Dirigent Daniel Reuss verovert graag dwarse muziek

Staccato
Daniel Reuss. Beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Daniel Reuss legt de lat hoog. De chef-dirigent van kamerkoor Cappella Amsterdam bijt zich graag vast in „dwars” en moeilijk te behappen repertoire. Om dit uiteindelijk open te leggen voor het publiek. Toch is het niet alleen de hoge cultuur die hem bezighoudt. „Ik maak graag een praatje met de slager en met de groenteboer. Dan hoor je soms dingen die dichter bij het leven staan dan bijvoorbeeld een theoretische discussie over de historische uitvoeringspraktijk.”

Hij „kreeg” Cappella Amsterdam in 1990 van dirigent Jan Boeke en vormde dit kamerkoor om tot een professioneel ensemble. Daniel Reuss zoekt bij Cappella Amsterdam en bij andere koren waar hij op de bok staat naar transparantie en naar verdieping in de klank. Af en toe durft hij aan het moment te denken dat hij zelf het stokje van Cappella moet overdragen. „Mijn opvolger moet iemand zijn die in mijn geest verdergaat. Dit betekent niet dat hij exact hetzelfde moet doen. Bij mijn voorganger stonden Sweelinck, Buxtehude en Bach centraal, terwijl oude én nieuwe muziek tegenwoordig de pijlers van het kamerkoor zijn.”

Reuss zong tot zijn 15e bij het kinderkoor van zijn moeder. Toen hij een jaar later een concert van het studentenkamerkoor Audite Nova uit Nijmegen hoorde, raakte hij zo geboeid door het optreden van dirigent Bruno de Greeve dat hij koordirectie wilde gaan studeren. Omdat hij als 17-jarige wat jong was voor deze studie, deed hij eerst twee jaar schoolmuziek in Arnhem en ging hij vervolgens koordirectie studeren bij Barend Schuurman in Rotterdam.

1. Ik dank veel aan Barend Schuurman.

„De eerste twee jaar op het Rotterdams Conservatorium was ik een eigenwijze en vervelende student. Ik vertikte het om alle lessen te volgen, maar Barend bleef in mij geloven. Op een gegeven moment ging bij mij de knop om en heb ik mij uiterst serieus op de studie gestort. Barend heeft een onuitwisbare invloed op mij gehad. Hij leerde mij partituren doorgronden. Hij is streng voor zichzelf en voor anderen en was daarin een voorbeeld. Ik probeer mij te blijven ontwikkelen en vind het zelden goed genoeg wat ik doe. Barend is een dierbare vriend. Als hij iets moois van mij heeft gezien of gehoord, belt hij mij op. Ik waardeer het zeer dat hij dan kanttekeningen durft te plaatsen. Over mijn uitvoering van Bachs Johannes Passion met het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam eerder dit jaar zei hij bijvoorbeeld dat sommige koralen beschouwender en abstracter zouden mogen klinken. Bij een volgende uitvoering ga ik dat zeker proberen.”

2. Niet de mens, maar de muziek moet centraal staan.

„Ik kan slecht tegen ego’s. Ik had eens een discussie over een passage in Bachs Hohe Messe. De solist concludeerde: „Ik moet gewoon doen wat er staat.” „Klopt”, reageerde ik. „En dat zo mooi als je kunt.” Ik probeer zo simpel en eerlijk mogelijk met muziek om te gaan. Een musicus moet geen effect inbouwen om interessant over te komen.”

3. Ik heb een eenzaam beroep.

„Bij sommige gastdirecties heb ik dat zo ervaren. Gelukkig is het meestal anders. Ik sta vaak voor gezelschappen zoals het Orkest van de Achttiende Eeuw, de Akademie für Alte Musik Berlin en natuurlijk ‘mijn’ Cappella Amsterdam. Het contact is dan heel open. Wanneer een ervaren orkestlid een suggestie doet, moet ik geen dankjewel zeggen en op mijn manier verdergaan. Er moet ruimte zijn voor opmerkingen, want ik heb de wijsheid niet in pacht. Het spreekt mij bijzonder aan dat joodse rabbijnen niet spreken over het uitleggen van een Bijbeltekst, maar over het openen ervan. Dit biedt de mogelijkheid tot het gesprek over de interpretatie. Als je de uitleg vastlegt, dood je de letter. Zoals rabbijnen met teksten omgaan, wil ik muziek tegemoet treden. Om niet een andere werkelijkheid, maar dezelfde werkelijkheid anders te laten horen. Door zangers zo laten zingen dat dit het publiek in beweging brengt en vergezichten opent.”

4. Ik geniet van directies in het buitenland, maar werken met Cappella Amsterdam voelt als thuiskomen.

„Ja, ik beschouw Cappella Amsterdam als mijn kind. Het mooie is dat ik er als chef-dirigent ook verantwoordelijk ben voor het artistieke beleid. Verantwoordelijkheid dragen is onmogelijk zonder zeggenschap te hebben. Het bevalt mij slecht om ergens te werken waar een ander bepaalt wat ik moet doen en zelfs hoe ik dat moet doen.”

5. Ik mijd platgetreden paden.

„Ik steek mijn energie graag in muziek die ertoe doet en die niet door iedereen wordt uitgevoerd. Ik buig mij graag over Bach, maar daarna duiken al snel Des Prez, Lassus en Sweelinck op, componisten uit de vijftiende tot de zeventiende eeuw. En uit de twintigste en de eenentwintigste eeuw Stravinsky, Martin en Nederlanders als Heppener, De Leeuw en Escher. Ik houd het meest van muziek die zich niet direct gewonnen geeft. Mijn missie is composities die als stug worden ervaren toegankelijk te maken en open te leggen voor het publiek. Zo voerden we dit jaar met Cappella Amsterdam de ”Lamentatio Jeremiae Prophetae” van Ernst Křenek (1900-1991) uit. Verrassend genoeg vonden de meeste concertgangers dit als abstract bekendstaande werk erg mooi.”

