Moreland: Sciëntisme bedreigt kerk, cultuur en wetenschap met ethische, religieuze en politieke chaos

J. P. Moreland. beeld Moreland
3

Tal van christelijke studenten krijgen ermee te maken: het sciëntisme. Het is de opvatting dat alleen ‘harde’ bètavakken, zoals natuurkunde, de enige bron zijn van kennis over onze werkelijkheid. Al het andere –vooral ethiek en godsdienst– is emotie, blind geloof of slechts een mening. Maar klopt dat wel?

Het sciëntisme bedreigt onze kinderen, verwoest de kerk en ondermijnt onze belangstelling voor Gods Woord, schrijft James Porter Moreland in zijn boek ”Scientism and Secularism”. Al tijdens zijn studie liep hij er tegenaan, een ongrijpbare visie die hij omschrijft als „duister, afschuwelijk en slecht.” Het is een opvatting over de werkelijkheid die momenteel een steeds groter stempel drukt op wetenschap en cultuur. „Het is de lucht die we inademen.” De Amerikaanse hoogleraar filosofie aan de christelijke Biola University in La Mirada (VS) licht zijn stevige stellingname toe in een interview.

Hoe invloedrijk is het sciëntisme in de wetenschap?

„Enorm invloedrijk. Vooral bij wetenschappers en filosofen die het naturalisme aanhangen (het filosofische uitgangspunt dat alles een natuurlijke oorsprong heeft, BvdD). De meeste wetenschappers hebben nog nooit gehoord van het sciëntisme, maar ze accepteren het kritiekloos als het uitgangspunt van hun wetenschappelijke werk. Onbewust zien ze de wereld door die bril. Van de filosofen is zo’n 60 procent naturalist, en het sciëntisme is hun fundamentele uitgangspunt voor het verwerven van kennis.

De invloed van het sciëntisme is onder wetenschappers dan ook heel groot. Niet alleen door een gebrek aan een deugdelijke filosofische opleiding, maar ook doordat iemand pas goed kan meedoen in de wetenschappelijke wereld wanneer hij een aantal gemeenschappelijke standpunten deelt. Eén daarvan is het sciëntisme. Dat wordt er ingedronken als water.”

Waar komt het sciëntisme vandaan?

„Het sciëntisme is de favoriete kennisleer van het atheïsme en het naturalisme: het toont volgens veel wetenschappers aan dat de kosmos ”alles is wat er was, is, en ooit zal zijn”. Ook menen ze daarmee met succes te bewijzen dat waarheidsclaims in filosofie, theologie en ethiek niet kenbaar zijn of kunnen worden aangetoond. Ze menen daarom dat dergelijke beweringen slechts worden aanvaard op basis van blind geloof of niet-rationele factoren, zoals het gevoel.”

Wat claimt het sciëntisme over de wetenschap?

„Volgens het sciëntisme is onze werkelijkheid ”alles wat als waar wordt geaccepteerd binnen de beste theorieën van de harde bètawetenschappen”. Dit komt feitelijk neer op fysicalisme: de opvatting dat alles fysiek is, of voor zijn bestaan afhankelijk is van het fysieke of het materiële.”

Welke vergaande consequenties heeft dat?

„Volgens het sciëntisme is er geen teleologie: niets gebeurt met een doel. Er is geen doel waarom we hier op aarde zijn; we zijn slechts het toevallige resultaat van kosmische processen. Het ‘ik’ bestaat niet; we zijn slechts een verzameling van goed gerangschikte materie, een lichaam met hersenen. Bovendien bestaat er geen vrije wil, dus niemand kan aanspraak maken op loftuiting, en hij hoeft zich ook nergens schuldig over te voelen.

Alles is dan ook materie of hangt af van het materiële. Er bestaat dus niet zoiets als intrinsieke waarde of leven na de dood. Sommige voorstanders van het sciëntisme proberen het bestaan van intrinsieke waarden wel te onderbouwen. Ze beweren dat wanneer materie voldoende complex is geworden, bewustzijn en intrinsieke waarde zomaar uit het niets verschijnen. Maar deze pogingen liepen uit op complete mislukkingen.”

Wat is eigenlijk goede wetenschap?

„In grote lijnen gaat het om twee dingen. Wetenschappelijke claims zijn juist als ze zijn verkregen via de juiste methode en wanneer ze empirisch nauwkeurig zijn: ze hebben betrekking op wat waargenomen is en blijven daartoe beperkt. Goede wetenschappers doen geen filosofische beweringen of generalisaties die verder gaan dan de door waarneming verkregen gegevens, en ze beperken zich tot hun eigen vakgebied.”

