Riekelt Pasterkamp: niet alleen maar een grappenmaker

beeld RD, Anton Dommerholt
4

Hij staat te boek als een bekende refo. Met twinkelende ogen, een bulderende lach en gevatte vragen vermaakt Riekelt Pasterkamp (56) op tal van podia jong en oud. Toch is de in Urk opgegroeide journalist en presentator niet altijd zo uitgelaten als hij doet voorkomen. Ingrijpende gebeurtenissen hebben hem stilgezet. „Ik wil mijn talenten nu vooral gebruiken in dienst van Gods Koninkrijk.”

Op de tafel in de ruime woonkamer in de fraaie twee-onder-een-kapwoning liggen een exemplaar van het RD en de Volkskrant. Pasterkamp heeft bovendien een proefabonnement op de regionale krant De Stentor en krijgt exemplaren van het Nederlands Dagblad toegestuurd als hij daarin een bijdrage heeft geleverd. Hij beluistert regelmatig nieuwszenders. De inwoner van Apeldoorn wil graag op de hoogte blijven en voelt zich voor alles journalist. „Het presentatiewerk is er gaandeweg bijgekomen.”

Echte hobby’s heeft hij niet. „Ik ben altijd bezig met het verzamelen en uitwerken van ideeën. Bij alle ontmoetingen vraag ik me af wat ik ermee kan. Tot op verjaardagen toe.”

Zijn drang naar vrijheid bracht hem ertoe om tien jaar geleden voor zichzelf te beginnen met het bedrijf TekstPast. Na meer dan twintig jaar loondienst bij het Reformatorisch Dagblad. Dat werk bood hem het podium om uit te groeien tot een bekende figuur in de reformatorische wereld. De laatste jaren groeit ook zijn reputatie in evangelische kringen. Nadrukkelijk: „Als ik terugblik, was het besluit om voor mezelf beginnen het beste dat ik ooit nam, na het vragen van Jorien om mijn vrouw te worden. Ik had het eigenlijk al eerder moeten doen.”

Evangelisch

Hij heeft tijdens het gesprek net de Mars voor het Leven in Den Haag achter de rug. „Ik ben voor de tweede keer gevraagd om het podiumprogramma te presenteren.” Naar schatting 10.000 mensen namen deel aan het protest tegen de huidige abortuspraktijk. „Indrukwekkend. Ik neem graag deel aan bijeenkomsten waar ik inhoudelijk achter sta. Als ik ergens voor word gevraagd waar ik me niet thuis voel, wijs ik het af.” Hij wordt daarin steeds selectiever. „Nee, voorbeelden geef ik niet.”

beeld RD, Anton Dommerholt

De mars begon als een uiting van evangelische christenen, maar wordt steeds meer iets van twee groepen, evangelisch en reformatorisch. Het past precies bij Pasterkamp. „Ik vind dat een goede ontwikkeling. Schotjes die verdwijnen om gezamenlijk de Naam van God groot te maken.”

Zijn koffers staan alweer gepakt. Hij vertrekt de volgende dag voor tien dagen Verenigde Staten. „Meestal verzin ik die reizen zelf. Ik verkoop op voorhand artikelen aan kranten en tijdschriften. Ik selecteer vooraf een rijtje onderwerpen. Dat is voor de reis- en verblijfkosten. Tijdens de reis doe ik andere ideeën op, waarmee ik het geheel rendabel maak.”

Minstens twee keer per jaar bezoekt Pasterkamp de Verenigde Staten. Dit jaar misschien nog wel vaker, want voor eind januari stond opnieuw een bezoekje gepland. „Dat is op persoonlijke uitnodiging van Lockheed Martin, de bouwer van de F-35.”

Glimmen

Zijn liefde voor het grote land aan de andere kant van de oceaan zit diep. Hij had er graag willen wonen. Eén keer was het bijna zover. „Dat was in 1990, toen ik voor de eerste keer voor het RD een reportage maakte over het tekort aan leerkrachten op reformatorische scholen in de VS en Canada. Ik logeerde in Lethbridge bij de secretaris van het schoolbestuur. Toen hij hoorde dat ik uit het onderwijs afkomstig was en dat ook mijn vrouw lesgeeft, begonnen zijn ogen te glimmen. Hij bood me ter plekke voor ons allebei een baan, een woning, een auto en vrije overkomst. Ik was helemaal weg van het land en wist het wel. We hadden net een kind en konden nog gaan en staan waar we wilden. Maar mijn vrouw Jorien wilde niet, helaas. Als ze ja had gezegd, was het leven echt anders gegaan. Iedere keer als ik in Noord-Amerika kom, heb ik nog steeds het gevoel dat ik er wel zou willen wonen. Die ruimte en de manier van leven. Het is een prestatiemaatschappij, maar ergens trekt me dat wel. Dat je zelf verantwoordelijk bent. Mijn reizen van nu zie ik dan maar als een soort compensatie voor het niet doorgaan van de emigratie toen.”

