Countertenor Andreas Scholl: Zingen is het allerbeste wat er bestaat

Countertenor Andreas Scholl. „Als ik mijn collega-musici weer zie en ik begin te zingen, dan besef ik: dit is toch wel het allerbeste dat er bestaat.” beeld Decca
2

Hij is een van de meest geliefde countertenoren van dit moment: de Duitse zanger Andreas Scholl. De mannelijke alt zingt de beroemde aria’s van Bach, maar evengoed 20e-eeuwse folksongs. „Muziek spreekt van iets wat wij niet kunnen uitleggen. Als wij geraakt worden door muziek, is er geen analyse mogelijk.”

Andreas Scholl (52) draagt het label barokmuziekspecialist, maar is net zo goed thuis in moderne klassieke muziek, volksmuziek en zelfs popmuziek. Onlangs maakte de Duitse countertenor samen met zijn vrouw –pianiste Tamar Halperin– een cd met 20e-eeuwse liederen. Deze maand volgde een kleine Europese tournee en waren Scholl en Halperin te horen en te zien in Londen, Antwerpen en Amsterdam.

In de foyer van een Amsterdams hotel typeert Scholl zijn kenmerkende stem. „Een countertenor is een man die zingt in het register van een alt door gebruik te maken van de falset, de kopstem. Countertenors zijn vooral te horen in barokopera’s. Deze rollen waren oorspronkelijk bedoeld voor castraten. Dat was een vreselijke praktijk. Jongens werden gecastreerd om hun hoge stem te kunnen behouden. Alleen al een kwart van de jongens stierf aan infecties, om van andere gevolgen nog maar te zwijgen. Vandaag worden deze rollen veelal gezongen door countertenors.”

Is het repertoire voor uw stemtype eigenlijk niet beperkt tot de opera? Al die beroemde aria’s van Bach waren bijvoorbeeld bedoeld voor jongensalten.

„Het is moeilijk voor te stellen dat een knaap een aria als ”Erbarme dich” uit de ”Matthäus Passion” van Bach kan zingen. Ja, de tonen kan hij zeker zingen, maar de complexiteit van de muziek begrijpen, het drama uitdrukken? Ton Koopman vertelde mij eens dat het helemaal geen knapen zijn geweest die Bachs alt-aria’s zongen. Er is een brief overgeleverd waarin Bach zich beklaagt over zijn assistent van 22 jaar die geen alt meer kan zingen. In Bachs dagen zongen jongens van tegen de 20 nog gewoon alt, omdat de stembreuk veel later kwam dat nu. Het lijkt erop dat het jonge mannen zijn geweest die hoog konden zingen. Dan denk ik toch eerder aan een countertenor dan een jongensalt.”

U groeide op naast de kerk van Kiedrich, in de Duitse deelstaat Hessen.

„Niet alleen ernaast, maar ook in de kerk. Al heel jong maakte ik deel uit van de Kiedricher Chorbuben, het jongenskoor van de kerk. Elke zondag zong ik tijdens de mis motetten en gregoriaanse hymnes. Daarvoor werd doordeweeks dagelijks gerepeteerd en kreeg ik één keer per week individueel zangles. Met een traditie van bijna 800 jaar is dit koor een van de oudste van Duitsland. Alleen de Regensburger Domspatzen hebben oudere papieren. Momenteel is het best lastig om voldoende zangers te vinden. In de beste tijden kende het koor zeker 35 jongens. Maar toen waren de tijden ook anders. Tijdens mijn tienerjaren kende mijn geboortedorp drie attracties: de voetbalclub, de turnvereniging en het jongenskoor. Je reed toen nog niet naar een dorp verderop om daar je kind op tennis te doen.”

Waarom keerde u later terug naar uw geboortedorp?

„Voor mijn studie vertrok ik destijds naar Bazel. Daar woonde ik meer dan twintig jaar. Maar ik was zo veel onderweg, dat ik nauwelijks de mogelijkheid had om nieuwe vrienden te maken. De vrienden die ik in Bazel had zijn helaas overleden. Toen ik weer in Kiedrich ging wonen, bloeiden de vriendschappen uit mijn jeugd direct weer op. Veel jongens met wie ik destijds in het koor zong, woonden nog steeds in het dorp. Met hen ervaar ik een vriendschap voor het leven. Dat is het resultaat van jarenlang dagelijks met elkaar zingen en voetballen: een ”Bruderschaft”, net zoals in het leger. Het is nu een heel andere manier van thuiskomen dan in Bazel. In Kiedrich wonen mijn familie en vrienden en het is er veel rustiger. Ik houd van het platteland. Vroeger hadden mijn ouders het altijd over ”ons Kiedrich”. Ik vond dat maar lokaal-patriottistische praatjes en maakte daar altijd grappen over. Maar nu begrijp ik mijn ouders wel.”

Speelt het geloof dat u van huis uit meekreeg nog steeds een rol in uw muzikale carrière?

„Muziek spreekt van iets wat wij niet kunnen uitleggen. Als wij geraakt worden door muziek, is er geen analyse mogelijk. Zo van: in maat 27 is een modulatie en dat was het moment waarop ik moest huilen. Zo gaat het niet. Muziek stimuleert de menselijke ziel –ik geloof dat we een ziel hebben– en vertelt van een plaats die we nu nog niet kunnen zien. Vroeger was ik er stellig van overtuigd dat je moet geloven in wat je zingt. Dat leverde voor mij vrijwel nooit problemen op. Als ik Bachs ”Johannes Passion” zing, dan weet ik heel goed waar het over gaat. Maar ik werk ook met collega’s en studenten die niet religieus zijn. Zij zingen met evenveel overtuiging Bachs kerkmuziek. Bachs muziek klonk tijdens kerkdiensten. Er werd uit de Bijbel gelezen, gevolgd door de uitleg van de predikant en daarna kwam Bach, die de boodschap met behulp van muziek tot de ziel bracht. Op het diepste niveau. Iemand die niet gelooft, moet wel accepteren dat dit de realiteit is van Bachs muziek. Ik herinner mij nog een heel religieuze collega in Bazel. Ze zong uiterst devoot een ”Ave Maria”. Iedereen zag het: er gebeurde iets met haar, maar ze vergat het publiek. Het feit dat een zanger religieus is, betekent nog niet dat de communicatie met het publiek altijd lukt. Maar het helpt zeker wel.”

