Musicus Mar van der Veer zaait op vermeende rotsen

Staccato
Musicus Mar van der Veer uit Zierikzee. Beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Hij windt zich op. Over een kerk die een theater dreigt te worden. Over een beiaardier die wegbezuinigd wordt. Over het nieuwe Liedboek; in zijn ogen een supermarkt met A- en B-merkproducten. Maar vóór alles is Mar van der Veer musicus. Doordeweeks op school, zondags in de kerk. „Als ik een groep mensen voor me heb, word ik enthousiast.”

Veertig jaar staat hij voor de klas. Mar van der Veer (61) uit Zierikzee proeft het getal op z’n tong. „Ik begon als studentje van 21 op de Melanchthon in Rotterdam. Ik was nauwelijks ouder dan leerlingen die een paar keer waren blijven zitten. In 1978 ben ik naar de Prins Maurits in Middelharnis gegaan. Stoppen met lesgeven? Ik denk er nog niet aan en ga graag een paar jaar door. Ik heb nu kinderen van oud-leerlingen in de klas. Soms plaag ik: Je moeder was braver dan jij.”

1. Ik word blij als ik jongeren Bach hoor luisteren.

„Jongeren luisteren geen Bach. En als ze het wel doen, zeggen ze het niet, want daar maak je je niet populair mee. Jongeren denken bij Bach aan zwaar, saai, langzaam. Tegen dat beeld strijd ik elke dag. Ik behandel Bach natuurlijk wel in de les. Dan begin ik met een foto van de Efteling. Eerst van zo’n enge zweefmolen, dan van een paddenstoel. Uit alle paddenstoelen in de Efteling klinkt Bachs Menuetto in G. Dat herkennen ze. Op dat moment heb ik hun aandacht. Na een week spelen ze zelf het melodietje. Het is niet mijn doel jongeren specifiek Bach te leren waarderen. Dan kan ik beter morgen stoppen. Ik wil door de muziek hun hart bereiken en word blij als ik hen aan het zingen krijg. Ik leer hun de traditionele gezangen: ”Heilig, heilig, heilig”, ”Lof zij de Heer’, de almachtige Koning der ere”. Het is triest dat jongeren die niet meer kennen. Op zondag zingen ze psalmen, doordeweeks Elly-en-Rikkertachtige liedjes. Daartussen zit niets meer. Met popmuziek doe ik nauwelijks iets. Die taal verstaan jongeren beter dan ik.”

2. Muziek geven op een middelbare school is ploegen op rotsen.

„Nee. Het is zaaien op ogenschijnlijk rotsachtige grond. Ik zie resultaten. Ik weet zeker dat ik afgelopen week tientallen leerlingen de ogen heb geopend voor klassieke muziek. Maar je moet creatief zijn. Ik behandelde een prelude van Chopin en liet een foto zien van een Syrische moeder met een kind aan haar hand. Dat beeld paste precies bij de smekende muziek van Chopin. Dat snappen de leerlingen. Dat ze muziek leuk vinden, zie ik aan hun verwachtingsvolle blik als ze de klas binnenkomen. Muziek een vak om te keten? Nee, nee, nee. Natuurlijk heb je soms een ellendeling in de klas, maar daar maak ik korte metten mee.”

3. Het orgel is en blijft het mooiste instrument.

„Wat architectuur betreft wel. Elk orgel ziet er anders uit. De kas is vaak een monument op zich. Maar de klank het mooist? Dat hoeft niet. Een cello bijvoorbeeld gaat zó diep. De klank van snaren raakt me. Daar kan geen orgel tegenop. Het orgel is voor mij wel het mooiste instrument om bij te zingen in de eredienst. Als ik speel, heb ik de tekst voor me. Zingen we meer coupletten van één lied, dan begeleid ik elk vers anders. Er is zó veel mogelijk op een orgel. Neem Psalm 22: „Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij Mij?” Die regel kun je zacht begeleiden, maar ook hard, als uitroep.”

