Rond kerncentrale Dodewaard is het na 50 jaar erg stil

De kerncentrale in Dodewaard werd omgebouwd tot een zogenaamde ”veilige insluiting”. De bijgebouwen zijn verdwenen. Een paar grote betonnen ”blokkendozen” zijn overgebleven, met daarin onder meer het rectorvat. beeld Wim Eradus
4

De kleine kernenergiecentrale bij Dodewaard was exact een halve eeuw geleden nog het boegbeeld van de vooruitgang. De opening lokte koningin Juliana helemaal uit Den Haag naar de landelijke Betuwe. Nu staat de ontmantelde, dichtgemetselde betonnen kolos er verlaten bij. Te wachten op definitieve afbraak in 2045.

Kerncentrale Dodewaard viert morgen een jubileum. Koningin Juliana stelt de eerste Nederlandse kernenergiecentrale op 26 maart 1969 officieel in werking met de traditionele ”druk op de knop”, met in haar ene hand haar onafscheidelijke tasje en een kleurig boeket.

Iedereen kijkt gespannen naar de metertjes in de controlekamer. Even lijkt er niets te gebeuren. Maar dan grijpt het verantwoordelijk hoofd van de centrale in. Met het terugtrekken van de regelstaven uit de reactorkern veroorzaakt de koningin onbedoeld een te snelle toename van de kernsplijting. De reactor wordt onmiddellijk stilgelegd. Om daarna met meer beleid ”op stoom te komen”.

Vooruitgangsdenken

Nederland werkt in het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw samen met Noorwegen om in het Noorse Kjeller een proefreactor te bouwen. In 1955 opent in het Noord-Hollandse Petten het Reactor Centrum Nederland, dat is bedoeld als ontwikkelingsinstituut voor Nederlandse kernenergie.

De vreedzame toepassing van kernsplijtstof sluit naadloos aan bij het vooruitgangsdenken in de naoorlogse jaren. Het antwoord op de groeiende vraag naar elektriciteit, met meer dan 10 procent per jaar, zal kernenergie zijn. Minister Den Uyl van Economische Zaken is er daarom erg voor. Uiteindelijk resulteert zijn pleidooi in de bouw van een kleine kernenergiecentrale door de NV SEP (Samenwerkende elektriciteitsproducenten) langs de Waal bij Dodewaard.

Daarbij blijft het niet. In Den Haag wordt volop gespeculeerd over de bouw van nog meer kernenergiecentrales. Het worden er uiteindelijk twee, die in Dodewaard en een tweede in Borssele in 1973.

De internationale samenwerking gaat intussen gewoon verder. Net over de grens bij Arnhem bouwen de Duitsers in Kalkar een snelle kweekreactor, waarin ook Nederland participeert. De bedoeling is om te komen tot een volwaardige eigen kernindustrie. Met de pilotreactor in Dodewaard kan alvast wat praktijkervaring worden opgedaan.

Het loopt echter allemaal anders. De kweekreactor in Kalkar is er wel gekomen, maar is nooit in gebruik genomen als kerncentrale. Wel als pretpark met de cynische naam Kernwasser Wunderland.

Wat de reden daarvan is? In de jaren zeventig groeit het verzet tegen kernenergie. Er komt meer aandacht voor de gevaren voor de volksgezondheid, de problemen met het vervoer en de opslag van kernafval en de mogelijkheid om van kernafval atoombommen te maken. Bovendien betaalt elke Nederlander mee aan Kalkar, via een opslag van 3 procent op de energierekening. Die zet kwaad bloed. De zogeheten Kalkarheffing is het begin van een brede antikernenergiebeweging in Nederland.

Atoomstoom

Het lot van de Kalkarcentrale blijft de centrale in Dodewaard bespaard. Na een wat lastige start levert de door atoomstoom aangedreven turbine tientallen jaren zo’n 58 megawatt elektrisch vermogen. Dat is in die tijd voldoende om een stad zoals Arnhem van stroom te voorzien.

De commerciële bedrijfsvoering is echter niet het hoofddoel. Daarvoor levert de turbine te weinig vermogen. Het gaat in de eerste plaats om het opdoen van ervaring met de bedrijfsvoering van een kerncentrale. Want wellicht zal Nederland die nodig hebben bij de bouw van nog meer kerncentrales.

Het was daarom belangrijk dat de centrale in Dodewaard voortdurend onderzoek deed aan splijtstof en het beheersen van de corrosie in het reactorvat, zegt Dick Kers (59), die destijds als scheikundig ingenieur leidinggaf aan het laboratorium in Dodewaard. „De centrale heeft daarvoor 28 jaar lang voortdurend met hoge betrouwbaarheid stroom geleverd aan het landelijke elektriciteitsnet.” In de nog intacte controleruimte wijst hij met enige trots op een plaquette, uitgereikt door de Amerikaanse reactorfabrikant General Electric als „erkenning voor uitstekende prestaties.”

Belegering

„Waar we later veel last van hadden, waren de acties van de antikernenergiebeweging”, vervolgt Kers. Kritische geluiden zijn er altijd wel geweest. Bijvoorbeeld van A. den Doolaard die op 10 juli 1964 in de Gelderlander schrijft: „De atoomenergie heeft de duivelse eigenschap bepaalde geesten te beheksen, dat zij ertoe verleid worden om tegenover de leken de gevaren te minimaliseren.”

