Van kwartiermaker tot kloosterling

Jan Breddels: „ Het is niet alleen de vaste structuur in het klooster die me trekt.” beeld Sjaak Verboom

Drie maanden verbleef hij in het benedictijner klooster in Egmond-Binnen. Jan Breddels (57) uit Ameide is als vrijwilliger al jarenlang regelmatig portier in de abdij. Hij worstelt met de vraag over toetreding tot de religieuze orde. „Deze manier van leven is me op het lijf geschreven.”

De abdij torent hoog boven het dorpje uit. Als de contouren van het grote gebouwencomplex in zicht komen, beginnen zijn ogen te glimmen. „Iedere keer weer voelt het als thuiskomen. Waarom? Ik denk dat het ook ligt aan de structuur, de rust en de regelmaat van het kloosterleven. Ooit zei een therapeut tegen me dat alles voor mij voorspelbaar moet zijn. Dat herken ik en hier vind ik dat.”

Het is net twee weken geleden dat er een eind kwam aan zijn proefperiode tussen de zeventien monniken in de Noord-Hollandse abdij. We spreken elkaar in de omgeving waarin hij drie maanden achtereen verbleef. Breddels kende het kloosterleven al enigszins, maar draaide in november, december en januari volledig mee. Met de broeders volgde hij van 6.00 uur ’s ochtends tot 20.00 uur ’s avonds de getijdegebeden, nam deel aan zogenaamde conferenties, studiemomenten en was daarnaast werkzaam logistiek medewerker voor het magazijn en belast met de bevoorrading van de abdijwinkel.

Depressie

Breddels (57) was de voorbije anderhalf jaar werkzaam als ”kwartiermaker herstel ondersteunende zorg” voor de christelijke ggz-organisatie Eleos. In die functie was hij belast met het opzetten en coördineren van zogenaamde herstelgroepen. Die worden gevormd door twee groepsleiders (ervaringsdeskundigen) die met voormalige ggz-patiënten buiten het gewone hulpverleningsprogramma om ervaringen uitwisselen en werken aan verder herstel.

Zelf was hij in 2012 drie maanden opgenomen in de kliniek van Eleos, de fontein in Bosch en Duin. De vrijgezel kwam er vanuit een diepe depressie weer bovenop. „Ik vond er de rust die ik zocht: weg van huis en weg van mijn werk. Tijdens die opname werd me duidelijk waarom ik eerder geregeld vastliep. Het klinkt misschien gek, maar het was de mooiste tijd van mijn leven tot nu toe. Toen het zover was, wilde ik eigenlijk niet eens met ontslag.”

Hij nam in de jaren daarna zijn werk bij een fabrikant van huishoudelijke apparaten weer op, maar bleef verbonden aan Eleos. Na zijn opname zat Breddels aansluitend nog negen maanden in een zogenaamde contactgroep met tweedaagse intensieve therapie. Hij was ook initiatiefnemer van de zogenaamde terugkomdagen in de fontein. Bijna twee jaar geleden pakte hij de kans om aan de slag te gaan als kwartiermaker bij Eleos met beide handen aan. Tot het najaar van 2019 reisde hij het land door om herstelgroepen van de grond te tillen. Hij mocht blijven, maar kreeg de nodige aarzelingen. „Ik kon een aparte telefoon krijgen, maar wilde één nummer houden om altijd bereikbaar te zijn voor vragen van collega’s, groepsleiders en deelnemers van de herstelgroepen waarvoor ik het werk deed. Gaandeweg kwamen zaken zoals tijdschrijven, het volgen van een opleiding en een verdere professionalisering in zicht. Dat wilde ik helemaal niet.”

Oblaat

De abdij in Egmond trok hem al enkele jaren. „Dat begon via een Facebookbericht over een zogenaamd ”Kom- en zie”-weekend. Het klikte direct met de novicenmeester, zodat ik later nog eens ben terug geweest.”

Breddels gaf zich op als portier, een functie die net als verschillende andere door een legertje vrijwilligers wordt uitgevoerd. „Omdat ik vrij ver weg woon, doe ik dat eens in de drie weken. Ook in de zomervakantie ben ik verschillende weken in het klooster geweest, net als tijdens de kerstperiode.”

Het lid van de Gereformeerde Bondsgemeente in Ameide besloot te stoppen bij Eleos en voor een proefperiode van drie maanden het klooster in te gaan. „Je kunt bij de benedictijnen oblaat worden. Dan leg je de gelofte niet af. Een oblaat behoudt zijn bezittingen. Hij wordt wel onderdeel van de orde, maar bezit geen stemrecht.” Oblaten zijn er volgens Breddels in twee vormen. „Als regulier oblaat woon en werk je in het klooster, als seculier oblaat blijf je gewoon in je eigen omgeving.”

Het is niet alleen de vaste structuur in het klooster die hem aantrekt. „Ik voel geen echte roeping, maar vroeg me als 12-jarig jongetje al af of ik mijn leven niet in dienst van God moest stellen. Ik stelde me de vraag hoe ik daaraan een bijdrage kon leveren. Toen kwam het klooster al weleens in mijn gedachten.”

