Wat de Bijbel zegt over rijk of arm zijn

beeld Pixabay
4

Wereldwijd moeten honderden miljoenen mensen van minder dan 1,10 dollar per dag zien rond te komen. Dat staat in scherp contrast tot de rijkdom in het Westen. Wat zegt de Bijbel over rijkdom en armoede? Ben je als westerse christen verantwoordelijk voor het bestrijden van de armoede in Afrika? Hoe dan?

„Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken” (Deut. 15:11a); „Want de armen hebt u altijd bij u” (Mark. 14:7a). Deze uitspraken van Mozes en Jezus hebben nog steeds niet aan actualiteit ingeboet. Ondanks het feit dat de wereld sinds die langvervlogen tijden veel rijker is geworden, zijn er nog steeds veel mensen die in absolute armoede leven, ofwel: van minder dan 1,10 dollar per dag moeten rondkomen. Weliswaar niet in ons eigen land, alhoewel ook hier mensen in relatieve armoede leven, maar wel wereldwijd. Gelukkig is de trend neerwaarts: tussen 1820 en 2015 is het wereldwijde percentage mensen in absolute armoede gedaald van ongeveer 90 procent naar 10 procent. Dat zijn alsnog ruim 700 miljoen mensen. En de helft van de wereldbevolking moet van 5 dollar per dag of minder leven. Dat roept de vraag op hoe een christen hiermee om moet gaan. Wat zegt de Bijbel hierover?

Menselijke waardigheid

Alhoewel Nederland een rijk land is, worden we allemaal bij tijd en wijle geconfronteerd met de moeilijke omstandigheden waarin arme mensen leven. Denk bijvoorbeeld aan de vluchtelingen uit Afrika, die vanwege het gebrek aan perspectief in eigen land hun leven riskeren om in Europa te komen.

Toen ik vorig jaar oktober een werkbezoek bracht aan Malawi en Mozambique, realiseerde ik mij weer hoe onvoorstelbaar groot de verschillen in welvaart zijn. Na een reisdag per vliegtuig kom je in een heel andere wereld terecht. Zo bezocht ik samen met mijn vrouw een kleuterschool op het plattenland van Mozambique, waarbij mijn vrouw –die arts is– constateerde dat de helft van de kinderen ondervoed is. Voor een christen gaat daar een enorm appel van uit. Want de Bijbel, met name het Oude Testament, laat zien hoe armoede de menselijke waardigheid van de arme aantast (zie ”De beklagenswaardige positie van armen in het Oude Testament”) en daarmee wordt diens Schepper tekortgedaan. De arme was niet in tel en moest vaak de steun van vrienden ontberen. Zelfs door zijn naaste omgeving werd de arme gehaat. De arme kende geen rust. Voortdurend moest hij al zijn krachten inspannen om zijn gezin nog een schamel bestaan te verschaffen. Als armen schulden moesten aangaan en deze niet op tijd konden afbetalen, dreigde het gevaar dat schuldeisers hun kinderen tot slaaf maakten. Ook de arme zelf kon versjacherd worden voor de luttele waarde van een paar schoenen. Vanwege deze beklagenswaardige positie prijst Prediker, als hij over arme mensen spreekt, de doden gelukkiger dan hen die nog in leven zijn.

beeld RD, Henk Visscher

Zegen of vloek

Ikzelf en vele anderen in Nederland behoren tot een andere groep, die van de rijken. Rijken beschikken niet alleen over hetgeen minimaal nodig is om te kunnen overleven, maar hebben daar bovenop ook middelen om in materiële zin volop van het leven te genieten. Is dat een zegen of een vloek? De Bijbel laat beide kanten zien. De rijkdom van Abraham wordt als een zegen van God beschouwd. Het is dan ook een opdracht en een gave om bewust daarvan te kunnen genieten. Het Koninkrijk van God wordt gekenmerkt door overvloed. En laten wij eerlijk zijn: in de praktijk levert het ook minder spanningen op als wij niet ieder dubbeltje hoeven omdraaien.