6. Ik lijd bloedarmoede als ik geen nieuwe muziek kan uitvoeren.

„Alleen muziek van vóór 1900 uitvoeren, voelt voor mij als het oppoetsen van het bestek van mijn overgrootmoeder. Natuurlijk is oude muziek fantastisch, maar ik wil ook met één been in het heden staan. Tegelijkertijd moet ik eerlijk zeggen dat musici als Frans Brüggen en Jordi Savall op zo’n eenzame hoogte staan, omdat zij zich in oude muziek hebben gespecialiseerd.”

7. De omgang met religieuze muziek heeft mij geestelijk verrijkt.

„Absoluut. Met gebruiksmuziek voor de kerk heb ik niet veel. Mijn belangstelling ligt bij werken die iets vertellen over de betekenis van religie voor deze tijd en die soms kritische noten kraken, zoals composities van Wolfgang Rihm en Olivier Messiaen. Neem ”La Transfiguration de Notre Seigneur Jesus-Christ” van Messiaen, een werk over het goddelijk licht. We waren thuis rooms-katholiek. Met het instituut kerk heb ik weinig, maar mijn boekenkast staat vol theologie. Zo heb ik de vertaling van Job en Prediker door Pé Hawinkels en Pius Drijvers al ingepakt voor de zomervakantie. De Bijbelboeken spreken me aan, omdat ze thema’s aansnijden die actueel zijn. Ik zit liever met een boek in de tuin, dan achter de computer, want internet is een fantasiekiller.”

8. Er heeft in Nederland een culturele kaalslag plaats.

„Politiek en cultuur hebben in Nederland weinig met elkaar. Ik vond het schokkend dat de bezuinigingen in de cultuursector niet eens tot een Kamerdebat hebben geleid. Overigens kan er best her en der wat afgeroomd worden, want met simpele middelen kun je soms iets krachtigs neerzetten. Zo droegen de leden van Cappella Amsterdam eens kostuums van papier en jute. Dat kostte 4 euro per persoon. Een andere keer werkten ze mee aan de opera ”Wet Snow” van Jan van de Putte. De prijs van één kostuum was toen 2500 euro. Op de kosten van het decor van één operavoorstelling kan een ensemble een heel jaar draaien. Zeker wanneer het freelancers betreft, vrije jongens die elk dubbeltje drie keer omdraaien voordat ze het uitgeven.

9. Ik kan niet zonder muziek.

„Een dag doorbrengen zonder muziek vormt geen probleem. Sowieso luister ik weinig naar muziek. Ik lees en studeer vooral partituren. Eén keer per jaar ga ik een week alleen op vakantie. Dagelijks buig ik mij dan zeven uur over partituren. Uiteindelijk hoop ik deze veelal dwarse muziek, die veroverd moet worden, toegankelijk en doorzichtig te kunnen presenteren.”

10. Ik hoop dat onze kinderen mijn muziekkeus leren waarderen.

„Onze zoon van 13 heeft momenteel andere interesses, en onze zoon van 3 en dochter van 5 zijn nog te klein om zich erover uit te spreken. Ik bied ze in elk geval de mogelijkheid om muziek te ontdekken. Zo was mijn dochter voor haar tweede al verschillende keren bij de repetities van Händels ”Messiah” en woonden beide kinderen repetities van Bachs ”Johannes Passion” en van werken van Josquin des Prez bij. Mijn dochter zit op pianoles. In de tien minuten voordat ik naar een repetitie ga, mag ik soms lesjes met haar oefenen. Zo leef ik in twee muziekwerelden. Ik ben blij dat ze allebei bestaan, want het is prachtig om te zien wat kinderen ontdekken. En het als opvoeder zoeken naar het juiste evenwicht tussen sturen en laten gaan, heeft veel raakvlakken met mijn werk als dirigent.”

In Staccato reageren muzikanten op tien stellingen. Volgende aflevering: zaterdag 27 september.


Levensloop Daniel Reuss

Daniel Reuss (1961) woont in Utrecht. Hij werd in Nederland geboren uit Duitse ouders. Hij studeerde koordirectie aan het conservatorium van Rotterdam bij Barend Schuurman.

Op zijn 21e richtte hij het Oude Muziek Koor Arnhem op. Hij leidde het gezelschap tot 2007. In 1990 werd Reuss artistiek leider van Cappella Amsterdam. Dit kamerkoor verwierf zich de afgelopen jaren een prominente plek in zowel oude muziek als het hedendaagse repertoire. Zo werd de cd met psalmen van Sweelinck erg positief ontvangen en werden verschillende cd’s die het koor maakte bekroond. ”Lux Aeterna”, met werk van Ligeti en Heppener, kreeg de Franse Diapason d’Or 2009, terwijl de cd ”Janácek Choral Works” een Edison ontving. De BBC zette de uitvoering van ”Golgotha” van Frank Martin in zijn top 3 en The New York Times noemde deze cd een van de beste opnames van 2010.

Van 2003 tot 2006 was Reuss chef-dirigent van het RIAS Kammerchor in Berlijn. Van 2008 tot 2013 combineerde hij zijn werk bij Cappella Amsterdam met het chef-dirigentschap van het Estonian Philharmonic Chamber Choir in Estland.

Reuss werkt geregeld samen met ensembles en orkesten uit heel Europa, zoals Akademie für Alte Musik Berlin, MusikFabrik, Vocal Consort Berlin, het Orkest van de Achttiende Eeuw en de Radio Kamer Filharmonie.