Suïcide: „Ik vertel eerlijk hoe mijn zoon om het leven kwam”

Ina Haverhals met een portret van haar zoon Arno. beeld RD, Henk Visscher

Arno Haverhals maakte in 2006 een einde aan zijn leven. Hij was 23 jaar oud. Hoe is het voor een moeder om je oudste zoon te verliezen door suïcide? Ina Haverhals (59) uit Kaatsheuvel vertelt haar verhaal. „Ik zei vaak tegen hem: jongen, je hoeft niet de zorgen van de hele wereld op je schouders te nemen.”

Op de tafel in de woonkamer ligt een gele multomap, vol met brieven en krabbels die Arno Haverhals schreef in de laatste periode van zijn leven. Niet alle teksten zijn even goed leesbaar. „Een doktershandschrift had hij”, zegt Ina Haverhals terwijl ze de pagina’s omslaat. In de maanden na zijn overlijden heeft ze alles gelezen. „Pas toen had ik een beetje door wat er in zijn hoofd omging.”

In 2012, zes jaar na zijn dood, koos ze ervoor het verhaal van haar zoon op papier te zetten in een boekje dat ze in eigen beheer liet drukken. Om de herinneringen levend te houden, maar ook ter verwerking voor de mensen om hem heen. „Sommige van Arno’s vrienden konden niet geloven dat hij zich van het leven had beroofd. Onderling hadden ze het er weleens over gehad, maar Arno verklaarde altijd dat je zoiets nooit mocht doen. Dat kon je je omgeving niet aandoen. Maar uiteindelijk overkwam het ook hem.”

Het doet me pijn dat mijn ouders zo veel moeite doen voor mij. Ik kan niemand meer recht in de ogen kijken. Ik ben 23 jaar oud maar voel me een nul.

Arno wordt geboren op 11 mei 1982. Hij groeit op als de oudste in een gezin van vier kinderen. „Een lief kind, maar ook een doordenkertje. Hij kon heel serieuze vragen stellen en dacht overal intens over na.”

Op school doet hij het goed. Na de havo begint hij aan de heao en daarna gaat hij commerciële economie studeren. Hij krijgt een relatie, maakt deel uit van een fijne vriendengroep en loopt onder andere stage bij het transportbedrijf van zijn ouders. Kortom: voor het oog is zijn leven prima op orde. „Je hoort vaak: hoe kan iemand nou depressief zijn als hij alles heeft? En Arno had alles, dat zei hij zelf ook”, zegt Ina Haverhals later in het gesprek. „Mensen zoeken naar oorzaken, ze willen weten of er een pestverleden achter zit of een andere moeilijke situatie. Maar soms is er geen aanwijsbare reden. Depressie is een ziekte, het kan iedereen overkomen.”

Soms maakt ze zich als moeder wel wat zorgen om het ernstige karakter van haar kind. „Hij kon zo bezig zijn met de problemen van anderen, bijvoorbeeld van een studiegenootje dat vertraging opliep. Dan zei ik: jongen, je hoeft niet de zorgen van de hele wereld op je schouders te nemen.”

Later, na zijn dood, zal het gezin talloze brieven krijgen van mensen die vertellen dat Arno hen zo heeft geholpen. Door een kaartje te sturen of er voor hen te zijn als dat nodig was. „We hadden er geen idee van.”

Schuldgevoel

Aan het einde van zijn studie gaat hij stage lopen bij een groot bedrijf. Hij heeft het naar zijn zin, maar vindt het ook zwaar.

In deze periode voert Haverhals vaak lange gesprekken met hem. „Hij raakte op een gegeven moment geobsedeerd door de eindtijd. Hij had schema’s opgezocht en beargumenteerde waarom het niet lang meer zou duren voor het einde van de wereld zou aanbreken. Achteraf gezien zijn er toen voor het eerst alarmbellen gaan rinkelen. Ik dacht: jongen, waar ben je mee bezig? Iedereen denkt weleens over de eindtijd na, maar niet zo intensief.”

Halverwege zijn afstudeerstage vertelt hij aan zijn ouders dat hij gelogen heeft over zijn studievorderingen. Hij is niet zo ver met zijn afstudeerproject als zij denken. „Daar schrokken we van, want Arno was altijd eerlijk. We probeerden hem wat op te peppen; het zou wel goedkomen.”

Ik heb gelogen. Ik hou iedereen van wie ik hou en die van mij houdt, opzettelijk voor de gek. Ik heb nu al alles in het werk gezet om mijn afstudeerstage te laten floppen.

Vanaf die tijd gaat het bergafwaarts. Een paar dagen later belt het stagebedrijf op dat Arno de hele middag naar zijn scherm heeft zitten staren en zonder iets te zeggen weg is gegaan. Ze maken zich zorgen. „Later kwam hij thuis en vertelde aan ons dat hij met zijn auto tegen een boom wilde rijden, omdat hij niet meer wist hoe het allemaal moest.”

Ze gaan naar de huisarts en die schakelt de crisisdienst van de GGD in. Daar komen de psychiaters tot de diagnose vitale depressie met suïcidale neigingen. Ze besluiten hem op te nemen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Voor het intakegesprek is hij heel zenuwachtig. „Hij bleef maar zeggen dat hij niet echt ziek was maar deed alsof. Hij was bang dat de psychiaters dat door zouden hebben en hij wilde geen plek bezet houden van iemand die de hulp harder nodig zou hebben.”

