Wat isolatie met je doet

Bezinning
3

Sinds 15 maart –de derde lijdenszondag– zit een groot deel van Nederland noodgedwongen thuis. En het einde van dit verplichte isolement is nog niet in zicht. Nauwelijks iemand zien en nergens heen kunnen: dat doet wat met je. Ik hield er een dagboek van bij.

Dag 1

Het besluit om de scholen en de horeca te sluiten lijkt iedereen –inclusief mijzelf– wakker te hebben geschud. Een week geleden werd er nog wat lacherig gedaan over adviezen om geen handen meer te geven en een beetje afstand te houden. Over het alternatief voor de handdruk onder aan de preekstoel op biddag, bijvoorbeeld.

Nu zet iemand die voor mij bij de bakker staat te wachten nadrukkelijk een stap opzij als ik binnenkom. Wat overigens wel een rare ervaring is. Alsof er iets met je is; en wie weet is dat ook wel zo. Ik voeg me onmiddellijk in het nieuwe regime. Bij het overhandigen van het vereiste bedrag aan contanten gebruik ik voor het eerst het schaaltje op de toonbank. Dan hoef je elkaar niet aan te raken.

De mondhygiëniste, die zich een week eerder nog zonder mondkapje over mijn gebit boog, belt een vervolgafspraak af. De huistelefoon, die meestentijds roerloos in een hoekje stoffig staat te worden, telt sowieso opeens weer volop mee als communicatiemiddel. Zeker drie gesprekken vandaag.

Dag 3

Voor deze week stonden er vier min of meer belangrijke avondactiviteiten in de agenda. Zonder veel discussie worden die een voor een afgeblazen. Het verbaast me hoe gemakkelijk dat gaat. En hoe eenvoudig het leven hierdoor wordt: we zijn gewoon elke avond thuis. Stiekem geniet ik er ergens wel een beetje van. Een vriendin of een familielid bellen kan op elk gewenst moment. Want zij zitten allemaal in precies hetzelfde schuitje.

Tegelijk zit mijn hoofd vol coronaonrust, aangewakkerd door een eindeloze stroom nieuwsberichten. Op de radio raadt een psycholoog aan om te proberen wat afstand te houden van het nieuws. En passant hoor ik haar zeggen dat ze er zelf rust in vindt dat haar leven in Gods hand is. Gewoon op Radio 1.

Dag 4

Wie heeft er woorden voor wat ons overkomt? Enerzijds de angst voor de ziekte en het lijden, die jezelf of iemand die je dierbaar is zou kunnen treffen. Anderzijds de onzekerheid en zorgen vanwege de gevolgen op langere termijn. De verwarring ook: wat heeft dit allemaal te betekenen? En het verlaten gevoel dat door het gebrek aan sociale contacten zomaar de kop op kan steken. Regelmatig vallen me in deze dagen flarden uit psalmen in. De „duistere dalen” uit Psalm 23, bijvoorbeeld. Maar ook: „’k Wou vluchten maar kon nergens heen.” En: „Maar de HEER zal uitkomst geven.”

Dag 6

Voor mensen die altijd al thuis werken –zoals ik– is er door de opdracht om zo mogelijk binnen te blijven eigenlijk niet zo veel veranderd. Voor het oog dan. Want wat wel wennen is, is dat ik het rijk niet langer alleen heb. Ook mijn echtgenoot houdt sinds begin deze week thuis kantoor. En dat gaat, zeker de eerste dagen, gepaard met een oeverloze stroom telefoontjes en onlinevergaderingen. Samen in isolement thuiszitten leidt tot veel lawaai. Hoe meer personen een huishouden telt, hoe meer kabaal en onrust. Dat zal voor mensen die alleen wonen heel anders zijn, realiseer ik mij.

Dag 8

Gisteren was het de vierde zondag van de lijdenstijd en de tweede zondag achter de laptop. Wel met hakschoenen aan, om het decorum een beetje hoog te houden. Wat van de diensten bleef haken is een van de lezingen uit Lukas 21, over wat er allemaal zal gebeuren voor de wederkomst. Dat het daarin behalve over opstanden, oorlogen, hongersnoden en aardbevingen ook over besmettelijke ziekten (pestilentiën) gaat was eerder nog niet tot zo tot me doorgedrongen.

De maatregelen worden nog ietsjes strakker. Kappers moeten hun schaar neerleggen. Ik kijk verschrikt naar het haar van m’n echtgenoot, die eind van de week een afspraak had staan. „Dan doe jij het toch”, oppert hij monter.

Dag 9

Landelijk neemt het aantal bevestigde besmettingen elke dag toe. Vandaag hoorden we dat er iemand uit de meer nabije omgeving met koorts thuiszit. De rest van het gezin moet, overeenkomstig de laatste instructies, ook binnenblijven. Het onzichtbare gevaar komt naderbij.