4. Er mankeert veel aan het muziekonderwijs op basisscholen.

„Muziek is naar het randje geschoven. Alle aandacht gaat uit naar rekenen, taal, de Cito-toets. Muziek is een van de leuke extra dingen. Je kunt er iets mee doen, maar ook niets. Dat is dramatisch. Voorheen kon ik met elke brugklas zingen. Tegenwoordig moet ik leerlingen eerst de techniek van het zingen leren. Er wordt op de basisschool vaak veel te laag gezongen. Daardoor verdwijnt de bovenklank van de kinderstem. Kinderen kunnen ook geen noten meer lezen. Er zijn vakleerkrachten nodig om goed muziek te geven op de basisschool. Ik ben blij met de methode ”Luisterland”, die kinderen klassieke muziek voorschotelt. Ze genieten er echt van.”

5. Ik loop m’n hakken scheef voor het behoud van de historische Nieuwe Kerk in Zierikzee.

„Ja, maar niet alleen ik. De kerk zou een theater worden. Dat doet me pijn, maakt me boos. Liever geen kerk dan een theater in de kerk. Toen ik in Zierikzee kwam wonen, in 1978, was de Nieuwe Kerk al niet meer in gebruik. Het gebouw was een ruïne. Geld om het op te knappen, was er niet. En toen kwam het plan om er een theater van te maken. Om dat te voorkomen, hebben we een vriendenstichting opgericht, waarvan ik voorzitter ben. Er is toch een restauratie gekomen, die inmiddels bijna klaar is. Op de valreep kregen we een extra gift van ruim 1 miljoen euro. Dat was heel bijzonder. We gaan straks proberen het gebouw zo veel mogelijk te verhuren voor concerten, congressen, recepties en andere bijeenkomsten die niet in strijd zijn met het oorspronkelijke karakter. Ik heb me ook ingezet voor het behoud van de beiaardier in Zierikzee. Die zou wegbezuinigd worden. Om dat te verhinderen, heb ik de Stichting Zierikzeese Carillons opgericht. Uit het fonds dat deze stichting beheert, wordt nu een professionele beiaardier, Janno den Engelsman, betaald. Door deze kwesties heb ik twee keer met het gemeentebestuur overhoop gelegen en haal ik vaak de plaatselijke pers.” Lachend: „Ik denk dat zo langzamerhand elke inwoner van Zierikzee weet wie Mar van der Veer is.”

6. Ik ben blij met het nieuwe Liedboek.

„Absoluut niet.” Van der Veer bladert erdoorheen. „Er staan ruim 1000 nummers in, maar vele bevatten meerdere liederen onder één nummer, dus ik denk dat het totaal wel op 1400 komt. Er staan prachtige liederen in, door de eeuwen heen beproefd, maar ook flutliederen. Dat krijg je als niet ”kwaliteit” het criterium is, maar de vraag hoe je zo veel mogelijk doelgroepen kunt bedienen: evangelische christenen, jongeren, feministische theologen, vrijzinnigen. Dan wordt zo’n bundel een ratjetoe. Het ene moment heb je een prachtig lied voor je. Sla je een bladzijde om, dan vraag je je verbaasd af: Wie heeft dit ooit kunnen maken? Het nieuwe Liedboek is een muzikale supermarkt met A- en B-merkproducten. Als ik er een cijfer voor moet geven, wordt het niet meer dan een 6. Komende tijd moeten gemeenten ermee aan de slag om de bundel te beproeven. Dat is onmogelijk met meer dan 1000 nummers. Ik kom zelf aan hooguit 140 bruikbare liederen.”

7. Alleen kwaliteit kan de zondagse kerkzang redden.

„Uiteindelijk wel. Mensen zullen altijd blijven zingen, daar ben ik van overtuigd, maar alleen kwaliteit is duurzaam, overleeft de eeuwen. Kerkliederen mogen geen eendagsvliegen zijn. Als je zo naar het nieuwe Liedboek kijkt, spat de tijdelijkheid ervan af.”

