Onderzoekers blijven geboeid door Bach

In zijn dissertatie (blz. 158) geeft Bijma, op basis van zijn onderzoek, een impressie van de opstelling van de musici in de Thomaskirche in Leipzig in de tijd van Bach. Ontwerp: Rens Bijma. Artistieke vormgeving: Cobi Brak. beeld uit dissertatie Bijma
3

De wereld van Johann Sebastian Bach blijft boeien. Opnieuw lieten twee onderzoekers het beschikbare bronnenmateriaal door hun handen gaan.

Rens Bijma bestudeerde de muziekpraktijk in de hoofdkerken in Leipzig, Noelle Heber onderzocht het thema armoede en overvloed in Bachs leven en in zijn cantates. Beiden verdedigen maandagmiddag 11 december aan de Universiteit Utrecht hun proefschrift, dat ze onder leiding van prof. dr. Albert Clement schreven.

---

„Honderd procent zeker ben je nooit”

Rens Bijma (69) uit Soest moest ooit kiezen tussen musicologie en scheikunde. Het werd het laatste; hij stond jarenlang voor de klas. De muziekwetenschap liet hem echter niet los en ook als zanger en speler (orgel en klavecimbel) was hij op amateurniveau altijd actief. Na zijn pensionering in 2010 kreeg Bijma tijd voor grondig onderzoek.

Eerder had hij al eens, samen met dirigent Jos van Veldhoven van de Nederlandse Bachvereniging, een artikel geschreven over Bach als dirigent en het gebruik van het klavecimbel in Bachs kerkmuziek. Nu ging Bijma dieper op dit onderwerp in. Hij las alles wat er geschreven is over de uitvoering van Bachs kerkmuziek in Leipzig, de Duitse stad waar Bach van 1723 tot zijn dood in 1750 werkte. Ook ging hij alle bronnen nog eens na. Vorig jaar december vroeg prof. dr. Albert Clement hem om met een deel van zijn onderzoek een promotietraject te starten. Nu ligt er een studie van ruim 350 pagina’s: ”Johann Sebastian Bach en zijn musici in de beide hoofdkerken te Leipzig”.

Wat Bijma te berde brengt is van belang, niet alleen voor het Bachonderzoek, maar ook voor de uitvoering van de muziek van de Thomascantor. Want de vragen dienen zich steeds opnieuw aan: Van welke zangers en instrumentalisten kon Bach in de 18e eeuw gebruikmaken? Wat was het niveau waarop ze musiceerden? Hoe stonden ze opgesteld in de Thomaskirche en hoe in de Nicolaikirche? En deed het grote orgel nu wel of niet mee?

Bijma benadrukt dat het meeste van wat hij beschrijft al bekend was. „Er is al zo veel gedaan in het Bachonderzoek. Alle primaire bronnen zijn al lang bekeken. Het gaat erom dat je alles nog eens zorgvuldig op een rij zet en logische conclusies trekt.”

Verslag

Hoe het er tussen 1723 en 1750 in de hoofdkerken van Leizpig precies aan toeging, zullen we nooit met 100 procent zekerheid weten, stelt Bijma. Hij noemt als voorbeeld de Trauerode (BWV 198), een cantate die Bach in 1727 schreef na het overlijden van de keurvorstin van Saksen. „Het is het enige werk van Bach waarbij we van de uitvoering een verslag in de pers hebben. De verslaggever schrijft dat Bach dirigeerde en zelf klavecimbel speelde. Ook deden er volgens hem fluiten en blokfluiten mee. Als je geen ander materiaal hebt, denk je dat het zo gegaan is. De partituur van de Trauerode bleef echter ook bewaard. Daarin komen helemaal geen blokfluiten voor. Wel hobo’s d’amore. Misschien heeft de journalist het niet goed gehoord en staan er fouten in het verslag. Omdat we de partituur hebben, denken we dat we het beter weten dan het verslag. Maar misschien komen de partijen van de verschillende musici nog weleens tevoorschijn. Dan kan het plaatje er weer anders uitzien. Kortom, 100 procent zeker ben je nooit.”

Waar Bijma wel redelijk vast van overtuigd is, is dat Bachs koor doorgaans uit niet meer dan vier personen bestond, de zogenoemde enkelvoudige bezetting. „Op hoogtijdagen en bij bijzondere gelegenheden liet Bach behalve deze ”concertisten” ook een viertal zogenoemde ”ripiënisten” meezingen. Of de enkelvoudige bezetting zijn ideaal was? Dat is heel goed mogelijk, maar het kan ook zijn dat Bach eenvoudigweg niet over genoeg zangers beschikte.”

Ook over het niveau van de zangers is Bijma tamelijk stellig. „Ik ben ervan overtuigd dat de uitvoeringen die wij van de professionele koren kennen mooier zijn dan wat de kerkganger in Leipzig destijds hoorde. Carl Philipp Emanuel Bach schrijft al in Bachs necrologie dat het jammer is dat zijn vader tijdens zijn leven niet de beschikking had over meer professionele musici. Niet dat er vreselijk werd gerommeld. Maar vergeleken met wat Bach van zijn musici vroeg, was de kwaliteit niet zo fantastisch. Bach dacht overigens niet: Dan maar wat makkelijker. Hij bleef moeilijke partijen schrijven.”

Te snel

Wat wil Bijma dat er met zijn onderzoek gebeurt? „Van mij hoeft niet iedereen te proberen zo dicht mogelijk bij de praktijk van destijds te komen. Als we weten dat Bach vier zangers liet zingen, hoeft een groot koor dat graag cantates uitvoert niet ineens bijna iedereen weg te sturen. Wat ik wél belangrijk vind, is dat dirigenten op de hoogte zijn van hoe Bach het zelf deed en zichzelf de vraag stellen: Waarom zou ik daarvan afwijken?”