Na de lagere school en de mavo volgde hij de havo in Emmeloord en ging daarna naar De Driestar. „Ik wist niet wat ik wilde, maar liet me door mijn vriend Klaas Visser, nu predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerken, overhalen om mee te gaan naar Gouda. Het was een geweldige tijd. We woonden drie jaar in het internaat. Ik heb er weinig geleerd en veel opgestoken. De vader van Klaas gaf ons in de auto in plat dialect raad, toen we voor de eerste maal op weg waren naar Gouda: „Zorg dat je er een diploma haalt en een vrouw vindt.”” Pasterkamp, die later met zijn klasgenote Jorien van der Knaap in het huwelijk trad: „Ik heb aan beide eisen voldaan.”

Uit wat voor soort gezin kwam u?

„Ik heb vier broers. Vader werkte bij gemeentewerken in Urk, mijn opa Riekelt was visser. We gingen vroeger naar de gereformeerde Bethelkerk. Het optreden van professor Kuitert en dr. Wiersinga veroorzaakte in 1975 een scheuring. Ik zie het nog voor me. Een deel van de kerkleden stond op en verliet het gebouw. Met vader ging ik mee naar de zogenaamde dolerenden, die dan weer hier en dan weer daar van een gebouw gebruikmaakten. Later is daaruit een van de christelijke gereformeerde kerken ontstaan. Ik heb bij ds. J. Westerink belijdenis gedaan. Moeder is altijd bij de gereformeerde kerk gebleven. Vader is in november 2013 overleden, mijn moeder leeft nog en woont in Urk in het oude dorp.”

U bent een echte Urker, maar toch ook weer niet helemaal. Hoe zit dat?

„Met mijn vrouw ben ik na onze Driestartijd meegegaan naar de gereformeerde gemeente van Berkenwoude. Ik trouwde met „een vreemde” en ging elders wonen. Daarmee word je in zekere zin een buitenbeentje. Maar ik kom nog steeds graag op het voormalige eiland. Mijn vader werd regelmatig aangesproken op mijn artikelen. Ook nu merk ik een zekere trots bij sommigen als het gaat om de programma’s die ik presenteer. Ik spreek het dialect, verloochen mijn afkomst niet en hoor er toch een beetje bij. Maar ik zou er niet willen wonen. Dat ben ik ontgroeid.”

De pedagogische academie was eigenlijk niet aan u besteed.

„Dat klopt. Ik heb maar korte tijd voor de klas gestaan en had het al snel gezien. Ik voelde me opgesloten in een rooster. Je weet bij wijze van spreken precies wat je volgende week donderdagmiddag om twee uur moet doen. Dat wil niet zeggen dat ik met tegenzin terugblik op die tijd. Ik heb op school en ook op de Driestar geleerd om voor groepen te staan. De Driestar komt overigens regelmatig in mijn leven terug. Ik heb meegewerkt aan een magazine dat verscheen bij de afbraak van het oude internaat. In september 2019 verschijnt er een glossy bij het 75-jarig bestaan van de Driestar.”

Al snel volgde het RD. Waarom?

„Het leek me prachtig om letterlijk bij bepaalde nieuwsgebeurtenissen vooraan te staan. Om vervolgens via het woord mensen het gevoel te geven dat zij er ook een beetje bij zijn. Ik holde vroeger al achter sirenes aan en hield van spannende dingen.”

U wilde eerst niet verhuizen naar Apeldoorn...

„Nee, ik heb er nooit van gehouden om gedwongen dingen te doen. Ik heb het daarom enkele jaren weten te rekken. Achteraf niet zo belangrijk, maar het zegt misschien wel iets over mij. Ik heb een drang naar onafhankelijkheid.”

Over spannende zaken had u niet te klagen.