Vooral na het incident in Harrisburg (VS) in 1979 neemt de weerstand tegen kernenergiecentrales flink toe. Daar raakt de reactor oververhit, waardoor er een gedeeltelijke kernsmelting optreedt. Er komt radioactief gas vrij, maar er vallen geen slachtoffers.

Een jaar later slaat in Dodewaard de vlam in de pan. Op zondag 19 oktober 1980 sluiten zo’n 15.000 betogers de toegangswegen naar de centrale af. Voorzien van leuzen als ”Dodewaard, geen dode waard” probeert actiecomité ”Dodewaard gaat dicht” te voorkomen dat het personeel van de centrale wordt afgelost. Uiteindelijk moet dat leiden tot het stilleggen van de kerncentrale. Maar die opzet mislukt. Nieuw personeel steekt aan de achterkant stiekem met een bootje het water over. Via een ladder klimmen ze naar binnen. De centrale blijft –met minimale mankracht– toch draaien.

Een jaar later, bij de tweede grote blokkade van Dodewaard, is de sfeer grimmiger. De ME grijpt hardhandig in met traangas. Maar de antikernenergiebeweging bereikt haar doel: Nederland –de regering voorop– is tot nadenken gedwongen. Dat blijkt wanneer de regering in 1981 een brede maatschappelijke discussie over kernenergie in het leven roept.

Noodstop

De aanvankelijke idealen van schone en veilige kernenergie verbleken snel. De plannen voor nieuwe kerncentrales in Nederland verdwijnen achter de horizon. NV SEP telt zijn knopen en maakt bekend om al in 1996 de kerncentrale buiten bedrijf te stellen, en niet in het geplande jaar 2004.

Kers: „Dat onverwachte bericht was voor ons als personeel een grote klap. We hadden juist een upgradeproject voorbereid om de bedrijfsvoering met name op het punt van de veiligheid verder te verbeteren. En toen hoefde het ineens niet meer. We beseften dat er voor kernenergie hier in ons land geen toekomst was weggelegd, en dat gold ook voor ons. Wat konden we hier nog met nucleaire expertise die we door de jaren hadden opgebouwd?”

Sinds 26 maart 1997, precies 28 jaar na de opening door koningin Juliana, ligt de reactor stil. Eerst wordt alle splijtstof uit de reactor afgevoerd. Na verwerking in Engeland krijgt dat hoogradioactieve afval een veilige plaats bij de centrale organisatie voor radioactief afval (Covra) in Borssele. Het overige radioactieve afval in de centrale gaat, in cement gegoten in vaten, ook naar Covra.

Kers legt uit dat de installatie daarna werd omgebouwd tot een zogenaamde ”veilige insluiting” vanwege de overgebleven radioactiviteit. De bijgebouwen zijn allemaal afgebroken. Een paar grote ”blokkendozen” zijn overgebleven, met daarin het rectorvat, de turbine, condensors en verder de complete aansturing van het systeem. Ook de centrale regelkamer is nog intact.

Alle vensters en deuren, op één toegangsdeur na, zijn dichtgemetseld. Om te voorkomen dat de metalen delen verroesten –waarbij radioactieve roest zou worden gevormd– is er een fors klimaatbeheersingssysteem ingebouwd. Dat moet de luchtvochtigheid onder de veilige grens van 50 procent houden.

Deze zogeheten insluiting staat vanaf 2005 nog 40 jaar. Die wachttijd is een serieuze zaak. „Internationale nucleaire waakhonden als Euratom en IAEA en de Nederlandse toezichthouder ANVS verplichten ons te zorgen voor voldoende beveiliging”, verklaart Kers. „In 2045, als de straling tot een veilig niveau zal zijn afgenomen, vindt de definitieve ontmanteling plaats.” Glimlachend: „Daarna kunnen de koeien hier gewoon weer rondlopen.”

----

Kokendwaterreactor

De kerncentrale in Dodewaard beschikt over een zogeheten kokendwaterreactor. Deze wekt stroom op met behulp van kernreacties. Sterk vereenvoudigd gaat dat als volgt. Het reactorvat wekt warmte op met uraniumsplijtstof. Tussen de splijtstofelementen bevinden zich regelstaven. Deze regelen de intensiteit van de kernreactie door neutronen min of meer af te remmen. Het reactorvat is verder gevuld met zuiver water, dat de geproduceerde warmte absorbeert en radioactieve straling tegenhoudt.

Door de geproduceerde warmte ontstaat er in de kern een stoom-watermengsel. Dat ontsnap via de bovenkant van de kern. Stoom en water worden gescheiden. De stoom gaat naar de turbine. Deze turbine drijft een generator, een bovenmaatse dynamo, aan die elektriciteit produceert.

De gebruikte stoom koelt vervolgens af in een condensor, waarin de stoom condenseert tot water. Het water wordt naar het reactorvat gepompt en daar opnieuw opgewarmd. In de condensor circuleert in een apart buizenstelsel koelwater dat in verbinding staat met het water uit de Waal. Wettelijk mag het geloosde koelwater niet warmer zijn dan 30 graden Celsius.

Het reactorvat wordt omhuld door een dik schild van 1,8 meter dik beton, en een stalen mantel om de reactorkamer. „Dat schild laat absoluut geen straling door”, verzekert Dick Kers die als scheikundig ingenieur leidinggaf aan het laboratorium in Dodewaard.