Keizer op de knieën door ”dikke man” en ”kleine jongen”

Een ‘dikke man’ en een ‘kleine jongen’ veranderden de wereld in drie dagen tijd radicaal. Komende maand is het 75 jaar geleden dat twee atoombommen het einde van de Tweede Wereldoorlog afdwongen.

Hiroshima, 6 augustus 1945. Op een hoogte van 9500 meter vliegt piloot Paul Tibbets in B-29 Enola Gay over het Japanse vasteland. Aan boord van de zware bommenwerper zijn twaalf bemanningsleden en een ‘kleine jongen’.

Die Little Boy is geen verstekeling, maar het resultaat van jarenlang onderzoek in het diepste geheim – en grootser dan al zijn soortgenoten. Als de bemanning omstreeks 8.15 uur de bomluiken opent, tuimelt Little Boy de diepte in, recht op Hiroshima af.

Tibbets maakt rechtsomkeert en brengt zijn kist snel naar grote hoogte. Toch voelen de bemanningsleden de schok, de straling en de hitte die vrijkomen als Little Boy op bijna 600 meter boven een van de grootste steden van Japan explodeert.

Little Boy is een troefkaart van het Amerikaanse leger. Al op 7 mei hebben de Duitsers de capitulatie ondertekend, maar de Japanners weten van geen ophouden. De strijd opgeven, betekent in hun cultuur een onvergeeflijk gezichtsverlies. Dus vechten de Japanners door voor een verloren zaak. De inzet van een gloednieuw kernwapen moet Japan op de knieën dwingen én de wereld laten zien dat er met de Verenigde Staten niet te spotten valt.

Dat laatste blijkt: de enorme drukgolf en intense hitte zijn allesvernietigend. Ongeveer 90 procent van Hiroshima wordt in één klap van de kaart gevaagd – 78.000 inwoners zijn op slag dood. Toch geeft het Japanse keizerrijk zich niet gewonnen. Dat gebeurt pas als op 9 augustus de grote broer van Little Boy dood en verderf zaait in Nagasaki. Als Fat Man zijn dodelijke inhoud uitbraakt, komen er nog eens 40.000 burgers om. Keizer Hirohito ziet geen andere keuze dan zich over te geven.

Legertop

Little Boy en Fat Man mochten voor de Japanners –net als voor de rest van de wereld– zomaar uit de lucht komen vallen, voor de top van de Amerikaanse krijgsmacht was dat zeker niet het geval. Al in 1939 waarschuwen de natuurkundige Leo Szilard en zijn beroemde collega Albert Einstein president Roosevelt dat Hitler mogelijk een bom ontwikkelt die in één klap hele steden kan vernietigen.

Ondanks de alarmerende boodschap zal het nog tot 1941 duren voordat er in het diepste geheim wordt begonnen met ”project Manhattan”. Dat moet leiden tot de ontwikkeling van een atoombom en voldoende splijtbaar materiaal.

Bij het project zijn tal van bekende wetenschappers betrokken. Projectleider is Robert Oppenheimer; de bijdrage levert de Amerikaanse natuurkundige de bijnaam ”vader van de atoombom” op.

De Verenigde Staten hebben haast, want als Hitler inderdaad een kernbom heeft, staat de wereld met de rug tegen de muur. Toch verloopt het project maar langzaam: pas op 16 juli 1945 –dus ruim ná de Duitse capitulatie– vindt een eerste proef met een kernbom plaats. Niet lang daarna zijn Little Boy en Fat Man klaar.

Kettingreactie

Beide bommen mogen dan hetzelfde doel hebben, inhoudelijk zijn de verschillen groot. De kleinste bom van het tweetal werkt op basis van kernsplijting van uranium-235, een radioactieve isotoop van uranium die is verrijkt tot 89 procent. Deze massa bevindt zich in twee gescheiden compartimenten die elk minder materiaal bevatten dan de kritische massa die nodig is om een kettingreactie in gang te zetten. Door na het werpen van de bom een springstof te ontsteken, komen beide massa’s samen, waardoor de kritische massa wordt bereikt en een kettingreactie in gang wordt gezet.

De werking van Fat Man is gebaseerd op plutonium. Deze isotoop komt door radioactief verval niet in de natuur voor en wordt verkregen door kernsplijting in een kernreactor. In Fat Man vormt het plutonium de kern, die is omringd met een schil van uranium die na een ontsteking lang genoeg in stand blijft om de kettingreactie van het plutonium tot een hoogtepunt te brengen. Deze traagheidsopsluiting zorgt voor een ongekend krachtige explosie. Om het proces in gang te zetten, worden ‘gewone’ explosieven gebruikt.

Niet alleen het kernmateriaal en de werkwijze van de bommen verschillen, ook de nucleaire lading verschilt. Little Boy bevat 46,1 kilogram uranium, goed voor een bomkracht van 15 kiloton TNT. Fat Man heeft met een kracht van 21 kiloton TNT bijna anderhalf keer zo veel energie in huis.

