Reizen naar de maan: Dominee, mag dit allemaal?

50 jaar maanlanding
Maanlander Eagle met aan boord Neil Armstrong en Buzz Aldrin maakt zich gereed om op de maan te landen. beeld NASA

De kerkelijke leiders waren er in 1969 maar druk mee. Wat moesten ze vinden van zo’n reis naar de maan? Overschreed de wetenschap niet de door God gestelde grenzen? Mocht dat allemaal wel? Een selectie uit de bladen van die tijd.

De Banier

Ds. H. G. Abma, hoofdredacteur van De Banier, schrijft op 24 juli in zijn weekblad een commentaar over de maanreis. We mogen, schrijft hij, wel onder de indruk raken van ’s mensen kennen en kunnen. Maar alle bewondering voor menselijke prestaties wijkt als we bedenken dat de Schepper de mens voorzag van alle capaciteiten waardoor hij in staat is tot zijn ondernemingen. „Als de Columbussen van onze tijd dit hemellichaam betreden, zal dit een verdere stap zijn in de secularisatie, de ontgoddelijking, de ontmythologisering van de maan. De maan wordt gehumaniseerd.”

Zijn al die miljarden die aan „de goudverslindende ruimtevaart” worden besteed, ook góéd besteed, vroeg ds. Abma zich af. „Zijn er niet duizenden en miljoenen, die gebrek lijden in deze wereld met zijn vele onontwikkelde landen?” En, is het toegestaan om zich aan zo veel gevaren bloot te stellen om te maan te bereiken, „aangezien Gods wet nadrukkelijk verbiedt dat we ons moedwillig aan risico’s uitleveren?”

De Saambinder

Ds. J. van Haaren had enkele maanden eerder in De Saambinder, kerkblad van de Gereformeerde Gemeenten (13 februari 1969) al geschreven over de maanlanding die ophanden was. Catechisanten hadden de predikant uit Amersfoort al gevraagd: „Dominee, mag dit allemaal?”

Hij schrijft: „Overschrijdt de wetenschap hier niet de door God gestelde grenzen? Komen wij hier niet op een terrein, waarop wij ons niet mogen begeven? Het zijn moeilijke vragen, waarop niet zomaar een antwoord gegeven kan worden. Mijns inziens gaat de wetenschap hier te ver. Ik geloof niet dat God de mens geschapen heeft om op de maan of op de een of andere planeet zich te vestigen.”

Het was, zo schrijft ds. Van Haaren, niet bepaald de vreze des Heeren die de wetenschap bezielde. „Men gaat uit van de stelling dat er geen God is en dat men maar doen kan wat men wil. Graag zou men een stukje van de sluier des hemels willen oplichten om triomfantelijk uit te roepen: Ziet u wel, er bestaat helemaal geen God! Zo zijn wij bij al onze technische volmaaktheid terechtgekomen in een wereld, die al onbeschaafder en al slechter en goddelozer wordt.”

Op 24 juli noemt ds. K. de Gier in De Saambinder de maanlanding „een historisch moment in de eeuwenlange geschiedenis van de mensheid op aarde.” De wetenschap is tot veel onbegrijpelijke dingen in staat, schrijft ds. De Gier. „Hoe ver de ruimtevaart nog zal kunnen komen, we weten het niet. Maar dit weten we wel: ruimtevaart zal nooit hemelvaart kunnen worden. Hemelvaart heeft alleen Christus gedaan, het vlees geworden Woord. (...) Gelukkig de mens op aarde, die zo met de ogen des geloofs over de ruimtevaart heen mag zien op de hemelvaart.”

De Wekker

Op 25 juli 1969 schrijft ds. J. H. Velema in het christelijke gereformeerde weekblad De Wekker over ”de sprong naar de maan”. „Wie had ooit kunnen dromen dat wij dit zouden meemaken en deze grootse poging, die een hoogtepunt is in de triomf van wetenschap en techniek, in onze dagen zou plaatsvinden? We leven wel in grootse tijden.”

