Jan Mul brengt Geneefse psalmen in eigentijdse taal

Jan Mul uit Barneveld. beeld RD, Anton Dommerholt
2

En weer verscheen er een nieuwe berijming van het Geneefse Psalter. Jan Mul (76) uit Barneveld kroop door alle 150 psalmen en zette ze om in dichtvorm. „Ik hoop dat mijn berijming eraan bijdraagt dat we de psalmen niet kwijtraken.”

Mul, die opgroeide in Breukelen, was ooit timmerman. Later werkte hij jarenlang als docent bouwkunde aan een mbo-school in Barneveld. In zijn vrije tijd dichtte hij zo nu en dan. „Dat begon al jong. Vanaf m’n 18e ongeveer. Toen ik in dienst zat, schreef ik al gedichten in het orgaan In ’s Konings dienst, een contactblad voor gereformeerde militairen. Ik denk dat ik het taalgevoel van m’n moeder heb. Die schreef altijd foutloos.”

In 1980 debuteerde Mul als dichter met de bundel ”Het Licht is nabij”. Toenmalig cultuurredacteur H. H. J. van As noemde de uitgave destijds in deze krant „een felicitatie waard.” Mul was jarenlang lid van de vereniging Schrijvenderwijs, waarin protestants-christelijke auteurs elkaar ontmoetten.

In 2005 publiceerde de Barneveldse dichter de bundel ”Soms zegt ze zomaar tegen mij: meneer”. Daarin staan gedichten over wat het is om van dichtbij te zien wat Alzheimer met een geliefde doet. De vrouw van Mul leed zo’n tien jaar aan deze ziekte, tot ze in 2008 in een verpleeghuis overleed. „In die gedichten schreef ik alles van me af. Je diepste gevoelens zeg je niet tegen iedereen. Maar in zo’n gedicht kon ik alles kwijt: boosheid, verdriet, troost.”

Zeggingskracht

In die jaren gingen de psalmen ook meer leven voor Mul. Ze waren er altijd geweest. Als vrijgemaakt-gereformeerde jongen groeide hij op met de berijming van 1773. Later kwam het Gereformeerd Kerkboek, waarin een selectie uit meerdere berijmingen is opgenomen, daarvoor in de plaats.

Maar juist in de afgelopen twintig jaar kregen de psalmen steeds meer zeggingskracht voor Mul. „Ze zijn me dierbaar geworden, mede door de ziekte van mijn vrouw. Ze bestrijken het hele leven van een mens en de rol die God daarin speelt. Twijfel, angst, boosheid, vragen. Maar ook de lof en de blijdschap.”

Probleem is volgens Mul alleen dat veel woorden in de bestaande psalmberijmingen in het dagelijks leven niet meer gebruikt worden. „Ik heb eens in het Gereformeerd Kerkboek alle psalmen doorgebladerd en de niet-alledaagse uitdrukkingen genoteerd. Dat waren vier A4’tjes vol.”

Vooral voor de jeugd vormen de psalmen daardoor vaak onbekend terrein, zegt hij. „In mijn kerk signaleer ik sowieso dat predikanten minder psalmen laten zingen. Liederen uit de bundel Opwekking verdringen heel veel psalmen. Als we dat laten gebeuren, kent de jeugd ze straks niet meer.”

Nieuw jasje

Tien jaar geleden probeerde Mul zelf eens een psalm te berijmen: Psalm 100. Later deed hij Psalm 150 en Psalm 1. „Dat lukte redelijk. Daarna ben ik rustig verdergegaan.”

Drie jaar geleden maakte hij er een project van: álle psalmen wilde hij in een nieuw jasje steken. „Toen kon ik niet meer alleen de makkelijke kiezen. Ook degene die weinig gezongen worden of een lastige melodie hebben moesten een behandeling krijgen. Soms deed ik een psalm in één avond. Een andere keer deed ik er veertien dagen over. Dan kreeg ik het maar niet rond. Psalm 119? Daar heb ik niet heel lang over gedaan; 66 strofen heeft die psalm bij mij. Het lastige was wel om steeds weer andere synoniemen voor Gods wet te vinden.”