Oorlogsindustrie

Dat de anderhalf keer krachtige bom half zo veel dodelijke slachtoffers maakt, heeft een zuiver meteorologische reden. Als Charles Sweeney op 9 augustus met zijn B-29 Superfortress met daarin dertien bemanningsleden en een plutoniumbom koers zet naar Kokura –een oude Japanse vestingstad met veel oorlogsindustrie– blijkt het wolkendek de missie onmogelijk te maken. De bemanning onderneemt drie pogingen om de missie alsnog uit te voeren, maar moet ten slotte zijn pogingen staken. Daarom wordt er uitgeweken naar het alternatieve doel, Nagasaki. Ook daar speelt de bewolking parten, maar bommenrichter Frederick (Dick) Ashworth werpt de bom toch af. Die mist zijn doel op 3 mijl en explodeert gedeeltelijk boven dunbevolkt gebied.

Fat Man blijkt de nekslag voor Hirohito. In strijd met de Japanse cultuur van trots en eer besluit hij op 12 augustus tot overgave. Op 14 augustus richt hij zich voor het eerst in de Japanse geschiedenis rechtstreeks tot het volk via een radiotoespraak. Het woord ”capitulatie” valt overigens niet: Hirohito laat weten de ”Verklaring van Potsdam” te aanvaarden. Conservatieven in de legertop zijn het er niet mee eens en proberen de opgenomen toespraak te vernietigen voordat deze wordt uitgezonden. Toch wordt op 2 september officieel de Japanse overgave getekend.

Daarmee is het leed voor de Japanse bevolking nog niet geleden. Nog decennialang kampt de bevolking met naweeën van de ioniserende straling: kanker en miskramen komen in de jaren na de oorlog extreem veel voor. In 2004 berekent de gemeente Hiroshima dat Little Boy direct en indirect zo’n 237.000 levens heeft gekost; in Nagasaki zouden dat er nog eens 70.000 zijn geweest, onder wie 9 Nederlanders.

Keerpunt

Niet alleen voor Japan en Amerika zijn de atoombommen een keerpunt, ook voor ”vader van de atoombom” Oppenheimer is de bom een brug te ver. De vernietiging van de Japanse steden schokt hem zo dat hij zich na de oorlog inzet voor internationaal toezicht op het gebruik van kernenergie.

Toch blijft de materie hem intrigeren. Als president Truman aan de vooravond van de wapenwedloop besluit om met spoed een waterbom te ontwikkelen, is Oppenheimer fel tegen. Maar als hij in 1951 het ontwerp ziet, dat ruim 650 keer zo krachtig is als zijn eigen atoombommen, is hij toch enthousiast. Hij noemt het programma „technisch zo aantrekkelijk dat je daar niets op tegen kon hebben.” Wel betwijfelt hij de militaire, politieke en humane kant van de zaak.

Wat Oppenheimer betreft komt er nooit meer een ‘Hiroshima’. De wereld laat zijn oren echter niet naar de wetenschapper hangen. In de strijd om wereldmacht werken de VS en de Sovjet-Unie aan bommen waarmee ze hun opponenten kunnen aftroeven. Ze vormen een gedegen afschrikmiddel. Dat een kernwapenverdrag anno 2020 opnieuw ter discussie wordt gesteld, is daar opnieuw een bewijs –en angstwekkend signaal– voor.

Waarom de bommen vielen

Een kernbom maken is één, hem daadwerkelijk inzetten is een tweede. Jarenlang is op tal van niveaus afgevraagd of ‘Hiroshima’ en ‘Nagasaki’ echt onvermijdelijke waren. Feit is dat de VS en de Sovjet-Unie al kort na de oorlog probeerden het vacuüm te vullen dat door de val van Hitler ontstond. Op diplomatiek niveau werd gezocht naar bindende afspraken, maar spierballenvertoon kon niet ontbreken.

Tijdens de conferentie van Potsdam, van 17 juli tot 2 augustus 1945, spraken de geallieerde leiders de voorwaarden voor overgave door Japan af: als Japan zich niet onvoorwaardelijk zou overgeven, zou het land „direct en totaal” worden verwoest. Dat was voor Japan echter onbespreekbaar vanwege de goddelijke positie die aan de keizer werd toegeschreven.

Met de recente proefexplosie in het achterhoofd hadden de Amerikanen een succesvol middel om hun militaire overwicht richting hun bondgenoten te onderstrepen.

Als doelen voor de eerste atoombom werden Yokohama, Hiroshima, Kokura, Niigata en Kyoto aangewezen. Kyoto werd echter van de lijst geschrapt vanwege de vele historische tempels.

Uiteindelijk viel de keuze op Hiroshima vanwege de belangrijke industriële en materiële betekenis. Doordat de stad nog intact was, zou het effect van de aanval bovendien goed kunnen worden gemeten. De bergen in de omgeving zouden daarnaast de explosie-energie concentreren, waardoor de schade groter zou zijn. En doordat er geen krijgsgevangenkamp in de stad stond, zouden er geen eigen slachtoffers vallen.