Martin Mans viert onder grote belangstelling 40-jarig organistenjubileum

beeld Tim Adriaanse
3

Martin Mans (1965), ”de Andre Rieu van het orgel”, vierde donderdag 25 mei met een uitverkocht concert in de Rotterdamse Laurenskerk zijn 40-jarig organistenjubileum. De 750 bezoekers werden getrakteerd op een programma met improvisaties, bewerkingen en literatuur.

In de veertig jaar van zijn organistschap is er heel wat kritiek op Mans geleverd. Zeker in het begin van zijn carrière was de Nederlandse orgelwereld nog strikt verdeeld in rekkelijken en preciezen, die elkaar onderling met verve bekritiseerden. Dat leverde betitelingen op als ”muziek met de diepgang van een platbodem”, ”popmuziek op orgel” en ”snackbarmuziek”. Om het netjes te zeggen werd zijn stijl regelmatig betiteld als onorgelmatig en niet passend in de kerk.

De geuzennaam ”de Andre Rieu van het orgel” geeft al aan dat Mans, met succes, inspeelt op een groot publiek. Zeg je Rieu dan zeg je Johann Strauss, ook een componist die oppervlakkigheid werd verweten. Maar toch, Johannes Brahms, componist van veel ingewikkelder en diepgaander muziek dan die van Strauss, schreef eens onder de openingsmaten van diens tophit ”An der schönen blauen Donau”: „Jammer genoeg niet van Brahms.”

Ondertussen is de scheiding tussen rekkelijken en preciezen in de Nederlandse orgelwereld ook een stuk diffuser geworden, in zekere zin is de houding van Brahms er toch wel een beetje in doorgedrongen. Het onderscheid tussen goed en fout, orgelmatig en onorgelmatig ligt niet meer zo duidelijk. Als je dan onbevooroordeeld luistert naar wat Martin Mans donderdagavond liet horen, blijkt dat veel vooroordelen niet terecht zijn.

Mans opende met een kalme arioso over Psalm 68, die werd opgewerkt naar een samenzang op het volle werk met een rijke harmonisatie. Dat was hoe dan ook opvallend, alle psalmen en geestelijke liederen kregen een harmonische rijkdom mee waar Feike Asma zich indertijd niet voor zou hebben geschaamd.

In de daaropvolgende variatiereeks over Psalm 87 liet Mans de klankkleuren van het orgel mooi uitkomen. De improvisatie over ”Wie maar de goede God laat zorgen” klonk fraai meditatief en kreeg diepgang door prachtig smartelijke akkoordwendingen en een uitgekiende registratie. Voor mij een van de hoogtepunten van de avond.

Kruising

Mans bracht deze avond twee muzikale bezoeken aan landen waar hij veel concerteert. Vóór de pauze was dat Canada. Het klonk als een kruising tussen rococo en volksmuziek met een dito bewerking, die technisch knap werd gespeeld.

Na een toespraak van muziekvriend Dick Boogaard vervolgde Mans het programma met een geslaagde improvisatie over de lastig te harmoniseren Psalm 141.

Daarop nam zoon Jos Mans zijn vader het roer uit handen en bracht een muzikale verrassing: de evergreen ”Mijn gebed” van D. C. Lewis, waarbij hij zichzelf begeleidde op de gitaar.

Mans nam met Edward Elgars ”Nimrod” uit ”Enigma” het stokje weer van zijn zoon over. Opvallend waren hierbij de manier waarop hij de structuur van het stuk liet horen en het expressieve spel met warme klankkleuren.

Als laatste werk voor de pauze klonk de bekende Toccata uit Leon Boëlmanns Suite Gotique. Hierin klonk de Rotterdamse Marcussen als een Parijse Cavaillé-Coll. Mans speelde het in een flink tempo en wist op het einde te overweldigen.

Tijdens de pauze was er gelegenheid om cd’s te kopen, te laten signeren en de jubilaris te feliciteren, iets waar velen gebruik van maakten.

Buiten de kaders

Mans had in zijn mondelinge toelichting al aangegeven dat hij graag buiten de kaders werkt en dat dit met name na de pauze zou gaan gebeuren. Dat bleek meteen al in een eigen orgelbewerking van de tophit ”Music was my First love” van John Miles, die mij vooral in de plenumgedeelten overtuigde.

Ook in zijn muzikale bezoek aan Zuid-Afrika kleurde de organist flink buiten de lijntjes. De gebruikte begeleidingspatronen bij het volksliedje zullen door sommigen als ordinair kunnen worden ervaren. Je kan ook zeggen dat Mans deze patronen zo heeft gekozen dat ze stilistisch gezien passen bij het volksliedje. Ik kies voor de laatste optie.

Het volgende programmaonderdeel bestond uit muziek van de twee grootste inspiratiebronnen van de organist. De Aria over gezang 91 van Klaas Jan Mulder werd gevoelig gespeeld, met een warme registerkeuze. ”Komt als kind’ren van het licht” van Feike Asma werd gespeeld met een intensiverende energie, wat leidde tot een overweldigend slotkoraal.

In de muzikale meditatie die hierop volgde was wederom een rol weggelegd voor zoon en gitarist Jos Mans.

Tot slot van het programma hield ds. P. Vermaat een korte toespraak, die eindigde met een gedicht dat werd begeleid door een combinatie van ”Uren, dagen, maanden, jaren” en ”’k Wil U, o God, mijn dank betalen”, als opmaat voor de slotsamenzang van twee coupletten van Psalm 56. In het tussenspel combineerde Mans deze drie liederen en als naspel speelde hij ”Dankt, dankt nu allen God”. Op het slotapplaus volgde, terecht, geen toegift. Alles was al gezegd.

Bij muziek gaat het er ten diepste om dat de uitvoerende je overtuigt, je meeneemt. Als dat gebeurt, vallen kaders, stijlen en conventies weg en blijft alleen muziek die je raakt over. Dat is precies wat donderdagavond bij mij gebeurde.