Mul werkte op basis van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) uit 2004. Soms gebruikte hij ook de Bijbel in Gewone Taal. Waarom? „Puur om de taal. Om de psalmen qua taal zo dicht mogelijk bij de mensen van nu te brengen.” Daarom geen ”gij” meer („alsjeblieft niet”) en vaak ook geen ”u” („dat wordt ook hoe langer hoe minder”), maar ”jij” en ”jou”. „Ik sluit me aan bij de hedendaagse taal. Daarin wordt een woord als ”toorn” niet meer gebruikt; jongelui weten niet wat het betekent. Ik wil de tegenstelling tussen het gewone leven en de kerkdienst opheffen.”

Tegelijk wilde hij dicht bij de Bijbel blijven. „Als ik moet kiezen tussen Schriftgetrouwheid en schone poëzie, kies ik voor de eerste. Als het wezen van de tekst niet wordt aangetast, mag je best eens uitweiden. Maar over het algemeen wilde ik zo dicht mogelijk bij de tekst blijven.”

Ook als die misschien minder aansprekend is. „Als Psalm 137 vreselijke dingen over de kindertjes van Babel zingt, of Psalm 60 zegt dat God Zijn voet op Edoms nek zet: wie ben ik om dat weg te moffelen? Het staat zo in de psalm.”

Populair

Mul wil eigentijdse taal gebruiken. Kan het ook té populair worden? „Ik begrijp dat mensen die uit de berijming van 1773 zingen, mijn psalmen te populair vinden. Tegelijk zie ik binnen mijn eigen kerkverband dat bijvoorbeeld niemand meer problemen heeft met de Nieuwe Bijbelvertaling. Die is helemaal geaccepteerd.”

Hij vergelijkt zijn psalmen met andere berijmingen, waarin soms te platte woorden worden gebruikt die niet mooi zijn of toevoegingen worden geplaatst die niet in de psalmen zijn terug te vinden.

Soms is het balanceren, zegt Mul. „In het laatste vers van mijn Psalm 87 stond eerst dat niemand de vreugdedans zal ontspringen. Dat vond ik toch te populair.” In vers 3 staat nu: „Jeruzalem, je zult nog wat beleven.” Is dat niet even populair? „Daar kun je over twisten, ja.”

Behoudende kant

De nieuwe berijming van 1967, De Nieuwe Psalmberijming (DNP) waar Jan Pieter Kuyper en anderen nog aan werken, de herziening van 1773 door dr. Bert Hofman: waar positioneert Mul zichzelf? „Ik denk dat ik wat aan de behoudende kant zit. Ik wil Bijbelgetrouwe psalmen in gewone taal brengen. Als het gaat om de berijming van 1967: ik heb me erover verbaasd dat die psalmen niet zijn gemoderniseerd en zo weer in het Liedboek 2013 zijn opgenomen.”

Wat hij hoopt dat er met zijn psalmen gebeurt? „Dat ze gezongen gaan worden in de kerken. Binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt is die openheid er wel. In onze gemeente hier in Barneveld hebben we al weleens psalmen van mij gezongen. Ik hoop dat mijn berijming eraan bijdraagt dat we de psalmen niet kwijtraken.”

---

Nieuwe berijming is vooral gewoon

Jan Mul heeft voor zijn nieuwe berijming de melodieën van het Geneefse Psalter als uitgangspunt genomen. Voor de strofe-indeling volgt hij over het algemeen die van het vrijgemaakt-gereformeerde Gereformeerd Kerkboek. Soms gebruikt hij echter een strofe minder of meer. Hier en daar komen halve versjes voor, zoals in Psalm 7, 20, 41, 54, 66 en 85. Van Psalm 43 biedt Mul twee versies: één op de melodie van Psalm 42 (omdat beide psalmen „in feite één geheel vormen”) en één op de gebruikelijke melodie.

