Orthopedisch chirurg dr. Rietveld is diep in zijn hart meer artiest dan dokter

Dr. A. B. M. (Boni) Rietveld stond 25 jaar geleden aan de wieg van het Medisch Centrum voor Dansers & Musici (MCDM) in Den Haag. beeld Winish Chedi

Als student kon hij niet kiezen. Wilde hij de muziek in? Of ging hij aan de slag als orthopedisch chirurg? Uiteindelijk vond dr. A. B. M. (Boni) Rietveld zijn roeping in een combinatie van beide. Hij verrichtte de afgelopen 25 jaar pionierswerk in het behandelen van geblesseerde dansers en musici.

Pensioen betekent voor dr. Boni Rietveld (66) niet dat hij achter de geraniums gaat zitten. De arts, die in Aerdenhout (bij Haarlem) woont, heeft nog genoeg wensen, nu hij per 1 oktober weg is bij het Medisch Centrum voor Dansers & Musici (MCDM) in Den Haag. Boven aan het lijstje staat dat hij meer aandacht wil geven aan zijn gezin en de familie. „Die heb ik wel een beetje verwaarloosd de achterliggende jaren.”

Het tweede is dat hij weer meer wil musiceren. Hij laat de voorkamer zien, waar twee harpen staan. Aan de loshangende snaren is duidelijk te zien dat er lang niet op is gespeeld. „Hier is het mee begonnen”, zegt Rietveld. „Die ene harp kreeg ik toen ik 11 was. Ik wil heel graag weer les gaan nemen.”

Het andere instrument dat hem zijn leven lang begeleidde, is de trompet. De arts legt een cd op tafel, zeven jaar geleden opgenomen in de Adventskerk om de hoek. Rietveld speelt trompet, Jaap Stork begeleidt op het orgel. Muziek van Sweelinck, Purcell, Bach, Telemann, Händel, Clarke. „Hier wil ik een vervolg aan geven. Stiekem ben ik op deze cd trotser dan op het proefschrift waarop ik vorig jaar promoveerde. In mijn behandelkamer hing dan ook altijd wél m’n diploma van het conservatorium aan de muur, maar niet m’n artsenbul.”

Academisch niveau

Het derde waar dr. Rietveld zich de komende tien jaar voor wil inzetten, is het overdragen van de kennis die hij tijdens zijn werkzame leven heeft opgedaan. Dat was de reden dat hij graag vóór zijn pensioen aan de Universiteit Leiden wilde promoveren op een dissertatie over de dans- en muziekgeneeskunde. „Daarmee is mijn werk naar het academische niveau getild.”

Hij wil duidelijk gezegd hebben dat hij niet de enige is die binnen de orthopedie en de medische wetenschap bezig is met de specifieke doelgroep van de artiesten. „Gelukkig niet. Maar ik heb het thema wel op de kaart gezet. Bij iedere vergadering van orthopedisch chirurgen pakte ik de microfoon en benadrukte ik dat dansers en musici een speciale doelgroep vormen die een specifieke behandeling vragen. Dat is inmiddels wel doorgedrongen.”

Heel blij is hij dat het Medisch Centrum voor Dansers & Musici (MCDM), dat hij 25 jaar geleden oprichtte en waar hij meer dan 10.000 dansers en duizenden musici behandelde, blijft bestaan. In het centrum, dat nu is ondergebracht bij het Haagse Bronovo Ziekenhuis, heeft een team van drie medisch specialisten het stokje van hem overgenomen. „Ze zijn alle drie behalve arts ook actief als danser of musicus. Een van hen heeft vijf jaar als arts-assistent bij mij gewerkt. Heel mooi dat het MCDM zo verdergaat.”

Saul en David

Uitgebreid vertelt Rietveld zijn levensloop. Over Haarlem, waar hij opgroeide. Over zijn vader, die een praktijk als orthopedisch chirurg had. Over de harp, die er al vroeg in zijn leven was. Lachend: „Het verhaal van Saul en David. Muziek en geneeskunde, die samen opgaan.”

Aanvankelijk kreeg Boni echter trompetles. „De harp was te duur.” Toen hij op z’n 11e eindelijk een harp kreeg, mocht hij les nemen bij de bekende harpiste Phia Berghout (1909-1993). „Zij werd mijn tweede moeder. Op haar sterfbed, in maart 1993, heb ik beloofd dat ik van het MCDM, waarmee ik in april van dat jaar zou starten, een succes zou maken. Dat heb ik gedaan. Het was een ereschuld.”

