me; ik heb grote handen en een stevige bouw. Handig bij de klarinet, die best zwaar is. Qua klank in een orkest heeft het instrument vooral een mengende functie. Niet op de voorgrond. Daarbij voel ik me op mijn gemak. De klank kan vrij scherp zijn, maar ook teder en zoetgevooisd. Die kanten zitten ook aan mij. Ik kan m’n persoonlijkheid goed kwijt in het instrument.”

3. Mijn jaren in Kaapstad hebben mijn muzikale horizon verbreed.

„In 1985 rondde ik m’n studie af. Ik speelde vervolgens in verschillende orkesten als vervanger; een vaste baan had ik niet. Toen kwam de vacature voor eerste, tweede en esklarinettist in het Cape Town Symphony Orchestra. Daar werd ik aangenomen. Dus vertrokken mijn eerste vrouw en ik –onze tweede was net geboren– naar Kaapstad. Een droom kwam uit: een baan in een symfonieorkest! Het was een mooie tijd, vooral toen ik ook als solist bij het orkest ging optreden en voor de radio recitals verzorgde. Het was wel hard werken, en met repeteren op zondag had ik niet gerekend. Na drie jaar voelde ik me geroepen terug te gaan. Ik had gereageerd op een vacature voor regioleider bij wat nu de stichting Agapè is. Terug in Sliedrecht ging dat echter niet door. Ik kon weer als vervanger bij orkesten aan de slag. Met name bij Het Gelders Orkest. Daar kreeg ik een vaste aanstelling als remplaçant; in de praktijk soms een halve baan. Verder ging ik koren dirigeren en lesgeven bij de harmonievereniging in Giessenburg. Er moest brood op de plank komen. De laatste jaren ben ik me weer meer gaan richten op studeren en concerteren. En dan nu mijn eerste solo-cd.”

4. Het is jammer dat ik me vaak moet behelpen met transcripties van werken van de grote componisten.

„De klarinet was in de tijd van Bach nog nauwelijks bekend; dus hij heeft er niet voor gecomponeerd. Maar Mozart kwam het instrument tegen en schreef vervolgens voor zijn Weense vriend Anton Stadler zijn beroemde klarinetkwintet en klarinetconcert. Brahms, Schumann, Schubert, Reger, Beethoven: allen componeerden ook voor de klarinet. Het is dus niet zo arm. Het repertoire is best volwassen. Wij klarinettisten komen er niet zo bekaaid van af als bijvoorbeeld de altviolisten.”

5. Bach vormt mijn muzikale fundament.

„Ik heb me altijd een beetje tegen de barok afgezet. Muziek van Bach en Händel was bij ons thuis populair. Maar ik had er niet zo veel mee. Mijn jeugdliefde was Mozart. Daarnaast speelde ik met de schoolband jazz. Op het conservatorium kwam ik in aanraking met de romantiek. De Derde Symfonie van Brahms: geweldig! Of Tsjaikovski, Mahler, Rachmaninoff: ik viel ervoor. Mozart had in die periode een beetje afgedaan. Twee jaar geleden maakte ik een moeilijke periode door. Voor de lol ging ik Bach spelen, elke dag, een jaar lang. Het was alsof ik bij mijn wortels terugkwam, bij m’n fundament. Bach was de man van vroeger, maar hij bleek nooit ver weg te zijn geweest.”

6. Met cd ”Roots!” wil ik troost bieden.

„Toen ik Bach ging spelen, was het net of hij mij begreep. Hij had een moeilijk leven, maar vond troost in zijn geloof. Er zit in zijn muziek altijd hoop. Hij was een ongelooflijk genie. Neem de cellosuites en de zes vioolsonates en -partita’s. Zo volkomen. De begeleiding mis je niet. Het is nooit saai. Toen het plan ontstond om een solo-cd op te nemen, wilde ik graag mijn ervaring doorgeven. Als Bachs muziek mij kan helpen, dan kan ze misschien ook anderen troosten. Daarom heb ik deze werken op cd gezet, gecombineerd met ”A week in Plasencia” van Mike Curtis en de twaalf etudes voor klarinet van Willem Frederik Bon. Commercieel is het niet: twee cd’s met solowerken voor klarinet. Maar voor mij is het een mijlpaal. Ik zie het ook als een wending in mijn carrière. Ik wil meer soloconcerten gaan geven.”

