Nieuwe titularis Hoekstra (27) over orgel Jacobijnerkerk: Alles hier is mooi

Gerwin Hoekstra. beeld Simon Bleeker
2

Hij was bij de sollicitatieprocedure de jongste kandidaat. Toch kreeg Gerwin Hoekstra (27) de benoeming tot nieuwe organist van de Jacobijnerkerk in Leeuwarden. Bij de klavieren van het Müllerorgel toont hij zich verguld. „Alles hier is mooi.”

Aan het eind van het gesprek geeft Gerwin Hoekstra een rondleiding langs de orgels in de Jacobijnerkerk. Achter een scherm staat een kistorgel. „Dat wordt momenteel niet gebruikt.” In de zijbeuk huist een kistorgel dat van de Groninger organist Wim van Beek is geweest; nu is Hoekstra’s voorganger Theo Jellema de eigenaar. Hij heeft het in de kerk laten zetten, om te gebruiken bij cantatediensten. „Kijk, er zit zelfs een Mixtuur op”, wijst de nieuwe organist van de Jacobijner. „Het instrument zal op termijn wel weggehaald worden.”

In het koor van de kerk bevindt zich een koororgel met een zuidelijk accent: gebouwd door Vermeulen, met gebruikmaking van 19e-eeuws pijpwerk van een Belgische orgelbouwer. „Elke derde zondag van de maand is hier een avondgebed; dan zitten de mensen in een halve cirkel rond dit orgel.

Onder de verhoogde stadhoudersbank door –hier zaten de Nassau’s van de stadhouderlijke familie– gaat het naar de sacristie. Ook daar een instrument: een 18e-eeuws Duits pijporgel. „Het wordt nauwelijks gebruikt”, zegt Hoekstra.

Pronkstuk

Hét pronkstuk van de kerk is natuurlijk het fraaie orgel van Christian Müller uit 1727. Hoekstra gaat voor via de brede trap naar de orgelgalerij. „Een majesteitelijke opgang”, grapt hij. Wie bij de speeltafel wil komen, moet gebukt onder een spant door en vervolgens via een deurtje de orgelkast in stappen.

Daar, bij de drie manualen, laat de kersverse titularis, die met ingang van volgende week Theo Jellema opvolgt, horen wat hem in dit orgel boeit. „Wat er mooi is aan dit instrument? Alles is mooi. Alleen al de Prestant 8’ van het Rugwerk. Als ik hier kom, speel ik vaak eerst even een paar minuten alleen op dit register. Prachtig: krachtig, warm, rijk.” Uit zijn vingers komt het adventskoraal ”Nun komm’, der Heiden Heiland”.

Hoekstra demonstreert de combinatie van de Prestanten 16’-, 8’- en 4’-voet. „Met zo’n basis kun je zondags de gemeente hier al begeleiden.” De fluiten komen langs, de Quintadeen van het Bovenwerk. Dan de soloregisters. „De dispositie is spartaans, in de zin dat je weinig mogelijkheden lijkt te hebben. Maar elk register is zo mooi, dat je er helemaal geen last van hebt. Neem de Sesquialter van het Rugwerk. Of de Cornet, ook op het Rugwerk. Nota bene: VI-sterk. Monsterlijk. Maar heel handig bij de samenzang. Daaraan zie je dat dit instrument echt als Hollands begeleidingsorgel gebouwd is.”

Dat het een 18e-eeuws bouwsel is, betekent niet dat je er alleen maar barokmuziek op kunt spelen, zegt Hoekstra. „Het is wat mij betreft een universeel orgel, waarop bijna alles goed klinkt. Alleen als je echt een zwelwerk nodig hebt wordt het lastig.” Hij laat horen hoe hij renaissancemuziek van Sweelinck zou registreren. Of het laatste deel uit de Vierde Sonate van Mendelssohn. En dat ook Choral I van Franck hier prima kan.

Droom

Of met zijn benoeming in de Jacobijnerkerk een droom is uitgekomen? „Ik droomde niet specifiek van deze plek. Maar wel van een benoeming op een groot stadsorgel. In die zin is met mijn benoeming een droom uitgekomen.”

Hoekstra kent de Jacobijnerkerk van zijn bachelorstudie aan het Groninger conservatorium. Erwin Wiersinga en Theo Jellema gaven onder andere les op het Müllerorgel. Niettemin noemt hij het heel bijzonder dat hij, als jongste sollicitant, bij de zes kandidaten hoorde die proefspel mochten komen doen. „Dat gebeurde anoniem. Dus ik ben puur op het gehoor uitgekozen. Ik deed eigenlijk niks bijzonders; blijkbaar kon ik de mensen goed meenemen in de zang.”

Legende

Hoekstra, in Almere geboren, maar al heel jong verhuisd naar het Groningse Winsum, vertelt hoe hij als jochie van zes geboeid raakte door het orgel. Het gebeurde tijdens het 40-jarig huwelijksjubileum van opa en oma in Staphorst. Toen een neef van opa, Gerrit Hoekstra, een concertje gaf in de gereformeerde kerk De Bron. „Bij een stuk van Krebs, de Fantasia à gusto italiano, is volgens de legende het kwartje gevallen. Vanaf dat moment riep ik dat ik organist wilde worden.”

Vanaf z’n achtste –„Ik moest eerst mijn zwemdiploma’s halen”– kreeg hij les van Dirk Molenaar in Eenrum. „Hij bracht me ook kennis van het instrument bij. Als jochie van 9 stond ik al tongwerken te stemmen.”

Tijdens z’n examenjaar van het gymnasium deed Hoekstra ook de vooropleiding van het conservatorium. Vervolgens studeerde hij voor z’n bachelor aan het Groninger conservatorium.