Omdat de Barneveldse dichter zich baseert op de Nieuwe Bijbelvertaling, komen woorden als ”toorn” en ”ongerechtigheden” niet voor in zijn berijmingen. In Psalm 51 is er sprake van Gods „woede” en dat ik Hem „voor het hoofd gestoten heb”; of: „U bent, mijn God, heel boos op mij geweest.”

Dat Mul in plaats van ”gij” en vaak ook ”u” liever ”je” en ”jou” hanteert, blijkt bijvoorbeeld in Psalm 103: „Met trouw en liefde kroont God heel jouw leven.” Of Psalm 50: „Het mooiste dat Hij ooit jou kan vertellen,/ is dat zijn vrede jou zal vergezellen.” Maar in Psalm 130 is Israël toch ”u”: „Blijf, Israël, verwachten/ uw God die naar u hoort.”

Messiaans

Het hoofdlettergebruik is heel summier. Alleen ”God” en ”Heer” worden groot geschreven, en er komt ook een hoofdletter als God spreekt of direct wordt aangesproken (”Ik” en ”U”). In psalmen die vanouds als Messiaans worden gezien, wil Mul niet interpreteren. Zo luidt het in Psalm 2: „Jij bent mijn zoon, vandaag verwekt tot leven.” En in Psalm 110: „Dit woord heeft God eens tot mijn heer gesproken.”

Lastige passages of aanstootgevende beelden heeft Mul inderdaad niet weggemasseerd. In Psalm 139 heet het: „Zou ik niet haten wie U haten,/ die goddeloze onverlaten.” Psalm 137 zegt over de kinderen van Babel: „hun bloed zal aan de scherpe rotsen kleven.” In het beruchte vers uit Psalm 78 waar God bij Datheen als een dronkenman werd voorgesteld (in 1773 zorgvuldig weggepoetst), zwakt Mul iets af: „Het leek alsof het God totaal niet raakte,/ totdat Hij schijnbaar uit zijn roes ontwaakte.”

Mul maakt in zijn berijmingen weinig gebruik van elisie (het weglaten van een klinker), maar hier en daar komen de „donk’re dalen” (Psalm 23), de „kind’ren” (Psalm 22) en de „heil’ge plaats” (Psalm 84) wel voor. Een enkele keer piept Datheen (als het gaat om de woordvolgorde) erdoorheen: „toon uw genade mij” (Psalm 130:1). En het slot van Psalm 84:2 loopt ook niet echt lekker: „Gelukkig wie zich bij U thuis/ mag voelen, in uw heerlijk huis.”

Op de verhouding woord-toon heeft de dichter, ervan uitgaande dat er ritmisch gezongen wordt, over het algemeen goed gelet. Toch vallen de accenten hier en daar niet helemaal goed: „Maar God redde” (Psalm 124:1); „die het ruimschoots” (Psalm 87:1); „Want wie zich arrogant tegen U stellen” (Psalm 79:6). En het begin van Psalm 114 blijft lastig: „Toen uit Egypte God zijn volk leidde.”

Mooi woordgebruik

Qua poëzie doet Mul geen grootste dingen. Vaak is de taal gewoon. Psalm 98:3: „Laat elke aarzeling verdwijnen/ en juich voor Hem uit volle borst.” Of Psalm 146:6: „Al wie kwaad doet moet beseffen/ dat God het verkeerde ziet.” Soms is het ook wat te gewoon. Psalm 150:2: „Blaas uw adem door de fluit.” Psalm 103:7: „Hoe vaak heeft Hij ons dat al niet gezegd.” Of wat slap. Psalm 68:7: „wie in zijn leven Hem ontmoet/ zal dat als winst ervaren.”

Hier en daar wordt het wat populair. Psalm 87:3: „Jeruzalem, je zult nog wat beleven.” Psalm 81:8: „Doe dat dan ook maar,/ ga je eigen wegen./ Ik ben met je klaar.” En Psalm 6 begint zo: „O, Heer, ik ga ten onder/ en dat is ook geen wonder,/ want U bent kwaad op mij.”