In zijn hart wil hij hervormd blijven. „Ik ben daar lid en voel me daar ook geplaatst. Dat was wat mijn voorgeslacht me voorhield en ik beleef dat ook zo.”

Parkiet

Drie maanden in het klooster bevielen Breddels uitstekend. „Ik ben er sterk aan gewend en word nog steeds tussen 5 en 6 uur ’s ochtends wakker. De tijd van het eerste gebed, de lauden. Heimwee had ik niet. Ik heb alleen als voorwaarde gesteld dat Kareltje, mijn parkiet, mee mocht. Dat gaf eerst wat aarzelingen, maar uiteindelijk werd het toegestaan. Ik ben heel sterk aan het diertje gehecht en hij aan mij. Bovendien, wie moest er voor ’m zorgen? Het was vermoedelijk de eerste keer dat een huisdier zijn intrede deed in het klooster.”

Terug in de Alblasserwaard miste hij het klooster. „Aanvankelijk had ik het gevoel dat ik eigenlijk niets in Ameide miste. Egmond riep bij mij wel gevoelens op. Later, toen ik in de hervormde kerk kwam, werd dat iets anders. De kerkgang thuis, de preek en vooral het zingen, deden me veel. Ik ben een echt gevoelsmens.”

Hij besloot eerst verder te zoeken binnen de gzz. „Ik leef van ontmoetingen met anderen en vind het bijvoorbeeld heerlijk om af en toe met bekenden een paar dagen te gaan lopen. Intreden is toch een vorm van afzondering en ik weet niet of ik dat red. Het verblijf in het klooster heeft wel mijn leven voorgoed veranderd. Het heeft me dichter bij God en Zijn woord gebracht.”

Hij heeft nog enkele sollicitaties lopen binnen de geestelijke gezondheidszorg. „Als dat niets wordt, ben ik welkom in Egmond. Anders wil ik wel graag seculier oblaat worden.”

Is het oblaat-zijn, thuis of in Egmond, dat niet een verloochening van de protestantse godsdienst?

„Dat zie ik niet zo. Je legt de gelofte niet af. Er is in de abdij een broeder die hervormd is gebleven en ook weleens diensten in de hervormde kerk bezoekt. De abt heeft daar geen moeite mee, er wordt heel oecumenisch gedacht.”

De levenswijze in een klooster is toch voluit rooms-katholiek?

„Er wordt in het klooster waar ik ook als vrijwilliger werk, sterk katholiek gedacht. Van Mariaverering merk ik zelf niets. De heiligen zijn meer voorbeelden, de preken hebben een actuele toepassing. Er wordt voor alle kerken voor en na de Reformatie gebeden. Het besef dat we allemaal aan één Heere verantwoording moeten afleggen, leeft sterk.”

Hebt u over uw zoektocht gesproken met de dominee of iemand anders?

„Niet met mijn predikant, mijn wijkouderling is wel op de hoogte van mijn verlangens. Maar je moet toch zelf een besluit nemen. Mijn oude moeder was eerste faliekant tegen, maar gaf later in een briefje aan dat ze er vrede mee had als ik maar zeker wist wat ik moest doen. Dat vond ik heel waardevol.”

Zijn er zaken die u tegenstaan?

„Eigenlijk moet ik er niet aan denken om een habijt aan te trekken. Ik had na mijn periode in de fontein in Bosch en Duin het gevoel dat ik mijn identiteit had gevonden. Bij een habijt bekruipt me de gedachte dat ik daarvan weer een stukje moet in leveren.”

Het kan nog alle kanten op?

„Het is voor mij een reis op zoek naar zingeving. Als er de komende tijd geen deuren opengaan is dat voor mij een teken dat mijn weg naar Egmond leidt. Anders wil ik vanuit mijn eigen woonomgeving als seculier oblaat leven.”

Abdij in Egmond

Met een onderbreking na de Reformatie is er in Egmond al meer dan duizend jaar een gemeenschap van benedictijner monniken te vinden. De abdij ontwikkelde zich in de middeleeuwen tot een belangrijk religieus en cultureel centrum in West-Frisia en vervolgens van Holland, met een omvangrijke bibliotheek.

De Sint-Adelbertabdij is een benedictijnenabdij in Egmond-Binnen. De overblijfselen van de heilige Adelbert van Egmond rusten onder het altaar van de abdijkerk. Ook de West-Friese graven Dirk II, Aarnout, Dirk III, Dirk V, Floris I en de Hollandse graaf Floris II werden er begraven.

Het klooster heeft een kaarsenmakerij, een brouwerij en een abdijwinkel. Inkomsten zijn er verder door de verhuur van gastenverblijven. Er wonen in totaal zeventien monniken. Door de hulp van een legertje vrijwilligers lukt het hen om het grote complex in stand te houden.