„Ik werd aangenomen als redacteur economie. Mijn tegenwerping dat ik daar geen verstand van had, werd weggewuifd. De lezer heeft dat ook niet, werd me gezegd. Ik heb dat korte tijd gedaan, ben daarna onderwijsredacteur geworden en kwam vervolgens op de redactie binnenland. Daar kreeg ik als pakket Defensie, veiligheid en niet te vergeten de Nederlandse Antillen. Op de Antillen ben ik meerdere malen geweest. Defensie bood veel mogelijkheden om allerlei ideeën uit te voeren. Het waren gouden jaren.”

Hoezo gouden jaren?

„Het ging goed met de krant. Er kon veel. En als ik een idee in m’n hoofd had, zocht ik altijd een uitweg bij het uitvoeren van een idee. Direct na de aanslag op de Twin Towers wilde ik graag naar de VS. Dat kon niet voor het RD. Toen heb ik de hoofdredacteur van Terdege een uitgewerkt voorstel voor een reportage voorgehouden. Enkele weken na de gebeurtenissen was ik in New York. Het RD stuurde later alsnog een eigen fotograaf. Het was er nog steeds chaotisch. De fotograaf en ik zijn tussen de bouwvakkers meegelopen. Zo stonden we in de nog lang niet opgeruimde krater. Bizar dat het kon, maar het gebeurde wel. En het was zo indrukwekkend dat ik er nog vaak aan moet terugdenken. Ik was eerder bovenin die torens geweest. Allemaal mensen en mensenwerk, in één klap weggevaagd.”

U hield het twintig jaar vol. Te lang gaf u aan. Waarom?

„Ik geef af en toe gastcollege op de Christelijke Hogeschool Ede. Daar houd ik de studenten journalistiek voor dat ze, als ze ooit voor zichzelf willen beginnen, eerst vijf tot tien jaar bij een krant of omroep moeten werken. Om het vak te leren. Overigens is het freelancebestaan in de meeste gevallen niet eenvoudig en verdient maar een kleine groep een fatsoenlijke boterham. Ik heb achteraf geconstateerd dat ik veel eerder had moeten weggaan bij het RD. Het gaf me de vrijheid die ik al lang wenste. Ik ben geen teamplayer.”

Onafhankelijk en geen teamplayer. Ook een einzelgänger?

„Nee, dat zeker niet. Ik houd ervan om te netwerken. Bij presentaties loop ik graag de zaal in om mensen aan het woord te laten of iets te laten zeggen. Ik ben sterk afhankelijk van m’n netwerk. Mijn contacten zijn persoonlijk, niet voor een krant of zender. Ik bezoek zelfstandig bepaalde bijeenkomsten, zonder opdracht. Dat dat kan, is een unicum in de freelancewereld. Ik voel me echt gezegend.”

Het presenteren lijkt u aangeboren. Is dat zo?

„Ik heb niet veel gêne, het ging eigenlijk vanzelf. Eerst bij het RD waar ik, samen met Dirk van Voorthuijsen, de toenmalige beursmanager van Wegwijs, de quiz Ring & Talk bedacht waarbij de antwoorden een cijfercombinatie vormden die een mobiel nummer weergaven. Wie als eerste het nummer belde, had bijvoorbeeld een fiets gewonnen. Die quiz was razend populair. Ik heb voor presenteren geen opleiding gevolgd, maar wel bepaalde tactieken en handigheidjes aangeleerd. Sommige mensen denken dat het vrij simpel is, maar niets is minder waar. Je moet je in de meeste gevallen grondig voorbereiden en verdiepen in het onderwerp dat aan de orde komt. Denk maar een debat over windmolens of een discussie over embryoselectie.”

U blijft altijd uzelf?

„Dat denk ik wel. Ik ben van mezelf redelijk uitgelaten en joviaal en ga geen rolletje spelen. Maar als het voorbij is, kan ik echt genieten van de rust en het ontbreken van poespas. Dan mag ik graag weer een artikel schrijven. Ik verdien m’n geld met woorden, gesproken of geschreven.”

Presentator of schrijver?

„Wie niets te zeggen heeft kan altijd nog gaan schrijven, zo luidt een uitdrukking. Ik praat èn presenteer graag. Maar in mijn hart ben ik toch vooral journalist.”

U sprak in de loop der jaren tal van bekende personen. Wie zou u nog eens graag aan de tand voelen?