Is de wetenschap gebaat bij het sciëntisme?

„Laat helder zijn: het sciëntisme is geen wetenschap, maar een filosofische stellingname. De beweringen van het sciëntisme zijn beweringen óver de wetenschap, niet ván de wetenschap.

De wetenschap berust op aannames, zoals de wetten van de logica en de wiskunde, de correspondentietheorie van waarheid (een bewering is waar als deze overeenkomt met de werkelijkheid, BvdD), en dat onze wereld objectief en kenbaar is. Onze vermogens zijn geschikt om kennis te verwerven over onze wereld. Deze aannames kunnen niet worden getest op waarheid door de wetenschap met haar beperkingen.

Een van de taken van de filosofie is het formuleren en verdedigen van deze aannames. Daardoor kunnen de claims van de wetenschap als ongeveer waar worden beschouwd. Een wetenschappelijke theorie kan slechts zo sterk zijn als de aannames waarop ze berust.

Het sciëntisme laat echter de taak van de filosofie buiten beschouwing en verbiedt het helder omschrijven van de aannames van de wetenschap. Het sciëntisme is dus feitelijk een vijand en geen vriend van de wetenschap.”

Bestaan er zekerheden buiten de bètawetenschap?

„Jazeker. In tegenstelling tot wat het sciëntisme beweert, zijn er theologische en ethische zaken die we met meer zekerheid weten dan bepaalde wetenschappelijke claims. Bijvoorbeeld: er bestaan elektronen; en: het is verkeerd om baby’s voor eigen plezier te martelen. Het laatste weten we met meer zekerheid.”

Hoe dan?

„Onze opvattingen over elektronen zijn door de jaren heen fors gewijzigd. Niemand gelooft vandaag nog dat er Thompsonelektronen bestaan. Het is niet onredelijk om te geloven dat wetenschappers over vijftig tot honderd jaar zich een elektron totaal anders voorstellen dan wij nu.

Maar al weet niemand waarom je baby’s niet mag martelen, weet iedereen dat die overtuiging waar is. Als iemand ontkent dat je baby’s niet mag martelen, heeft hij geen argumenten nodig, maar een therapie.

Nu is het waarschijnlijk dat de meeste mensen over vijftig tot honderd jaar niet meer zullen geloven. Maar kunnen er ooit rationele overwegingen worden ontdekt die een irrationeel geloof opleveren? Dezelfde redenering geldt voor bepaalde theologische zekerheden, zoals het bestaan van God. We weten dus vaak met meer zekerheid zaken buiten dan binnen de bètawetenschappen.”

In hoeverre beïnvloedt het sciëntisme ook de –zachtere– geesteswetenschappen?

„Het sciëntisme zet theorieën en ideeën in de geesteswetenschappen weg als beweringen. Het sciëntisme maakt de weg vrij voor postmodernisme in de literatuur, sociologie, communicatie, antropologie, geschiedenis, ethiek, filosofie en theologie: Iedereen mag zijn eigen waarheid hebben; niets is objectief vast te stellen.”

Waartoe leidt sciëntisme in de geesteswetenschappen in de praktijk?

„Aanhangers van het sciëntisme menen dat hoe verder een wetenschapsgebied is verwijderd van de ‘harde’ bètawetenschappen, hoe minder de claims van het wetenschapsgebied gegrond kunnen zijn. In de praktijk leidt dit tot ”fysische afgunst”: de neiging in onder meer de psychologie, sociologie en het onderwijs om aan te tonen dat wiskunde en getalsmatige onderbouwing essentieel zijn voor wat er op deze gebieden wordt gedaan.

Het gedachtegoed van het sciëntisme bepaalt ook de gehanteerde onderzoeksmethode en de doelstellingen in de vakgebieden. In de filosofie is een belangrijk doel erachter te komen hoe het komt dat objecten gekleurd zijn, dat mensen bewustzijn hebben en vrijelijk beslissingen nemen, dat onze gedachten gaan over dingen in de wereld – bijvoorbeeld over de Tower of London. Filosofen moeten die zaken in overeenstemming brengen met het materiële wetenschappelijke idee dat alles wat bestaat, is opgebouwd uit verzamelingen van kleine deeltjes die op verschillende manieren zijn gerangschikt.

Deze doelen bepalen de algemeen aanvaarde methode in de filosofie: reductie of eliminatie. Om een voorbeeld te geven: een filosoof moet aantonen dat er een manier is om kleuren te reduceren tot golflengten van licht, en bewustzijnstoestanden tot hersentoestanden. Als dat niet kan, moeten ze worden geëlimineerd, dat wil zeggen: kleuren bestaan niet of het bewustzijn is een illusie.”