Is er nog meer wat Bijma wil bestuderen, na zijn promotie op 11 december? „Er zijn nog een heleboel onderwerpen die me fascineren. Het tempo waarin Bachs kerkmuziek werd uitgevoerd, bijvoorbeeld. Ik vermoed dat we het tegenwoordig te snel doen. Dat zit me dwars. Daar wil ik dieper induiken.”

---

„Ik heb een passie voor theologie én muziek”

De Amerikaanse violiste Noelle Heber (35), die in Parijs woont, schreef een Engelstalig proefschrift over armoede en overvloed in het leven en in de geestelijke cantates van Bach: ”Treasures in heaven and on earth” (Schatten in de hemel en op aarde).

Heber beschrijft hoe Bach in 1730 in een brief aan zijn vriend Georg Erdmann klaagt over de economische situatie in Leipzig, over zijn onstabiele salaris en over de muzikale onverschilligheid van de autoriteiten. Hij vraagt Erdmann voor hem om te zien naar een andere baan. Het fluctuerende salaris heeft volgens Heber te maken met het aantal bruiloften en begrafenissen waarbij Bach betrokken was. Dat kon op jaarbasis om een kleine 800 gaan, maar het konden er ook ruim 1400 zijn. Andere bronnen van inkomsten, zoals betalingen uit nalatenschappen en vergoedingen voor het onderhoud van instrumenten, waren eveneens onzeker. „Dat verklaart Bachs emotionele brief uit 1730”, aldus Heber.

Toch bleef de Thomascantor tot zijn dood in 1750 in Leipzig werken. Dat kwam doordat hij ook als freelancer actief was: met gastoptredens, keuringen van orgels, de verkoop van zijn muziek, privélessen en zijn dirigentschap van het plaatselijk muziekgezelschap, het collegium musicum. De inkomsten uit die activiteiten namen in de loop van de tijd toe. Waarschijnlijk was het daarom voor Bach uiteindelijk toch voordeliger om in Leipzig te blijven, concludeert Heber. „Aanwijzigen dat hij echt elders werk heeft gezocht, ontbreken.”

Arm is Bach nooit geweest, zegt Heber. „Niet in de zin dat hij gebrek had aan de eerste levensbehoeften. En dat terwijl hij als kind wees werd en als student afhankelijk was van giften.”

Toen hij overleed in 1750 liet de Thomascantor een behoorlijke erfenis na, inclusief een uitgebreide bibliotheek met waardevolle theologische boeken. „Dat bleek echter voor zijn weduwe en ongetrouwde dochters onvoldoende om van te bestaan. Zij waren uiteindelijk afhankelijk van de liefdadigheid”, aldus Heber.

Vluchtigheid

Behalve deze ‘stoffelijke’ gegevens onderzocht Heber ook hoe in Bachs cantateteksten het thema rijkdom en armoede naar voren komt. Vaak is daar, in lijn met de theologie van Luther, sprake van de vluchtigheid van aards geluk en materiële rijkdom, tegenover de onvergankelijke hemelse schatten.

Hoe Bach dit persoonlijk beleefde, daarover kunnen we alleen maar speculeren, zegt Heber. „Maar er is alle reden om aan te nemen dat Bach vasthield aan deze orthodox-lutherse zienswijze. Daarvan getuigen de theologische boeken in zijn bibliotheek. In mijn onderzoek laat ik zien dat Bach speciale nadruk legt op de mogelijke negatieve consequenties van aardse rijkdom en op de onmetelijke schatten die in Christus te vinden zijn. Hij accentueert de armoede van Christus die de gelovige rijk maakt, en wijst op het contrast tussen arm en rijk en tijdelijk en eeuwig, zoals in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus naar voren komt.”

Passie

Waarom gaat een violiste zich zo diepgaand met Bach bezighouden? Heber: „Ik heb wat met Bach. Zijn muziek word ik nooit zat: niet om te spelen en niet om naar te luisteren. Daarbij spreken de spirituele aspecten van zijn muziek en van de bijbehorende teksten mij aan. Ik heb een passie voor zowel theologie als muziek. Met mijn onderzoek kon ik op beide terreinen bezig zijn.”

Daarnaast is Heber altijd gevoelig geweest voor kwesties als armoede, rijkdom en sociale gerechtigheid, zegt ze. „Op een gegeven moment vielen die thema’s me op in de geestelijke cantates van Bach. Automatisch legde ik de link met de vraag hoe Bach in zijn eigen leven omging met armoede en rijkdom. Er bleek nog geen grondig onderzoek naar te zijn gedaan.”

Haar persoonlijke ervaringen spoorden haar aan met dit thema bezig te gaan. „Als freelancemusicus die ook in dienst is van een kerk, kan ik Bachs ervaringen met een onvast salaris en inkomsten uit andere activiteiten meemaken.” Door wat ze zag in arme landen als India, Marokko en Madagaskar, waar ze muziekles gaf, raakte ze betrokken op het thema maatschappelijk welzijn. „Mijn persoonlijke interesse voor dit onderwerp zorgde ervoor dat ik de jaren door gefocust kon blijven.”

Ook na haar promotie wil ze met het Bachonderzoek verder. „Mijn dissertatie is een uitgebreide introductie in het thema armoede en overvloed bij Bach. Maar er zijn gaandeweg nieuwe vragen gerezen over hoe hier in de lutherse theologie en in Bachs cantates mee wordt omgegaan. Gerelateerde thema’s als schuld, rente, rentmeesterschap, giften en weelde kunnen nog worden bestudeerd vanuit zowel theologisch als muzikaal perspectief.”