Tegelijkertijd is rijkdom een valkuil. Het streven naar rijkdom kan ook zorgen geven: wat blijft er over van mijn vermogen als de aandelenkoersen inzakken? Het genot van rijkdom maakt het leven geestelijk onvruchtbaar: hoe meer spullen je hebt, hoe meer tijd je nodig hebt om ze te gebruiken en te onderhouden en hoe minder tijd er overblijft voor de zaken die echt belangrijk zijn. Rijkdom vermindert het besef van kwetsbaarheid en ondermijnt het vertrouwen op God. Een ruim spaarsaldo is gestolde vrijheid, omdat geld beschikkingsmacht geeft over anderen. Rijkdom maakt mensen arrogant jegens minderbedeelden, want mensen wijten hun succes vaak aan hun eigen inspanningen en menen, van de weeromstuit, dat armen hun armoede ook aan zichzelf te danken hebben. Kortom, met deze Bijbelse gegevens in het achterhoofd is het een forse uitdaging om zo met rijkdom om te gaan dat dit het leven daadwerkelijk verrijkt.

Rijke jongeling

Rijkdom is een zegen en gave van God, maar wordt een vloek als de rijke mens de Gever ervan niet erkent en zijn of haar verantwoordelijkheid jegens de naaste veronachtzaamt. Dat blijkt al in het Bijbelvers uit Deuteronomium dat ik in het begin citeerde. Op deze tekst volgt namelijk: „Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.” In Mattheüs 19 raadt Jezus de rijke jongeling aan om alles te verkopen en het aan de armen te geven. In dezelfde perikoop volgt dan „dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen kan binnengaan.” Daarmee veroordeelt Jezus niet de rijkdom in zichzelf, maar confronteert Hij de omstanders wel met het gegeven dat rijkdom een grote verzoeking kan zijn en een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. In dat licht past ook de uitspraak van Jakobus dat geloof zonder zorg voor de arme dood is (Jak. 2:17). Wie de verantwoordelijkheid jegens de armen miskent of minimaliseert, kent kennelijk de grote liefde van God niet en moet zich ernstig zorgen maken over de staat van zijn of haar geloof.

beeld Elly Reijnoudt

Politieke partij

Als rijken hun verantwoordelijkheid voor armen onderkennen, rijzen er nog allerlei vragen hoe zij daar vorm aan moeten geven. Armoede is een structureel probleem dat samenhangt met een veelheid aan factoren. De verantwoordelijkheid is daarom ook veelzijdig en beperkt zich niet tot bijvoorbeeld alleen het giftenpatroon.

Denk bijvoorbeeld aan de politieke verantwoordelijkheid die iedere burger heeft. Op iedereen rust de plicht om in zijn stemgedrag na te gaan of de politieke partij waar hij of zij op stemt inhoud geeft aan de verantwoordelijkheid voor de wereldwijde armoede en ongelijkheid. Nederland speelt daarin soms een kwalijke rol. Uit een recent onderzoek van het Centraal Planbureau blijkt bijvoorbeeld dat Nederland belastingontwijking van internationale bedrijven faciliteert in ontwikkelingslanden. Een schrijnend voorbeeld is een olieproject in Uganda van twee internationale oliebedrijven. Door een belastingverdrag met Nederland loopt Uganda daarbij 244 miljoen aan belastingafdracht mis. Op christelijke partijen in Nederland rust de plicht om dit soort oneerlijke praktijken tegen te gaan.