Dag 10

Hoe langer deze periode van isolement duurt, hoe meer alle dagen op elkaar gaan lijken. Je ’s morgens aankleden en gewoon schoenen aantrekken is een manier om een zekere gewoonheid in stand te houden. Maar als je nergens naartoe hoeft doet het er toch een beetje minder toe hoe je erbij loopt. Vandaag is in die zin een uitzondering. ‘s Avonds is er in de kerk een onlinebidstond, als alternatief voor alle gemeentelijke activiteiten die opeens zijn gestopt. Bij wijze van begeleiding zingen er een paar gemeenteleden mee bij het orgel. Ik ben daarvoor uitgenodigd en dat blijkt als een uitje te voelen. Ik sta opeens te dubben over wat ik aan zal trekken. In de kerk grijnzen al die lege banken me aan. We zingen onder andere Psalm 42:2. „Mijn benauwde ziel versmelt, als zij zich voor ogen stelt, hoe ik onder stem en snaren, feest hield met Gods blijde scharen.”

Dag 11

Deze dag voelt als een omslagpunt. De omvang van de onduidelijke situatie waar we middenin zitten dringt opeens door. Een paar weken binnenblijven – als het daarbij zou blijven. Maar dit gaat langer duren dan dat. En het is maar de vraag hoeveel mensen er ziek zullen worden en sterven en hoe de wereld eruitziet als het coronavirus is uitgewoed. Werkloosheid, maatschappelijke onrust, psychische problemen, internationale spanningen: het kan alle kanten op.

Een bezoek aan de supermarkt voelt steeds meer als een hachelijke onderneming. Iedereen moet een karretje meenemen om de winkel te mogen betreden. De eigenaar zit bij de deur het komen en gaan aan te zien en in goede banen te leiden. Mensen houden angstvallig afstand. Als zich iemand in het gangpad tussen de schappen bevindt, wachten de overige gegadigden tot er ruimte is gemaakt. Bij de kassa’s hangt een doorzichtig plastic scherm. De caissière vraagt ietwat snibbig of ik niet kan pinnen. Ik heb het lef niet om gebruik te maken van mijn gewoonlijk gekoesterde recht om met contant geld te betalen.

Dag 12

De gemeente waar we wonen is volgens de cijfers van het RIVM opeens een besmettingshaard. Daarmee wordt de urgentie om binnen te blijven concreter. Maar het is tegelijk ook een vreemde gewaarwording om je eigen woonplaats op die manier in de statistieken op te zien duiken. We kennen zelf nog steeds niemand bij wie het virus officieel is vastgesteld. Alsof er twee werkelijkheden zijn.

Op straat en in het centrum gaat het leven ogenschijnlijk ook nog gewoon door, al ziet het er wel doods uit. De bakker bakt nog altijd brood. De bloemenwinkel is nog open. Alleen de restaurantjes zijn dicht. En de toeristen die normaal gesproken op een mooie dag op de terrassen neerstrijken kunnen nergens terecht en fietsen of wandelen dus gewoon door.

Dag 13

Wat er nu gebeurt: wie had zich daar een maand geleden een voorstelling van kunnen maken? Nagenoeg verlaten aankomst- en vertrekhallen op Schiphol, grotendeels lege treinen, snelwegen zonder files. Het doet haast apocalyptisch aan. Alleen het weer doet daaraan niet mee. De zon straalt al dagen, weken zelfs. En daardoor lijkt de natuur het wel uit te jubelen: de pruimenboom staat in bloei, het zevenblad steekt de kop weer op, in de vijver voor ons huis maken vogels elkaar met veel rumoer het hof. Er is geen vuiltje aan de lucht; de hemel lijkt juist wel blauwer dan ooit. Dat zal te maken hebben met de condensstrepen die het vliegverkeer gewoonlijk achterlaat. Maar nu dus niet. Dat het bijbehorende vliegtuiggeraas –zeker op dagen met oostenwind vaste prik– ontbreekt is eerlijk gezegd ook geen straf.

Dag 14

Een rondje gefietst, want dat mag nog steeds. Voor een supermarkt in een naburige plaats staat een rij mensen te wachten, netjes met anderhalve meter tussenruimte. Pas als er een klant met een karretje naar buiten komt, mag er weer iemand naar binnen. Maar eerst maakt een medewerker de handgreep van het karretje schoon. Het is voor het eerst dat ik dit zo zie. Anderzijds went die veilige afstand ook snel. Als ik een tijdschrift opensla en op foto’s mensen schouder aan schouder zie staan gaan er inwendig alarmbellen af. Oppassen! Afstand houden!