Wat waren de grote drempels die u als zanger moest nemen?

„Het instuderen van nieuw repertoire vind ik altijd een enorme uitdaging. Maar waar ik echt mee moest leren omgaan, was nervositeit tijdens een concert. Het is altijd weer die gedachte: Wat denken de mensen over mij? Vinden ze het goed? Het meest waardevol zijn juist die momenten waarop je daarover niet nadenkt. Voor publiek zingen is een voortdurend gevecht om je stem vrij te maken en over niets anders na te denken dan over de muziek, en zeker niet aan die fout die je zojuist maakte. Het is een kunst om een vreugde te ontwikkelen om voor mensen te zingen. Het publiek heeft feilloos door als mijn lichaamstaal vertelt: „Ik wil wat voor jullie zingen, maar het liefst zou ik nu direct naar huis gaan.” Dat is nu anders. Ik ben nog steeds wel nerveus, dat is onderdeel van mijn beroep. Maar na de eerste twee liederen ben ik vrij en maak ik contact met het publiek.”

U bent gek op folksongs.

„Als twintiger kocht ik ooit een cd met folksongs, volksliederen, gezongen door de legendarische countertenor Alfred Deller. Die muziek raakte mij diep. Het was de mooie stem, maar ook de manier waarop hij heel eenvoudig zong. Bij de klassieke muziek ben je als zanger de boodschapper, bij folk- en popmuziek ben je de boodschap zelf. Dat is verschrikkelijk moeilijk voor klassiek geschoolde zangers. Voor je het weet, verval je in allerlei gekunstelde clichés: een ”Liederabend” met de ene hand op de piano, een beetje stijf, de uitspraak net een beetje te nadrukkelijk. Je kent dat wel. Maar dat is gemaakte zekerheid, doen zoals iedereen doet. Bij het zingen van folksongs moeten al die artistieke ambities overboord. Mijn docent Richar Levitt zei altijd: „Probeer niets uit te drukken.” Hij bedoelde dat heel letterlijk: uitdrukken in de zin van uitknijpen. Heel negatief eigenlijk. Als jonge zanger wilde ik vooral veel expressie, maar daar maak je een folksong mee kapot. Je moet het maar laten gebeuren. En daar is moed voor nodig. Met jonge zangers kan ik het hier eigenlijk nog niet zo goed over hebben. Wat dat betreft, past mijn nieuwste cd met folksongs goed bij mijn levensfase.”

Hoe is het om voor de zoveelste keer een ”Messiah” van Händel of ”Matthäus Passion” van Bach te zingen? Ligt sleur niet op de loer?

„Nee, nee! Geen sleur! Behalve dan misschien die tournee met de Nederlandse Bachvereniging in 1997. Meer dan tien keer achter elkaar de ”Matthäus”, dat was wel lastig. Ik herinner mij nog goed de allereerste keer dat ik Bachs ”Johannes Passion” zong. Dat was geweldig. Ik had kippenvel en dacht: Dit is echt het mooiste van de wereld. Het tweede concert maakte bijna net zoveel indruk. Maar tijdens het derde concert vroeg ik mij af: Waarom gebeurt het nu niet? Ik vroeg het na afloop aan sopraan María Cristina Kiehr. Zij zei: „Ach, je moet blij zijn. Als de muziek elke keer zoveel indruk maakt, dan word je gek.” Ik zing vaak Bach en ook nog eens zeer geregeld dezelfde stukken. Maar als ik dan mijn collega-musici weer zie en ik begin te zingen, dan besef ik: dit is toch wel het allerbeste wat er bestaat.”

---

Levensloop Andreas Scholl

Andreas Scholl wordt geboren in 1967 in het wijndorp Kiedrich, in het Rijndal, ten zuiden van Wiesbaden. Zijn muzikale loopbaan begint in de middeleeuwse Valentinuskerk, waar hij als jongenssopraan meezingt bij de Kiedricher Chorbuben. Later studeert hij bij Richard Levitt en René Jacobs aan de Schola Cantorum Basiliensis in Bazel.

In de jaren negentig groeit Scholl uit tot een veelgevraagd countertenor. Onder leiding van onder anderen Jos van Veldhoven, Ton Koopman, Philippe Herreweghe, René Jacobs, Paul McCreesh en John Eliot Gardiner is Scholl te horen in tal van oratoria en cantates van Bach en opera’s van Händel. Maar zijn repertoire strekt zich uit tot ver buiten de barok. Onlangs verscheen op het label Modern Recordings het album ”Twilight People”, waarop hij liederen van 20e-eeuwse componisten als Aaron Copland, Alban Berg en Benjamin Britten zingt.

Sinds vorig jaar is Scholl als professor zang verbonden aan het Mozarteum in Salzburg (Oostenrijk). Andreas Scholl is getrouwd met pianiste Tamar Halperin, met wie hij regelmatig optreedt. Samen hebben ze een dochter.

Meer informatie: www.andreasscholl.org