8. Elke kerkelijke gemeente moet een kerkmusicus in dienst hebben.

„Zeker. Het is heel goed voor de gemeente als er iemand is die zich professioneel met muziek bezighoudt. Dat hoeft niet altijd in de traditionele zin te zijn van de hoogliturgische musicus die een cantate tijdens de dienst uitvoert of voor een stevig Bachwerk na de dienst zorgt. Ik ben als adviseur betrokken bij de benoeming van een kerkmusicus nieuwe stijl in de hervormde gemeente van Rotterdam-Lombardijen. Hij of zij moet alle gemeenteleden die muzikale gaven hebben, proberen in te schakelen. Dat kan in de eredienst zijn, maar ook daarbuiten. Daarmee treden we in de voetsporen van Luther. Het is een bewuste keuze, in plaats van de benoeming van een pastoraal werker. Ik hoop dat dit navolging vindt in reformatorische kring.”

9. Een dag zonder muziek is een dag niet geleefd.

„Wat moet ik daarop zeggen? In de zomer heb ik soms meerdere dagen achter elkaar niets met muziek gedaan; toch had ik een prima vakantie. Ik moet wel zeggen dat er ook dan vaak liederen door mijn hoofd spelen. Muziek is mijn grote liefde, maar ik ben geen fanaat. Ik vind meer dingen interessant. Politiek bijvoorbeeld. De krant lees ik elke dag intensief. Schrijven vind ik ook leuk. Ik wilde vroeger graag journalist worden. Dat is niet gebeurd, maar ik schrijf wel columns in plaatselijke kranten. En verder ben ik een mensenmens. Thuis ben ik heel rustig, maar als ik een groep voor me heb, word ik enthousiast.”

10. Ik zou graag nog eens...

„...een avond alleen doorbrengen in de Thomaskerk in Leipzig. Ik hoef geen orgel te spelen, want het oorspronkelijke Bachorgel is toch al weg. Alleen maar zitten in stilte, zonder toeristen. Ik zou met Bach willen spreken en hem de vraag willen stellen: Hoe kreeg u het voor elkaar om muziek te schrijven te midden van zo veel verdriet en ellende? Ik herken daar iets van. Sinds juni weten we dat mijn vrouw de ongeneeslijke ziekte ALS heeft. Ons leven heeft een onomkeerbare wending genomen. De dokter vroeg: Welke grote dingen zou u nog samen willen doen? Helemaal niets. We genieten van de kleine dingen, zoals samen een kop koffie drinken. We leven bij de dag en zijn dankbaar voor alles wat we kregen en nog hebben. Een gift is het.”


Levensloop Mar van der Veer

Mar van der Veer (Vlaardingen, 1951) studeerde orgel en schoolmuziek aan het conservatorium in Rotterdam. Hij geeft sinds 1978 muziek op de Prins Mauritsscholengemeenschap in Middelharnis en is initiatiefnemer van de meezing-Messiah voor scholieren in Leiden. In februari wordt dit werk uitgevoerd met 800 leerlingen van christelijke en reformatorische middelbare scholen. Van der Veer is organist van de Gasthuiskerk in Zierikzee, waar hij zondags het Marcussenorgel bespeelt. Daarnaast is hij cantor van de Thomaskerk in zijn woonplaats, waar hij jongeren en ouderen betrekt bij muziek in de eredienst. Van der Veer componeert liederen en motetten, vaak in eerste instantie bedoeld voor zijn koren. In het voorjaar maakte hij een Zeeuws koningslied ter gelegenheid van de troonswisseling. Het werd uitgevoerd in het bijzijn van het koningsechtpaar tijdens zijn kennismakingsbezoek aan de provincie. Van der Veer werkte mee aan de nieuwe liedbundel van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten en schrijft een aantal bijdragen voor de HSV-jongerenbijbel die volgende maand verschijnt. „Behalve musicus ben ik een halve godsdienstleraar”, zegt hij zelf.