Nacht 15

Raar gedroomd. Nu eens geen afgronden of duwende mensenmassa’s. Ik ben in een vreemd land, of is het op een andere planeet? Het ziet er prachtig uit, maar er dreigt gevaar. Er zit iets in de lucht waarvan mensen die hier niet horen doodziek worden. Niemand heeft het erover, maar iedereen weet het. Het kan in het water zitten, maar ook in de exotische vruchten die overal aan de bomen bengelen. Dus heb ik er een dagtaak aan om niets aan te raken en al helemaal niet zomaar iets op te eten. Alleen van thuis meegebracht voedsel is veilig. Dan voel ik een steek in mijn keel. Het lijkt op keelpijn, maar het wordt steeds erger. Zou iemand niet goed hebben opgelet en bij het koken onveilig water hebben gebruikt? Het paniekzweet breekt me uit. Het volgende moment ben ik wakker. Opgelucht dat ik gewoon in m’n eigen bed lig. Maar met een zere keel.

Dag 15

De keelpijn is bij het opstaan verdwenen.

Dag 16

Elke persconferentie betekent strengere maatregelen. Geen kerkdiensten met Pasen, en misschien met Pinksteren ook wel niet. Dus ook de belijdenisdienst, waar je als gemeentelid naartoe leeft, zal tot nader order moeten worden uitgesteld. Hetzelfde geldt voor zo veel dingen die voorheen vanzelfsprekend waren, maar die nu even geen doorgang kunnen vinden. Verjaardagen in een voorjaarstuin. Bezoekjes aan familie. Een kampeerweekend in de meivakantie. Er zijn ergere dingen, zeker. En het is ook juist de bedoeling om te voorkomen dat er ergere dingen gaan gebeuren. Maar het leven wordt wel kaal door al deze restricties. Als er niets meer is om naar uit te kijken.

Dag 19

Een periode van verplicht isolement samenvallend met de lijdenstijd: aanvankelijk dacht ik dat dit ruimte zou geven voor bezinning. Maar het is niet eenvoudig om tot rust en inkeer te komen. Vanbinnen overheerst de onrust. Het is niet eenvoudig om die het zwijgen op te leggen. Soms lukt het even, bijvoorbeeld als je geconcentreerd aan het werk bent. Ook een kerkdienst kan je even boven de huidige situatie uit tillen. Soms lukt het om een nacht goed door te slapen. Maar op een andere keer lig je te wachten tot er een merel begint te zingen, ruim voor zonsopkomst.

Ik dacht toen het net begon óók dat het een rustige periode zou worden, met tijd voor het lezen van boeken en tijdrovende bezigheden als kasten schilderen en sjaals breien. Daar komt nog weinig van terecht. Het aantal digitale apparaten in huis is zelfs –ten behoeve van het werken op afstand– met één uitgebreid. Dat er nog werk genoeg is, nu, is natuurlijk ook wel iets om dankbaar voor te zijn.

Dag 20

Een rondje lopen: dat mag nog steeds. En dat doen we dus ook veelvuldig. Echt onbezorgd is dat niet. Het is een vreemde ervaring dat mensen elkaar zo uit de weg gaan. Een wandelpad dat normaal gesproken breed genoeg is om elkaar te passeren blijkt opeens te smal als je anderhalve meter afstand moet houden. Dus maakt iedereen een ruime boog via de berm. Die veilige tussenruimte is eigenlijk ook te groot voor een praatje op gewoon geluidsvolume, zeker als het waait. Dus volsta je ook bij kennissen met wie je normaal een gesprekje aan zou knopen maar met een groet.

Dag 21

Na drie weken begint samen thuis zitten warempel een beetje normaal te worden. Je vindt een nieuw ritme, waarbij het dagelijkse bulletin van het RIVM om twee uur ’s middags iets is om naar uit te kijken. Best macaber, als je erover nadenkt. Je legt je neer bij het feit dat je –als je alleen maar binnen zit– op een gegeven moment wel zo’n beetje uitgepraat bent. En je zoekt nieuwe manieren om toch met mensen contact te houden: mailen of appen met de een, (beeld)bellen met een ander. En buiten, op straat, uitbundig zwaaien naar mensen.

Dag 24

Deze periode van isolement maakt wel duidelijk wat belangrijk is en wat er niet zo veel toe doet. Dat je opknapt van menselijk contact, bijvoorbeeld. En dat het verdrietig is om je dierbaren niet te kunnen ontmoeten. Misschien is dat nog wel het moeilijkst aan deze situatie: dat je in de blijde en zware omstandigheden van het leven niet bij elkaar kunt zijn. In het geval van een geboorte of een bruiloft kun je dan nog denken: dat halen we later, bij gezondheid, wel in. Maar rond een overlijden is dat anders. Onder de huidige omstandigheden mogen daar maar heel weinig mensen bij zijn. Dus kun je, als je geen directe naaste bent, niet echt afscheid nemen. Terwijl er in deze tijd niet alleen veel ernstig zieken maar ook relatief veel overlijdens zijn. Het doet me denken aan Prediker 7:2: een bezoek aan een huis waar gerouwd wordt is te verkiezen boven een feest. Misschien is dat wel hoe we later op deze periode terugkijken: een tijd waarin je het het meest miste om niet samen te kunnen rouwen.