Column: Het sneuvelen van de lofzang is een regelrechte ramp

beeld Sjaak Verboom

„Het zingen laten we maar achterwege, dat wil ik u niet aandoen.” Hoe vaak ik dat de voorbije weken niet gehoord heb bij allerlei gestreamde vieringen en wijdingen. De man achter de microfoon glimlacht er wat bij, en vult de hele verdere viering met zijn eigen stemgeluid. Als het gespróken woord maar doorgaat, dan kan de rest wel gemist worden, is de onuitgesproken gedachte.

Nu klinkt zo’n focus op het woord heel reformatorisch. Het gaat immers om de levende stem van het Evangelie, vertolkt door de dienaar des Woords? Dat zal waar zijn. Maar wat gemakshalve vergeten wordt, is dat het belijdend en antwoordend zingen van de gemeente net zo goed een verworvenheid van de Reformatie is. Lees Luther en Calvijn er nog maar eens op na, hoe ze schrijven over de functie en kracht van het kerklied. Juist zij wisten uit ervaring hoe erg het is als de gemeente monddood is gemaakt en slechts toeschouwer mag zijn van wat de geestelijkheid in de verte uitvoert. Vandaar hun pleidooi voor een gemeente die in haar zang bidt en looft, beaamt en belijdt.

Het is daarom een regelrechte ramp dat het zingen momenteel als gevolg van het vreselijke virus in veel vieringen vaak als eerste geslachtofferd wordt. Met als gevolg dat we weer als passieve toeschouwers zitten te kijken naar wat de voorganger op het scherm uitvoert. Natuurlijk, gelukkig zien veel gemeenten de waarde van muziek in, en is er iets geregeld: een organist die psalmen speelt, een leadzanger die voorzingt, een oude opname die wordt afgedraaid. Maar ook dan dreigt passiviteit, als we in huiselijke sfeer niet gewend zijn samen te zingen en ons daarom nu schamen om –op afstand– in te stemmen. Dan zijn we nog net zover als de leek in de middeleeuwen die het Latijnse gezang van de geestelijkheid van verre onderging.

Moet het zingen momenteel vaak als eerste sneuvelen, het lijkt straks, als de gemeente weer mag samenkomen, ook het laatste te zijn dat weer is toegestaan. Juist tijdens het zingen krijgt het virus immers alle kans? Dat zal waar zijn. Maar als we ervan overtuigd zijn dat een liturgie zonder lied is als een vogel zonder vleugels, zullen we ons niet dan met pijn in het hart het zwijgen laten opleggen.

Intussen is het zaak in quarantaine de lofzang gaande te houden (misschien is dat de winst van deze tijd, dat we thuis weer leren zingen). En als we straks weer mogen samenkomen, zullen we ons ervoor inzetten zo snel mogelijk het loflied weer in te zetten, desnoods gesmoord vanachter een mondkapje.