Jan Hage: Hauptwerk geen reëel alternatief voor een kerkorgel

Presentatie van het Hauptwerkorgel in de Utrechtse Domkerk door Jan Hage op 2 februari 2018. beeld Tim Vroom

Een digitaal orgel van Hauptwerk „heeft veel positieve kanten voor studiedoeleinden en gebruik thuis, maar van een reëel alternatief voor een kerkorgel kan geen sprake zijn.”

Dat concludeert domorganist Jan Hage in een artikel in het tijdschrift Het Orgel na een experiment begin vorig jaar in de Utrechtse Domkerk.

In de periode eind januari tot begin maart 2018 werd de wand boven het Bätzorgel in de Domkerk opnieuw gepleisterd. Omdat het zich liet aanzien dat het instrument een halfjaar lang niet te gebruiken zou zijn, werd gezocht naar een alternatief. Gekozen werd voor het gebruik van een digitaal orgel van het type Hauptwerk, het systeem waarbij een historisch orgel is opgenomen en virtueel kan worden bespeeld.

Een gewaagde keus, volgens Hage, „want zowel in de Domkerk als bij de firma die het digitale instrument verhuurde was het besef aanwezig dat men hiermee zijn nek uitstak. Discussie, op allerlei fronten, zou niet uitblijven.” Gekozen werd echter om de discussie juist op te zoeken en aan te moedigen door er een experiment van te maken. Waarbij Hage benadrukt dat het om een „tijdelijke noodoplossing” ging, „waarbij zoveel mogelijk van de nood een deugd is gemaakt.”

Dudelange

Bij het experiment werd in het koor van de Domkerk een vierklaviers Hauptwerkconsole opgesteld en stond achter in het koor een bescheiden mobiel luidsprekersysteem. Gekozen werd om niet de sample van het Domorgel te nemen, „omdat de vergelijking dan wel erg in het nadeel van de sample zou uitvallen.” Zodoende werden drie andere samplesets gekozen: dat van het Müllerorgel in de Haarlemse Bavokerk, dat van het Isnardorgel van de Basilique in Saint-Maximin (Frankrijk) en dat van het Stahlhuth/Jannorgel in Dudelange (Luxemburg).

Het was volgens Hage al snel duidelijk dat het Hauptwerkorgel „zich niet kan meten met een echt pijporgel (laat staan met het grote Bätzorgel), wat trouwens ook niet de bedoeling van het systeem is.” Waarbij de domorganist aantekent dat het budget voor de versterking beperkt was, terwijl de versterking „cruciaal” is voor de geluidskwaliteit.

Akoestiek

In de samples van Hauptwerk vormt de opgenomen akoestiek een belangrijk bestanddeel van het eindresultaat. De drie gekozen samples klonken nu in de akoestiek van de Domkerk, „met een vervreemdend resultaat tot gevolg”, aldus Hage. De weergave van het Bavo-orgel „werd niet overtuigend gevonden –wat niets zegt over de kwaliteit van de sample zelf– en werd zelfs vaak niet herkend.”

Het „meest bevredigend” klonk het orgel van Dudelange in de Domkerk. „Veel luisteraars vonden het leuk eindelijk eens 32’-klanken door de Domkerk te horen rollen. Ook gaf het veel voldoening muziek uit te kunnen voeren die door de vereiste manuaalomvang en registraties in Nederland zelden gespeeld kan worden”, aldus Hage. „Wat dat betreft was het geen onaardig alternatief voor de veelgehoorde roep om ook hier grote moderne orgels te plaatsen.”

Voor de begeleiding van de cantorij in Engelse muziek werd het Hauptwerkinstrument als het prettig ervaren, niet het minst vanwege de positie van de organist vlak bij cantorij en dirigent. Voor de begeleiding van de gemeentezang miste het Hauptwerkorgel echter de nodige draagkracht, aldus Hage.

Balans

Als de domorganist de balans van het experiment opmaakt, komt hij tot de conclusie dat Hauptwerk „veel positieve kanten heeft voor studiedoeleinden en gebruik thuis, maar dat van een reëel alternatief voor een kerkorgel geen sprake kan zijn.” Hage: „Er gaat voorlopig nog niets boven het echte instrument, dat bij plaatsing van orgels in andere ruimten dan de huiskamer altijd sterk de voorkeur zal verdienen.”

De techniek staat echter niet stil, weet de domorganist. Het valt daarom volgens hem te bezien „hoe belangrijk het digitale systeem in de toekomst, ook bij de toepassing ervan in hybride orgels, gaat worden.”