Column: Muziek: geestelijk of werelds?

beeld RD, Anton Dommerholt

Mensen maken vaak onderscheid tussen geestelijke/kerkelijke en wereldse/profane muziek. Op cd-boxen met werken van de grote klassieke componisten worden stukken netjes ingedeeld in kerkelijke en wereldlijke muziek. Sommige mensen vinden dat bepaalde muziekstijlen bijzonder geschikt zijn om in de kerk te gebruiken, en andere helemaal niet. Soms worden muziekstijlen zelfs helemaal afgewezen vanuit een christelijk perspectief (denk aan dominees die waarschuwen tegen „foute muziek”).

Ik heb me al eens eerder op deze plek afgevraagd of muziek wel christelijk –of onchristelijk– genoemd kan worden. Toen heb ik betoogd dat de tekst bij of van de muziek in principe niet uitmaakt voor de vraag of muziek christelijk is. Maar maakt de muzikale stijl dan misschien wel verschil? Ik denk het niet. Muzikale klank is niet christelijk of onchristelijk. Bovendien is het christendom een godsdienst die in allerlei verschillende culturen voorkomt en zich ook verbonden heeft aan allerlei (soms totaal verschillende) muzikale werelden.

Dat is de principiële kant van het verhaal. In de Westerse kerk- en muziekgeschiedenis is er natuurlijk wel degelijk sprake van een verschil tussen kerkelijke en wereldlijke stijlen. Denk aan Calvijn, die vond dat muziek in de kerk serieuzer moest klinken dan daarbuiten. Denk aan 19e-eeuwse componisten zoals Franz Liszt, die voor zijn religieuze muziek een compleet andere stijl hanteerde dan voor zijn concertzaalmuziek. Aan de andere kant lopen kerkelijk en wereldlijk ook vaak door elkaar en beïnvloeden ze elkaar. Dat is heel duidelijk te zien bij Bach, die exact dezelfde muziek (met een andere tekst) kon gebruiken bij kerkelijke en wereldlijke oratoria.

Er is dus geen principiële grens tussen geestelijke en wereldse muziek. Het hangt vooral af van je eigen context en traditie wat het verschil is tussen een kerkelijke en wereldlijke stijl, en of dat verschil er is. Dat betekent natuurlijk niet dat ik geen mening heb over wat we in onze kerken zouden moeten willen qua muzikale stijl.

In de middeleeuwen waren het juist de kerken en de kloosters die allerlei vormen van (hoge) cultuur bewaarden en ontwikkelden. Zo zouden kerken nu ook, in de goede zin van het woord, traditioneel kunnen zijn en zouden ze ons klassieke culturele –en dus ook muzikale– erfgoed levend kunnen houden, levendiger dan in een museum of concertzaal. Dat kan met muziek zijn die gewoonlijk met de kerk wordt geassocieerd, of juist met niet-zo-kerkelijk-klinkende muziek. Traditioneel, maar niet ouderwets of bang voor wat nieuws. Naast het verkondigen van het ware en het doen van het goede zouden kerken ook de bewondering voor het schone moeten doorgeven.