7. Ik ben klassiek geschoold, maar voor lichte muziek draai ik mijn hand niet om.

„Op de middelbare school speelde ik al jazz; daar werd ik echt warm van. Tegelijk vond ik ook klassiek geweldig. Bij de harmonie deed ik beide. Nu speel ik populaire muziek met de groep Take Five, terwijl ik in het Kurios Klarinetkwartet met klassiek de diepte inga. Juist ook in lichte muziek kan ik m’n ei helemaal kwijt. Spelen met Take Five is zo leuk. Natuurlijk, als ik alleen dat zou doen, zou het me te eenvormig zijn. Het is een bepaalde sound. Maar zeker wel een uitdaging om die muziek goed te spelen. Bovendien zijn de andere musici heel leuke mensen en schrijft Jan Peter Teeuw fantastische arrangementen.”

8. Spelen bij een koor of de band Sela is net zo inspirerend als musiceren in een symfonieorkest.

„Bij een koor heb je een totaal andere rol dan in een symfonieorkest. Maar ik zeg zelden of nooit nee tegen iets. Ik ben graag allrounder. Stelt de muziek niet veel voor, dan is het de uitdaging er iets van te maken. Als ik met zangeres Kinga Bán van Sela speel of bij Nederland Zingt optreed, komt het geloofsaspect erbij. Prachtig. Ik heb m’n hele leven met amateurs gewerkt en vind het leuk om een beetje te coachen. Als ik écht moest kiezen tussen eenvoudige geestelijke muziek en klassiek, dan wordt het toch klassiek. Maar dan voel ik me wel een beetje geamputeerd.”

9. Soleren en dirigeren liggen in elkaars verlengde.

„Het dirigeren heeft altijd in me gezeten; als kind stond ik al met de plaat mee te zwaaien. In Zuid-Afrika dirigeerde ik al snel het kerkkoortje. De verschillen tussen solist en dirigent zijn groot. Als solist werk je vaak in je eentje. Met de laatste cd-opname was ik urenlang alleen in de kerk. Bij een koor ben je bezig met het overdragen van kennis. Dan komt de schoolmeester in mij boven. De zoon van de dominee, hè... En dan samen muziek maken. Mensen tot hun recht laten komen. Ik doe het graag.”

10. Het christelijk geloof is de rode draad door al mijn muzikale activiteiten.

„Ja, honderd procent. Ik wil in al mijn activiteiten God eren. In een concerttoelichting verwijs ik soms naar het christelijk geloof. Niet altijd, en niet te lang. Maar ik schaam me er niet voor. Tegelijk: als je je werk goed doet, is dat op zich al een getuigenis. Dat geldt voor de loodgieter en ook voor een musicus. Muziek heeft daarbij iets extra’s: die verwijst naar God. Muziek zelf is Evangeliewoord. Goede muziek komt rechtstreeks uit de hemel, zeker die van Bach.”

---

Levensloop Peter Koetsveld

Peter Koetsveld (1961) studeerde klarinet aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Sjef Douwes. In 1987 kreeg hij een aanstelling als eerste, tweede en esklarinettist bij het Symphony Orchestra in Kaapstad. Drie jaar later keerde hij terug naar Nederland en speelde hij langere tijd als invaller bij Het Gelders Orkest. Als dirigent was Koetsveld verbonden aan diverse koren, onder andere in Bussum en Eindhoven. Momenteel dirigeert hij gospelkoor Chananja in Wijngaarden.

Als docent geeft hij al jaren les aan de harmonievereniging in Giessenburg. Ook is hij actief als zangcoach.

Lange tijd speelde Koetsveld in het Trio Con Spirito, samen met een cellist en een pianist. In 2002 richtte hij het Kurios Klarinetkwartet op, dat bestaat uit vier professionele klarinettisten. Het gezelschap nam een aantal cd’s op.

Met de muziekgroep Take Five (panfluit, klarinet, viool, orgel en piano) vertolkt Koetsveld populair-klassieke muziek. Het gezelschap maakte inmiddels twee cd’s.

Dit jaar nam Koetsveld zijn eerste soloalbum op: ”Roots!”. Op de dubbel-cd speelt hij de cellosuites en vioolsonates en -partita’s van Bach, naast muziek van Mike Curtis en Willem Frederik Bon.

De musicus is getrouwd met Alie, met wie hij vier dochters kreeg. Uit zijn eerste huwelijk heeft Koetsveld drie kinderen.

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Volgende aflevering: zaterdag 7 juli.