Recensie: Vincent van Laar speelt Bach in Melle

Aan het begin van de 18e eeuw waren er verschillende Duitse orgelmakers actief in ons land. Zoals Christian Vater. In 1726 voltooide hij het orgel van de Oude Kerk in Amsterdam; een jaar later breidde hij het Westerkerkorgel uit met een bovenwerk.

Vater vestigde zich hier echter niet, zoals generatiegenoten Garrels en Müller, maar bleef wonen en werken in het noordwesten van Duitsland. Daar liet hij ruim dertig orgels na, in de stijl van zijn leermeester, Arp Schnitger. Je kunt ze herkennen aan het v-vormige labiumverloop in de tussenveldjes van het front.

Vlak voordat Vater begon met de bouw van zijn magnum opus aan de Amstel (drieklaviers, 45 stemmen) leverde hij een tweeklaviers orgel (27 stemmen) af in Melle, een stadje onder Osnabrück. In de 19e en de 20e eeuw is dit instrument, zoals vrijwel alle Vaters, ingrijpend verbouwd. Slechts negen grondstemmen bleven bewaard. In 2000 heeft orgelmaker Edskes het originele orgel echter gereconstrueerd. Hierbij werd het, met een borstwerk in Vaterstijl, tot 37 stemmen uitgebreid.

Onlangs maakte Vincent van Laar op dit orgel een Bach-cd. Hierop zijn diens Leipziger- en Schüblerkoralen te beluisteren. Van Laar voert ze niet altijd uit met die soepele bewegingen waardoor Bachs muziek tot leven komt. En ook niet altijd met de registratie waardoor een uitkomende Hautbois of Vox Humana tot zijn recht komt. Maar prachtig laat hij de plena klinken: licht en kruidig met Sesquialter en Trompet, hees en helder met Mixtuur en zestienvoets Quintadeen. Het is bijna niet voor te stellen dat het in 1870 verbouwde Oudekerksorgel ooit zo geklonken heeft. Minder imposant dan nu, maar niet minder aangenaam.

Johann Sebastian Bach – Vincent van Laar, Christian Vater organ St. Petrikirche Melle; Aliud Records (ACD BN 103-2); 2-cd; € 15,-; bestellen: www.vincentvanlaar.nl

"An Wasserflüssen Babylon", BWV 653

Trio super "Nun komm, der Heiden Heiland", BWV 660

"Komm, Gott, Schöpfer, Heiliger Geist", BWV 667

"Wachet auf, ruft uns die Stimme", BWV 645