Eenmaal opgenomen mag hij af en toe een weekend naar huis. Dat gaat de ene keer beter dan de andere keer. Het lukt haar vaak niet Arno te bereiken, hij sluit zich in zichzelf op. „Hij kon zich zo schuldig voelen. Dan brak mijn hart, want dat schuldgevoel was nergens voor nodig. We liepen een keer buiten, langs ons bedrijf, en toen zei hij: ik maak dit allemaal kapot voor jullie. Dat ontkende ik dan en ik zei daarna dat de zaak niet van belang was. Onze kinderen zijn veel belangrijker. Toen omhelsde hij me en fluisterde dat ik de beste moeder van de hele wereld was. Verder zei hij niets meer. Op die momenten vroeg ik me vaak af waar hij met zijn gedachten zat. Ik wist het nooit.”

Je moet je niet zo druk maken. Daardoor wilde ik me niet meer druk maken maar deed het wel. Je moet niet zo doemdenken. Daardoor ging ik steeds meer doemdenken, steeds verder weg.

De psychiaters weten niet goed wat ze met Arno aan moeten. Ze verschillen van mening over zijn behandeling.

Ondertussen blijft hij volhouden dat er niets met hem aan de hand is, dat hij toneelspeelt. „Pas de laatste weken van zijn leven had hij volgens mij door hoe ziek hij was. Hij kwam een weekend thuis, en het leek net of er een gebroken man van tachtig de kamer binnen kwam wandelen.”

Die zondag gaat Haverhals met haar man naar de kerk. Een broer en zus van Arno blijven thuis om op te letten. Zelf ligt hij in zijn bed te slapen.

Halverwege de dienst komt de koster naar hun bank toe. Wat volgt, is een waas, zegt Haverhals. „Ik weet nog dat een politieagent in de deuropening naar me stond te kijken, met medelijden in zijn ogen. Ik vertelde hem dat Arno is overleden aan een depressie, waarop die man zei dat ik dat inzicht mijn leven lang moest vasthouden.”

Dan: „Mijn dochter zat op de bank met de buurvrouw ernaast. Ik ben op de salontafel gaan zitten met haar handen in die van mij. Ze zei: het is mijn schuld. Ik heb tegen haar gezegd: zeg dat nooit meer. Als er iemand schuld moet hebben, dan ben ik het. En ik kan er ook niets aan doen.”

Taboe

In de weken na de begrafenis dringt er weinig tot haar door. Pas een tijdje later groeit het besef: Arno is er niet meer. „Het was dinsdagmiddag en ik stond koffie te zetten, want Arno zou thuiskomen van school en we deden altijd samen een bakske. Ik keek uit het raam en besefte ineens: nee, hij komt niet. Hij is weg.”

Het gaat steeds slechter met haar. Ze durft de straat niet op. „Ik was bang voor de blikken van anderen. Ik dacht: mensen vinden me vast een heel slechte moeder.”

Ze is opstandig en boos op God. „’s Nachts ben ik weleens naar buiten gelopen en heb ik met mijn vuisten gebald staan schreeuwen: Waarom heeft U Arno zo laten lijden? Hij was toch mijn zoon? Ik wist niet waar ik het moest zoeken van de pijn. Toen antwoordde God: En Mijn Zoon dan?”

Later: „Ik moet bekennen dat ik verschillende keren van plan ben geweest om er zelf uit te stappen. Ik had een verkeerd verlangen naar de dood, alleen omdat ik dacht dat ik dan weer bij Arno kon zijn.”

Met de hulp van de psycholoog, de huisarts en haar familieleden lukt het haar om er weer bovenop te komen. „Maar God was mijn grootste hulp, Die heeft mensen op mijn pad gezet om me te helpen. Verschillende mensen zeiden tegen me: je moet hier blijven. Het is je tijd nog niet. God heeft een taak voor jou op deze aarde. In de eerste plaats om er te zijn voor je gezin, en in de tweede plaats om anderen te helpen.”

Haverhals vindt dat er nogal wat mensen zijn die op de troon van God gaan zitten en zeggen: iemand die zichzelf om het leven brengt, is voor eeuwig verloren. „Maar mijn zoon was ziek en daar heeft hij niet zelf voor gekozen.”

Wat overblijft: de waarom-vraag. Ze weet niet waarom Arno de beslissing heeft genomen een eind aan zijn leven te maken. „Ik denk dat hij geen andere uitweg meer zag. In zijn ogen was dit het enige wat hij verdiende.” Wat ze wel weet: dat het niemands schuld is. „Niet de schuld van Arno, niet van zijn familie of zijn vrienden. Niet de schuld van de therapeuten. Niet de schuld van het stagebedrijf. Het is de schuld van die vreselijke ziekte depressiviteit.”

Ze adviseert mensen die het in hun omgeving ook hebben meegemaakt om erover te praten, hoe moeilijk dat ook is. „Wat bijvoorbeeld moeilijk blijft: vragen beantwoorden over hoe hij om het leven is gekomen. Suïcide is een taboe. Toch vertel ik altijd eerlijk hoe het is gegaan. Als hij overleden was door een ongeluk, had ik dat ook zo gezegd. Benoem het, duw het niet weg.”

Hebt u hulp nodig? Dan kunt u contact opnemen met Stichting 113 Zelfmoordpreventie via 0900-0113 (24 uur bereikbaar) en 113.nl

serie Suïcide

Dit is het eerste deel van een serie over zelfdoding. Volgende week dinsdag deel 2: ds. J. Belder en dr. J. Stolk over de vragen die leven rond dit onderwerp.