Thuis in Fransum

Een leven buiten Fransum kan Kees Hogewerf zich moeilijk voorstellen. beeld Sjaak Verboom.
7

Fransum biedt alles wat een mens nodig heeft: een kerkje, een boerderij en een woning. In de hoeve huist Kees Hogewerf met nazaten van Line, Tine en Katrien. „Ik probeer de veranderingen in de wereld wel wat bij te houden, maar hier blijven de dingen aardig gelijk.”

Vanuit Den Ham, een lintdorpje in het Groningse Middag-Humsterland, voert een smal pad naar de einder. Aan het begin staat nog een enkel huis, dan stopt de bebouwing. Het pad van betonplaten gaat verder, naar een plukje geboomte in de verte. Het laatste deel is onverhard.

Plots doemt Fransum op. Eerst het huis, dan het middeleeuwse kerkje op de wierde, vervolgens de kop-hals-rompboerderij, gedeeltelijk omgeven door een ringsloot, een bult stalmest ernaast, een antieke hooischudder in het land ervoor en een moestuin in verwilderde toestand.

„Ik had je pas morgen verwacht”, groet Kees Hogewerf (60), gehuld in geblokte wollen jas, de voeten in kaplaarzen. Een probleem is het niet. Op de buiskachel in de woonkamer staan een koffiekan en een thermoskan. Over de leuningen van de ouderwetse stoelen liggen handdoeken te drogen. De boekenkast verraadt een voorliefde voor geesteswetenschappen.

Klooster

De veehouder groeide op in het kerspel Fransum. Daar hoorden ook de boerderijen in de omtrek bij. „Ik ben geboren in een van de huisjes. Mijn vader begon als boerenknecht.” Opa Hogewerf woonde in het huis bij de kerk, waar hij een paar melkkoeien ging houden. Het werden er uiteindelijk zestien.

„Mijn vader heeft het bedrijfje overgenomen, ik deed dat later van hem. Op een gegeven moment kon ik deze boerderij pachten. Een broer van me woont nu met zijn vriendin in het huis.”

Kees bleef alleen. Het deert hem niet meer. „In mijn jonge jaren had ik het er weleens moeilijk mee, maar op een gegeven moment went het en wordt het zelfs mooi.” Eens per jaar reist hij voor negen dagen naar een klooster in Limburg. „Het is daar toch weer een ander soort stilte dan hier.”

Hij mag ook graag naar de Waddendijk fietsen. Aan de andere kant van de dijk zie je enkel vogels. En het licht boven het wad wisselt voortdurend.

Potstal

Sinds zijn jeugd veranderde er weinig in Fransum. „Voor mij in ieder geval”, nuanceert hij. „Ik probeer de veranderingen in de wereld wel wat bij te houden, maar hier blijven de dingen aardig gelijk.” De grootste revolutie was de komst van de computer. Daar kon zelfs Kees Hogewerf met zijn biologische bedrijfje niet omheen.

De machinerie hield hij beperkt. „Ga je mee met de moderne tijd, dan moet je steeds groter. Dat wilde mijn vader niet en ik heb het ook nooit gezocht. Van die 32 melkkoeien kan ik prima leven. Als je de kosten laag houdt, haal je ook uit zó’n bedrijf een inkomen.”

Van het omringende land heeft hij 11 hectare in eigendom; 4 hectare pacht hij van de hervormde gemeente, 2 hectare van zijn broer, de rest van de weduwe van de vorige eigenaar. De opstal is sinds vijf jaar zijn bezit. Hij kocht de hoeve toen de grupstal niet meer verenigbaar was met biologisch boeren. Dat dwong hem tot de aanschaf van een potstal, een bouwpakket dat hij met zijn broers in elkaar zette. In de oude grupstal, nu een soort uitdragerij, wandelt een eenzame haan. „Die is van mijn broer, maar hij werd belaagd door de andere hanen. Daarom kwam hij naar mij toe.”