Kan het sciëntisme goede wetenschap opleveren?

„Nee. Dat is onmogelijk omdat het sciëntisme zichzelf weerlegt; het is immers de filosofische claim die stelt dat filosofische claims niet kenbaar zijn. En we weten sommige dingen, zoals de fundamentele wetten van de logica, met meer zekerheid dan alle claims van de wetenschap. Maar we kennen die wetten niet door de wetenschap zelf. Sterker, de wetenschap veronderstelt ze.”

Aanhangers van het sciëntisme geven de evolutietheorie de voorkeur boven de scheppingsgeschiedenis, hoewel veel natuurwetenschappelijke resultaten evolutie tegenspreken. Hoe is dat mogelijk?

„We moeten onderscheid maken tussen aanpassingen van het organisme, waardoor bijvoorbeeld konijnen in een poolklimaat een witte vacht hebben; gemeenschappelijke afstamming, waardoor alle levende wezen afstammen van één organisme of een kleine groep organismen; en de stelling van de blinde horlogemaker: blinde, materiële, toevallige processen van mutatie, natuurlijke selectie en genetische drift hebben geresulteerd in alle levende organismen van vandaag de dag.

De eerste omschrijving is boven alle twijfel verheven. Over de tweede liggen de meningen verdeeld. En de derde is het echte onderwerp van discussie. Het bewijs daarvoor is namelijk erg zwak.”

Waarom geloven veel wetenschappers daar dan toch in?

„Hier komt het sciëntisme om de hoek kijken: vragen over de oorsprong en ontwikkeling van levende organismen kunnen alleen worden beantwoord door uit te gaan van het methodologisch naturalisme. Dat is de aanname dat een wetenschapper alleen een beroep kan doen op puur natuurlijke, fysieke, materiële oorzaken om zaken te verklaren.

Het gevolg daarvan is dat het niet is toegestaan een benadering op grond van intelligent design te kiezen om een bepaald biologisch fenomeen te verklaren. Het sciëntisme schrijft immers voor dat kennis is beperkt tot de ‘harde’ bètawetenschappen. Het opgeven van het methodisch naturalisme is hetzelfde als afstand doen van je redelijk denken; want intelligent design is religie, en dat valt buiten de wetenschap, meent men. Daarom móét het idee van de blinde horlogemaker waar zijn.”

In hoeverre zijn aanhangers van theïstische evolutie –die stellen dat God alles heeft geschapen door evolutie– beïnvloed door het sciëntisme?

„Voorstanders van theïstische evolutie omarmen in feite het methodologisch naturalisme. Dit laat zien dat het sciëntisme hen op de een of andere manier heeft beïnvloed.

Bovendien, als er een conflict ontstaat tussen een wetenschappelijke claim en een Bijbelse claim zal een theïstisch evolutionist de eerste meer rationeel gewicht geven. Daarom wenden ze alle moeite aan om Genesis anders te interpreteren. Op die manier pogen ze een direct conflict tussen de leerstellingen en de naturalistische evolutietheorie te vermijden.”

Welke gevolgen heeft een doorwerking van het sciëntisme in de cultuur voor de geloofwaardigheid van het christelijk geloof?

Stellig: „Een cultuur die het sciëntisme omarmt, wordt vroeg of laat volstrekt seculier.”

Waarom?

„Omdat we ons toevertrouwen aan een autoriteit en aan degenen die ergens verstand van zeggen te hebben. Als het sciëntisme doordringt in de cultuur, zullen mensen gaan geloven dat claims in bijvoorbeeld ethiek, religie en politiek slechts uitingen zijn van blind geloof en emotionele voorkeur. Dit leidt tot postmodern relativisme en een ethische, religieuze en politieke chaos. Wie de macht heeft, krijgt gelijk; macht vervangt de rationele autoriteit.”

Op welke manier kan een christen wetenschap bedrijven in een omgeving waarin het sciëntisme hoogtij viert?

„Een christen moet er duidelijk over zijn dat de Bijbel relevant kan zijn voor zijn vakgebied. Hij moet zoeken naar onafhankelijke aanwijzingen in de wetenschap die de Bijbelse feiten ondersteunen en waardoor hij alternatieven kan verwerpen.

De meeste neurowetenschappers zeggen bijvoorbeeld dat ze hebben aangetoond dat ons bewustzijn in de hersenen huist. Er zou dus geen ziel bestaan. Een christelijke neurowetenschapper kan dit zo weerleggen. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat er bepaalde gevoelens kunnen zijn, zoals empathie, zonder dat aanwijsbaar is waar die zich in de hersenen bevindt. Dus bieden neurowetenschappelijke ontdekkingen geen bewijs tegen het bestaan van de ziel.”