Tijdens zijn studie medicijnen in Leiden kwam de trompet weer tevoorschijn. Rietveld kwam zelfs zover dat hij naast zijn studie in Leiden ook het conservatorium in Den Haag ging doen. Hoofdvak trompet, bijvak harp. In 1976 haalde hij zijn conservatoriumdiploma. Twee jaar later ontving hij zijn artsenbul.

Na zijn diensttijd deed Rietveld de specialisatie orthopedie. In die periode wees iemand hem op Bill Hamilton, die als orthopedisch chirurg voor het New York City Ballet werkte. Hij schreef een brief en mocht naar New York komen. Maandenlang liep hij met Hamilton mee in diens praktijk voor dansers.

Gepassioneerd

Die stage werd richtinggevend voor zijn verdere leven. „Diep in mijn hart ben ik meer artiest dan dokter. Ik voel me daarom erg verwant met deze patiëntengroep. Dansers en musici zijn zo gepassioneerd met hun werk bezig. Ze identificeren zich er helemaal mee. Als ze dan een blessure oplopen, is dat voor hen dramatisch. Psychologisch belanden ze in het ravijn. Als ze vervolgens bij een arts komen die zegt dat ze maar moeten stoppen met hun passie, krijgen ze een extra duw, en duikelen nog dieper het ravijn in.”

Een polsblessure is daarom voor een pianist veel dramatischer dan voor een metselaar, stelt Rietveld. „Dat laatste geldt ook voor de amateurs. Alleen de groep van de topsporters komt in de buurt. Daar speelt zo’n zelfde identificatie.”

Terug in Nederland ging Rietveld in 1987 in Haarlem aan het werk als gewoon orthopedisch chirurg. Maar al snel raakte hij betrokken bij het Nederlands Dans Theater in Den Haag. Op zijn spreekuur daar kwamen echter steeds meer dansers en musici van buitenaf. Uiteindelijk werd zijn praktijk in 1993 ondergebracht bij het Westeinde Ziekenhuis in Den Haag en startte Rietveld het MCDM.

Nekhernia

Dansers met enkelblessures, organisten met een nekhernia, een violiste die haar beide polsen breekt, een beiaardier met artrose: Rietveld heeft ze allemaal langs zien komen. Belangrijk vond hij dat de musicus z’n instrument en de balletdanseres haar balletschoenen meenam. „In veel gevallen treedt de klacht pas op, en wordt die dus pas zichtbaar, als ze gaan spelen of dansen.”

Een orgel of beiaard meenemen naar het spreekuur is echter lastig. „Dan liet ik ze foto’s maken van hun houding achter de speeltafel. En soms bezocht ik ze op hun werkplek. Zo ben ik weleens met een beiaardier mee naar boven naar z’n werkplek in de toren gegaan.”

In veel gevallen was een goede medische diagnose van de klacht al voldoende, zegt Rietveld. „Hoe is de klacht ontstaan en wat kan de patiënt zelf doen? Een van de dingen die blijken te werken, is het visualiseren van het musiceren. Als je als pianist je pols breekt, hoef je niet zes weken stil te zitten tot het gips eraf is. Je kunt die muziek ook in je hoofd oefenen. Dat scheelt enorm als je weer daadwerkelijk kunt spelen.”

Pas na eventuele medicijnen of injecties greep de chirurg naar het middel van de operatie. „Dat heb ik bij nog geen 3 procent van de musici gedaan.”

Leermoment

Slechts één keer gaf Rietveld een artiest het advies te stoppen. „Dat was gelijk m’n leermoment, aan het begin van mijn carrière. Die danser had zo’n krakkemikkige rug. Maar ik bleef hem terug zien komen op het podium. Later vertelde hij dat mijn advies hem enorm had bezeerd. Dat heb ik dus nooit meer tegen iemand gezegd.”

Heeft de orthopedisch chirurg dan alleen succesverhalen? „Natuurlijk niet. Iemand kan een moeilijke breuk hebben opgelopen die niet operatief is recht te zetten. En geamputeerde vingers vormen ook een lastig probleem. Maar toch zijn er dan soms nog mogelijkheden. Iemand kan zijn instrument andersom gaan bespelen. En een trompettist die problemen krijgt met z’n vingers, kan misschien voor de trombone kiezen. Uitgangspunt is altijd om mensen weer aan het dansen of musiceren te krijgen.”