De betekenis van deze gebeurtenis moet wel goed worden getaxeerd, schrijft ds. Velema. Er zijn al mensen die zeggen hun geloof vaarwel te zeggen als deze maanlanding zal blijken te lukken. Maar de waarheid van de Bijbel hangt niet af van een al of niet geslaagde maanlanding. „Is de landing niet gelukt, dan is de mens herinnerd aan de grenzen van zijn kunnen en laat God weten: gij kunt veel, maar gij kunt niet alles. Maar als de landing wel gelukt, wankelt de waarheid van de Bijbel niet, maar wordt die Bijbel eerder bevestigd – als wij die Bijbel maar goed lezen en de maanreis maar juist taxeren.”

God heeft aan de mens het vermogen gegeven om alles onder zijn voeten te leggen, schrijft ds. Velema. „Ik zou allen die dit lezen willen vragen niet ondersteboven te raken van de prestaties van de ruimtevaart. (...) Het is alsof God wil zeggen: de grote prestaties, de enorme uitvindingen, de formidabele techniek maken mijn Naam niet kleiner, maar groter. Een van de ruimtevaarders verklaarde in reactie op de spottende opmerking van zijn Russische collega: „Ik heb God niet gezien.” „Inderdaad: God heb ik niet gezien, maar Zijn werken wel.” Dat geldt ook in 1969.”

De Wachter Sions

Op dezelfde dag, 25 juli 1969, schrijft een onbekende scribent in De Wachter Sions (kerkblad van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland) dat de maan niet aan de mens gegeven is om daar te wonen. „Psalm 115 zegt ons: „Aangaande de hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.” Nog niet zo heel lang geleden kon men in de dagbladen lezen van zeer intelligente mensen die men op de maan meende te zullen ontmoeten. De ruimtevaart heeft echter er het bewijs van geleverd dat er op de maan geen mensen wonen. Zo wordt toch door de snelle ontwikkeling der techniek, als prestatie van het menselijk vernuft, de waarheid van Gods Woord bevestigd. Als de wereld nog enige tijd in haar tegenwoordige gedaante moet blijven voortbestaan, zal de waarheid van Gods Woord wel steeds meer bevestigd worden.”

De scribent vindt dat in de maanreis „het begin van het zeer ras-naderende einde aller dingen” moet worden gezien. „Welke bewondering we ook kunnen hebben voor de steeds toenemende wetenschap van deze eeuw, we zien in de reis naar de maan niet anders dan een uitdaging van de Allerhoogste en dus een gruwelijk Godonterend werk.”

Gereformeerd Weekblad

Nadat de maanreis is gelukt, schrijft ds. A. Vroegindeweij in het Gereformeerd Weekblad (9 augustus 1969) dat hij zich door de maanreis nog meer heeft gerealiseerd dat God de hemel en de aarde geschapen heeft. „Neen, de maanreis heeft de fundamenten van ons geloof beslist niet ondergraven. Want ons geloof hangt niet aan het al of niet slagen van een reis naar de maan. Ons geloof is een vrucht van Gods werk, van het werk van de Heilige Geest. En de Heere leidt ons door Zijn Woord en Geest.

Wij weten niet waarom God de mens de wijsheid heeft gegeven om van deze aarde naar een andere planeet te reizen. Alle wijsheid komt immers van de Heere. Natuurlijk kan het onder Zijn toelating zijn. Het nut van de reis naar de maan vermogen we thans nog niet in te zien. Maar misschien opent dit begin mogelijkheden die we nu nog niet kunnen overzien. Daarom willen we zeer voorzichtig zijn in de beoordeling van deze dingen.

Maar hoe nietig is de mens tegenover God, de Almachtige, de Schepper van hemel en van aarde. Hij kan naar de maan reizen of naar een andere planeet. Maar eenmaal zal hij rekenschap af moeten leggen voor de hoge God. En dan zal een iegelijk geoordeeld worden naar zijn eigen werk.

Trouwens, deze hele wereld zal voorbijgaan. In de dag der dagen zal blijken hoezeer het ganse heelal bijeen hoort. Op de jongste dag zal immers de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet meer geven en de sterren zullen van de hemel vallen. En dan zal de Heere God alles nieuw maken, een nieuwe aarde en een nieuwe hemel, waarop gerechtigheid zal wonen. Want de hemellichamen zullen niet regeren, maar God regeert. Dat is ons geloof ook in het jaar van de reis naar de maan.”

Klik hier om verder te lezen over 50 jaar maanlanding