Soms gaat er inhoudelijk iets mis. In Psalm 130:3 zijn het „de wachters op de muren” die „steeds meer en meer” naar God verlangen. In Psalm 36:2 („De hemel welft uw liefde Heer”) is over het hoofd gezien dat zich welven een wederkerend werkwoord is. In de laatste strofen van Psalm 132 wordt in de derde persoon over God gesproken, terwijl Hij daar in de Bijbeltekst Zelf aan het woord is.

Maar er is ook mooie beeldspraak. Zoals in Psalm 133: „Het is als druppels die de bergen dekken,/ als parels die de nieuwe morgen wekken.” Of mooi woordgebruik. Psalm 113:2: „U bent te groot voor mensenmaat.” En Psalm 65:2: „uw tempel is ons thuis.” Fraai is ook Psalm 46:1: „Al worden bergen door de golven/ ontwricht en door de zee bedolven./ Al kolkt en kookt het om ons heen/ dan nog laat God ons niet alleen.”

N.a.v. ”Zingend door de tijd. 150 Geneefse psalmen opnieuw berijmd”, Jan Mul; uitg. Royal Jongbloed, Heerenveen, 2017; ISBN 978 90 6539 418 7; 313 blz.; € 19,95; een beamerpakket van de bundel is in voorbereiding.

---

Psalm 1

1. Hij is gezegend die de zonde haat,

zich door de bozen niet verleiden laat,

geen deel heeft aan de kwalijke praktijken

van hen die van het kwaad niet willen wijken,

maar heel zijn leven naar Gods woorden richt,

die overdenkt bij nacht en morgenlicht.

2. Zijn leven is als een geplante boom

die aan de oever van een waterstroom

als toonbeeld van een rijk gezegend leven,

de rijpe vruchten op zijn tijd zal geven.

Zijn bladeren, zij vallen niet ten prooi

aan ’t herfstgetij, zij blijven altijd mooi.

3. De nacht breekt voor de wettelozen aan,

de wind laat hen als kaf in ’t niet vergaan,

zij die Gods heilig recht met voeten traden,

zij sterven met hun schulden overladen,

maar wie gelovig in zijn wegen gaan

zal Hij beschermen in hun broos bestaan.

Psalm 87

1. Jeruzalem, op Sions berg gelegen,

die het ruimschoots van Jakobs steden wint,

God zelf heeft jou van harte zeer bemind.

Men roemt jou als de plaats van heil en zegen.

2. Het leek als waren zij voor God verloren,

Egypte, Babel, Tyrus, Nubië.

Maar God verklaart hen openlijk dat ze

als volk van Hem in Sion zijn geboren.

3. Jeruzalem, je zult nog wat beleven,

jij, stad van Sion, wordt eens overvol.

Met eigen hand schrijft God hen op zijn rol,

de volken die zich aan Hem overgeven.

4. Zij zullen dankbaar God hun loflied zingen,

want zij zijn eindelijk bij Vader thuis.

Hoe dankbaar klinkt het loflied in Gods huis:

mijn bronnen zullen, Heer, in U ontspringen.

Psalm 130

1. God, hoor mijn bange klachten,

ik ben in diepe nood,

ik huil in alle nachten,

mijn zonden zijn zo groot.

Hoor naar mijn bitter klagen,

toon uw genade mij,

ik kan die last niet dragen,

maak mij van zonden vrij.

2. Als U niet wilt vergeven

al wat is misgegaan

dan zal elk in zijn leven

voor eeuwig schuldig staan.

Maar U wilt tot ons komen,

ons een verlosser zijn,

de schuld wordt weggenomen,

U maakt ons leven rein.

3. Ik blijf in diep verlangen

steeds hopen op uw woord,

ik wil uw licht ontvangen

dat naar de morgen gloort.

De wachters op de muren

verlangen evenzeer,

hoe lang het ook zal duren,

Naar U steeds meer en meer.

4. Blijf, Israël, verwachten

uw God die naar u hoort,

die uit de diepste nachten

uw bidden heeft gehoord.

Hij zal bevrijding geven,

zonden die zijn begaan

worden uit heel uw leven

voor eeuwig weggedaan.