Mag een christenwetenschapper het methodologisch naturalisme toepassen in zijn onderzoek?

„Een christen moet het methodologisch naturalisme verwerpen, wanneer wetenschappelijke feiten dit rechtvaardigen. Bijvoorbeeld rond de oorsprong van het leven en het bestaan van biologische informatie (zoals in het DNA en RNA, BvdD). Hij moet zich vrij voelen om dan een intelligente ontwerper als oorzaak aan te dragen. Hij moet het bewijs volgen waarheen het hem leidt, en zich zeker niet in een willekeurig keurslijf laten persen, zoals het methodologisch naturalisme. Dat verbiedt namelijk bij voorbaat de voor de hand liggende oorzaak van een intelligente ontwerper.”

....

Mede n.a.v. Scientism and Secularism. Learning to Respond to a Dangerous Ideology, J. P. Moreland; Crossways, Wheaton, 2018; ISBN 9781433556906; 224 blz.; € 25,99

....

James Porter Moreland

Prof. dr. James Porter Moreland (71) –JP voor intimi– is een Amerikaanse filosoof, theoloog en christelijk apologeet. Momenteel is hij ”distinguished professor of philosophy” aan de Talbot School of Theology van de Biola University in La Mirada in Californië (VS). Als bio-ethicus was hij acht jaar betrokken bij PersonaCare Nursing Homes in Baltimore.

Moreland heeft zo’n dertig boeken op zijn naam staan over het grensvlak van wetenschap, filosofie en theologie, evenals zo’n zeventig artikelen in gerenommeerde tijdschriften.

De Amerikaanse apologeet is lid van de Vineyard Church in Anaheim in Californië. Hij beschouwt zichzelf als een oude-aardecreationist. In 2017 ondertekende hij de Nashvilleverklaring.

....

Wat betekent...?

Correspondentietheorie: De aanname dat een bewering waar is als deze overeenkomt met de werkelijkheid.

Filosofisch naturalisme: De filosofische opvatting dat de hele werkelijkheid is ontstaan door louter natuurlijke processen; een goddelijk ingrijpen wordt per definitie ontkend.

Filosofisch materialisme: De filosofische stroming die de werkelijkheid inclusief het menselijk brein herleidt tot louter materie, het meetbare en tastbare. Een geestelijke werkelijkheid en wonderen worden per definitie ontkend.

Fysicalisme: De opvatting dat alles fysiek is, of voor zijn bestaan afhankelijk is van het fysieke of het materiële.

Hypothese van de blinde horlogemaker: Het idee dat alle levende organismen van vandaag de dag zijn ontstaan tijdens een periode van miljoenen jaren door blinde, materiële, toevallige processen van mutatie, natuurlijke selectie en genetische drift.

Jongeaardecreationisme: De wetenschappelijke opvatting die als uitgangpunt heeft dat God het heelal, de aarde en het leven 8000 tot 6000 jaar geleden uit niets heeft geschapen, en dat de zondvloed een grote rol heeft gespeeld bij de vorming van aardlagen en gebergten.

Intelligent design (ID): De wetenschappelijke opvatting dat ingewikkelde structuren in levende wezens niet vanzelf kunnen zijn ontstaan. Volgens sommige aanhangers is daarvoor een ”intelligente ontwerper” noodzakelijk. Deze ontwerper is niet per se de God van de Bijbel.

Methodologisch materialisme: De praktijk dat wetenschappers de werkelijkheid verklaren vanuit waarnemingen van alles wat meetbaar en tastbaar is.

Methodologisch naturalisme: De praktijk dat wetenschappers de werkelijkheid verklaren vanuit louter natuurlijke processen.

Neodarwinisme: Een overkoepelende evolutietheorie waarin elementen uit onder meer de paleontologie, de moderne genetica, de erfelijkheidsleer en de evolutietheorie van Charles Darwin een plaats hebben gekregen.

Oude-aardecreationisme: De wetenschappelijke opvatting die als uitgangpunt heeft dat God het heelal en de aarde ”in den beginne” –dat kan miljarden jaren geleden zijn– uit niets heeft geschapen, en het leven zo’n 8000 tot 6000 jaar geleden.

Postmodern relativisme: De opvatting dat objectieve, algemeen geldende waarheden niet bestaan.

Sciëntisme: De filosofische opvatting dat alleen ‘harde’ bètavakken de enige bron zijn van kennis over onze werkelijkheid.

Theïstisch evolutionisme: Een filosofische poging om de Bijbelse scheppingsleer in overeenstemming te brengen met het neodarwinisme.