Line en Tine

Aan de boerderij, herbouwd in 1816, veranderde de agrariër vrijwel niets. De hals werd zijn woonvertrek, de middenkamer doet dienst als opslag. Op het kersenhout boven de schouw schilderde een onbekende kunstenaar het tafereel van Jozef die zich bekendmaakt aan zijn broers. De vorige bewoners timmerden er gipsplaten overheen; Hogewerf verwijderde die weer en plaatste een lijst rond het schilderij. Van de onttakelde pronkkamer maakte hij zijn slaapkamer.

Rond de hoeve ligt een netwerk van bochtige sloten. De ruilverkaveling ging aan dit deel van het land voorbij. Dat neemt niet weg dat veel omringende boerderijen enorm groeiden. „Toen de Wielsma’s in de jaren dertig van de vorige eeuw dit bedrijf overnamen, waren ze met veertig melkkoeien de grootste in de streek. Nu ben ik een van de kleinste. De meeste boeren hier hebben tussen de 100 en de 200 koeien.”

Zijn eigen veestapel bestaat uit nazaten van Line, Tine en Katrien. Line was een aankoop van zijn grootvader, zijn vader kocht Tine. „Katrien heb ik overgenomen van de Wielsma’s.”

Vroedschap

Met de zorg voor de dieren, de moestuin, de kleine hoogstamboomgaard en het onderhoud aan de boerderij zijn de dagen van de boer meer dan gevuld. De zeventien jaar oude Mitsubishi komt maar zelden van z’n plek. „Het meeste doe ik op de fiets.”

Een leven buiten Fransum kan hij zich moeilijk voorstellen. „Dit is vanaf mijn vierde jaar mijn wereld. Zelfs mijn dromen spelen zich af op dit stukje grond. Het ís ook een speciale plek, door de stilte, de rust, het kerkje.”

Als kind speelde hij vaak rond de kapel. „Het was niet zozeer een heilige, maar wel een spirituele plek. Dat voelde je aan, al gebruikte mijn grootvader de toren voor de opslag van stro.”

Ooit was de romaanse kapel met het kleine kerkhof het hart van het kerspel. Vanaf de wierde liepen kerkpaden naar Aduard, Altenaauw, Beswerd en Den Ham. In 1909 werd de laatste dienst in Fransum gehouden. De plannen om het kerkje te verplaatsen naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem liepen op niets uit. Wel vond tussen 1948 en 1950 een grondige restauratie plaats. In 1979 kwam het monument in handen van de Stichting Oude Groninger Kerken. De exploitatie is uitbesteed aan de Vroedschap Fransum. Hogewerf snoeit eens per jaar de heg, zijn broer maait zo nodig het gras.

Religie

Met kalme tred loopt de boer naar het oude godshuis. De deur zit nooit op slot. Voor inbrekers valt er weinig te halen, al staan kenners likkebaardend bij de witte kansel, de oudste bakstenen preekstoel van Nederland. „Het is een bijzonder kerkje”, bevestigt Hogewerf. Als kind ging hij met zijn moeder naar de gereformeerde kerk van Aduard. Zijn vader wilde niet mee, die had zijn eigen ideeën over de Bijbel. Geleidelijk haakte ook zijn moeder af. Zelf kwam hij bij de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap Westerkwartier terecht, al voelt hij zich ook aangetrokken tot het boeddhisme. „’s Avonds zit ik vaak te lezen of te denken over religie en filosofie.”

Nu zijn zestigste verjaardag is gepasseerd, denkt hij ook vaker over de slotfase van zijn leven. Voor een bejaard mens heeft het leven in Fransum schaduwkanten. Zeker in de winter. Bij sneeuw en ijzel strooit de gemeente alleen het eerste deel van de toegangsweg vanuit Den Ham. De laatste kilometer moeten de bewoners van Fransum zelf ijsvrij houden. „Dat valt niet altijd mee”, erkent Hogewerf.

Voorzichtig probeert hij te wennen aan het idee van een verhuizing. Graag naar een pandje in de buurt. „En op een stille plek.”