Ohio

Aansluitend zette hij in 2015 een opmerkelijke stap. Voor z’n master vertrok Hoekstra naar de Verenigde Staten, naar Oberlin. Lachend: „Ik moet altijd uitleggen waar dat ligt. Het is echt in de middle of nowhere, in de staat Ohio.” Wat hij daar zocht? „Ik had in 2014 de derde prijs behaald bij het Sweelinck Concours. Daar zat de Amerikaanse organist James David Christie in de jury. Ik kwam in contact en vroeg of ik bij hem kon studeren. Wat me vooral trok, is dat je in Oberlin op universitair niveau orgel kunt studeren, terwijl dat hier alleen op hbo-niveau kan.” Lachend: „Nou, dat heb ik geweten. Ik moest daar in één maand meer studeren en schrijven dan hier in een jaar tijd.”

Maar het werden twee rijke jaren. „In Groningen ben je vooral op de Nederlandse historische orgels bezig. En hoe mooi dat ook is, het is wat eenzijdig. Het Oberlin Conservatory daarentegen beschikt op een klein oppervlak over een groot aantal instrumenten waarop je kunt studeren. Aan een pleintje staan diverse kerken en zalen met klavierinstrumenten in allerlei stijlen: een groot Hollands orgel, een vroeg Noord-Duits orgel, een kopie van Silbermann, een 19e-eeuws symfonisch monster, allerlei klavecimbels en niet minder dan 250 vleugels van Steinway. Een waar toetsenparadijs, voor zo’n tien à twintig orgelstudenten.”

Hoekstra kreeg een volledige studiebeurs van het conservatorium. „Ik heb twee jaar voor nop kunnen studeren.”

In 2017, met een Amerikaanse master op zak, keerde Hoekstra terug naar Nederland. „En toen viel ik in een zwart gat”, lacht hij. Serieus: hij ging weer als organist aan het werk in zijn gemeente, de protestantse gemeente Winsum-Halfambt. „Prima hoor, daar. Maar ik moest me wel even heroriënteren. Wat ga je doen? Ik deed met meer of minder succes mee aan concoursen; ik ben niet zo’n concours-tijger. Intussen ging ik bij onder anderen Sietze de Vries en Stef Tuinstra aan de slag voor de opleiding kerkmuziek. Dat diploma heb je hier nodig om op belangrijke posten benoemd te kunnen worden.”

En toen kwam de Jacobijnerkerk in Leeuwarden vrij.

„Tot m’n verrassing al zo snel. Theo Jellema is vervroegd op z’n 64e gestopt. Hij had tot z’n 67e kunnen doorgaan. Het kwam voor mij ook wel wat vroeg; ik had nog wel een jaartje meer willen hebben. Maar zo’n kans laat je natuurlijk niet lopen.”

En toen werd u nog benoemd ook.

„Tot mijn verrassing, ja.”

Wat trekt u aan deze plek?

„Natuurlijk spreekt het Müllerorgel tot de verbeelding. Maar daarnaast zijn het ook de gemeente en de diensten die me trekken. Ze kennen hier een heel rijke kerkmuziektraditie. Mijn agenda voor komend jaar loopt al helemaal vol. Naast de gewone zondagochtenddienst met klassieke invulling is er iedere week een speciale tweede dienst. Een cantatedienst, een avondgebed, een zogenaamde Jacobijner Noen. Daarnaast is er elke vierde zondag van maand in de Waalse Kerk, hier vlakbij, een Friese Vesper. Ook daar mag ik aan meewerken. Juist in die speciale vieringen is er veel aandacht voor het orgel en de kerkmuziek.

Jan Jongepier was hier organist, vanaf 1981. Vervolgens Theo Jellema, sinds 2006. Twee kopstukken in orgelland. Kunt u in hun schoenen staan?

„Dat heb ik me ook afgevraagd. Jongepier is in 2011 overleden. Ik heb hem één keer live gehoord. Juist de laatste maanden heb ik geluisterd naar opnamen van zijn spel. Vooral zijn meesterlijke improvisaties; daar stond hij om bekend. Zo ver ben ik natuurlijk nog lang niet. Maar hij is een schitterend voorbeeld. Wat betreft Theo Jellema: hij staat bekend vanwege zijn enorme repertoire, zijn grote diepgang, zijn weldoordachte en integere benadering van de muziek en de instrumenten. Daar kan ik nu natuurlijk nog niet aan tippen. Maar ik wil heel graag in die lijn doorgaan.”

Wat kunnen we van u verwachten de komende tijd?

„Ik wil zeker dit orgel van Müller gaan promoten. Het is het kleinere zusje van het beroemde Müllerorgel in de Bavo in Haarlem, maar zeker geen minder instrument. Er zijn alleen niet zo veel opnamen van dit orgel. Daar wil ik verandering in aanbrengen. Met cd’s, of misschien met filmpjes op YouTube. Er is hier een uitgebreide concertserie, die goed loopt. Die ga ik zeker voortzetten. Wat betreft de zondagse diensten: daarin wil ik de traditie die hier is volgen. Het is hier gebruik dat in de speciale tweede diensten veel aandacht is voor de muziek; daarin word ik geacht literatuur te spelen. Die wordt dan ook aangekondigd op de liturgie. In de reguliere zondagochtenddiensten, waar zo’n 150 à 200 mensen komen, hebben Jongepier en Jellema eigenlijk altijd geïmproviseerd. Om zodoende zo goed mogelijk te kunnen aansluiten op wat er in de dienst gebeurt. Die wisselwerking tussen predikant en organist vind ik een mooi uitgangspunt, waarmee ik graag verderga.”