Ook als het om vrijwillige individuele giften gaat, is het goed om te beseffen dat bestrijding van armoede het meest effectief is als het de zelfredzaamheid van mensen in ontwikkelingslanden vergroot. Het verdient daarom de voorkeur om giften te geven aan organisaties die armen toerusten om zelf een productieve bijdrage te kunnen leveren aan de economie. Dit is ook de strategie van ontwikkelingsorganisaties zoals Woord en Daad, die erop gericht zijn de marktpositie van armen te versterken en hun vaardigheden te vergroten. Dit komt de waardigheid van de armen ten goede. Zij hoeven dan niet permanent hun hand op te houden, omdat zij in staat worden gesteld met eigen actieve inzet een bestaan op te bouwen. Dit sluit aan bij de armenwetten in het Oude Testament. Het recht op de nalezing van olijf- en wijngaarden en het oogsten van de randen van het veld vergden bijvoorbeeld een actieve inzet van de armen. Een ander voorbeeld is het jubeljaar, waarbij het landbezit eens in de vijftig jaar terugkeerde naar de familie die oorspronkelijk eigenaar was. In de agrarische economie van Israël vormt land het kapitaal dat noodzakelijk is voor de capaciteit en vrijheid om voor zichzelf te kunnen zorgen. Elke generatie kreeg zo de kans om zelfstandig een bestaan op te bouwen en volwaardig deel te nemen aan de gemeenschap.

beeld Pixabay

Sabbatsjaar

Behalve voor armen in ontwikkelingslanden, is er natuurlijk ook de verantwoordelijkheid voor de medemens in de nabije omgeving. Feitelijk is er een groot verschil in solidariteit binnen een land als Nederland en tussen landen binnen Europa, laat staan buiten Europa. Ook het Oude Testament maakt op veel plaatsen onderscheid tussen het eigen volk en de buitenlander. Een voorbeeld is de vrijlating van slaven in het sabbatsjaar. Dit gebod gold alleen voor Hebreeuwse slaven, niet voor buitenlandse slaven en hun nakomelingen. Maar in het Nieuwe Testament vindt een verbreding plaats over de grenzen heen. Met de christelijke gemeente verdwijnt de centrale betekenis van het land als basis voor solidariteit. In plaats van de solidariteit met de volksgenoot komt de solidariteit met de geloofsgenoot meer op de voorgrond, binnen en buiten de landsgrenzen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de collecte die Paulus inzamelt voor de christenen uit Jeruzalem. Ook de oproep van Paulus in Galaten 6:10 geeft dit accent op geloofsgenoten aan: „Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten.”

Vertaald naar de zorg voor de armen nu betekent dit dat de eerste verantwoordelijkheid van rijke christenen uitgaat naar arme christenen. Afhankelijk van de aard van de hulpverlening kan dit ook de verspreiding van het Evangelie bevorderen, bijvoorbeeld als door christelijk vakonderwijs jongeren niet alleen een vak leren maar ook de Naam van Christus leren kennen. Zelf heb ik daar mooie voorbeelden van gezien tijdens mijn werkbezoek aan Malawi en Mozambique. Dat inspireert des te meer om op die manier iets te kunnen betekenen voor de armen in deze wereld.

Prof. dr. Johan Graafland is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan de Tilburg University. Hij is onder andere gespecialiseerd in de relatie tussen economie en religie. In 2007 publiceerde hij ”Het oog van de naald. Over de markt, geluk en solidariteit”, een studie over de christelijke visie op de markteconomie.

De beklagenswaardige positie van armen in het Oude Testament

„Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest” – Prediker 9:16

„De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat” – Spreuken 14:20

„Al de broederen des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn” – Spreuken 19:7

„Omdat zij (Israël) de rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen” – Amos 2:6

„Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden (de onderdrukten)” – Prediker 4:2

De twee kanten van rijkdom in de Bijbel

„En de Heere heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen en runderen, en zilver en goud, en knechten en maagden, en kemels en ezels” – Genesis 24:35

„Een goede zaak die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon. (...) Ook een iegelijk mens aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave Gods” – Prediker 5:17-18

„Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben en die bewonen, (...) uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft” – Deuteronomium 8:12-14

„Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding” – Spreuken 18:11

„De arme spreekt smekingen, maar de rijke antwoordt harde dingen” – Spreuken 18:23

„De slaap des arbeiders is zoet, (...) maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen” – Prediker 5:11

„En (het zaad) dat in de doornen valt, dezen zijn het die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden en rijkdom en wellusten des levens en voldragen geen vrucht” – Lukas 8:14

„Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang” – 1 Timotheüs 6:9