„Mark Rutte. En Andries Knevel. Verder, ik weet dat dat onmogelijk is, maar toch: de jonge Bush. Tot op heden ben ik in de VS niet verder gekomen dan een senator. Ik heb wel het Witte Huis vanbinnen gezien.”

Hoe kon dat?

„Rond Pasen worden er in de tuin eieren verstopt. Mensen mogen die gaan zoeken, daarvoor is een beperkt aantal kaarten beschikbaar. Wat velen niet weten: op de ochtend zelf worden er nog 200 kaarten verstrekt. Ik ben in alle vroegte in de rij gaan staan, ben helemaal doorgelicht en heb een kaart bemachtigd. Ook president Obama liep er toen in levenden lijve rond.”

Wat zijn de belangrijkste activiteiten van uw bedrijf?

„Ik maak nieuwsbrieven en magazines voor de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) en werk voor verschillende kranten en tijdschriften, zoals het RD, ND en het magazine Weet. Voor het Hoornbeeck College organiseer ik jaarlijks een debatwedstrijd en voor bijvoorbeeld de RMU ben ik actief op beurzen. Daarnaast presenteer ik voor de Reformatorische Omroep en werk mee aan een nieuwsprogramma van Family7, de christelijke familiezender van Nederland. Ik merk dat mijn bekendheid daardoor verbreedt. Bij de Mars van het Leven werd ik aangesproken door luisteraars van de RO, maar ook door mensen die me op Family7 hebben gezien. Bij de mars lopen vertegenwoordigers uit die twee werelden samen op. Helaas worden binnen de reformatorische wereld bepaalde verschillen nog maar al te vaak breed uitgemeten. Dan denk ik: Als we het met elkaar eens zijn dat we hier geen blijvende stad hebben, waarom zouden we de eenheid dan al niet hier belijden en daarnaar staan?”

Evangelische en reformatorische mensen zouden meer samen moeten doen?

„Zeker. Ik zou graag zien dat ze nauw gingen samenwerken: het RD, Family7, de RO en Groot Nieuws Radio. Allemaal voor een verschillende achterban. Wat mij betreft is er ook een eenheid. Een eenheid in Christus.”

Ging het starten van een eigen onderneming gemakkelijk?

„Ik had gedacht dat ik vooral zou gaan leven van het schrijven van artikelen. De eerste zomer was moeilijk. Ik had niet gedacht dat mijn werkzaamheden in die tijd zo hard zouden teruglopen. Daarnaast moesten m’n klanten die ik al had, zoals verschillende organisaties, wennen. Kwam ik eerst voor een boekenbon of een bos bloemen, nu werd er serieus geld gevraagd. Een aantal viel af, maar er kwamen andere bij. Bovendien is de Belastingdienst de eerste die op de stoep staat om je te feliciteren. Het komt je echt niet zomaar aanwaaien. Ik denk dat ik nu wat minder verdien dan in loondienst. Maar dat wordt volop goed gemaakt door de vrijheid die ik heb om zelf ideeën te ontwikkelen en uit te werken. Het presentatiewerk en leiden van debatten liep harder dan ik had verwacht. Ik had daarbij ook profijt van m’n markante uiterlijk en gedrag. Dat is min of meer m’n handelsmerk geworden.”

Leg dat eens uit.

„Ik stap gemakkelijk op iedereen af, heb een flink postuur en een bijzondere kin. Als ik in het begin het podium beklom, zag je al direct het publiek besmuikt lachen. Ik weet nog dat ik ooit op de Driestar voor een zaal stond en direct instak met: ik weet dat ik een forse kin en een fors postuur heb, en voor wie het niet weet: ik ben een Urker. Dan ben je alles voor. Ik ben m’n uiterlijk steeds meer in mijn voordeel gaan gebruiken.”

U kwam in tal van landen: in de Verenigde Staten, op de Antillen, voor Defensie in gebieden waarin Nederlandse militairen actief waren. Wat blijft haken?

„Voor de stichting Bonisa Zending ben ik verschillende keren in China geweest. Ik had niet direct een klik met dat land, maar heb het toch gedaan. En dan kom je daar in een huisgemeente. Je verstaat niemand, maar begrijpt wel wat ze zingen. En je voelt verbondenheid, eenheid in Christus. Heel wonderlijk.”

Voor de RO presenteert u een programma over pastorale vragen. Past dat bij het beeld van een presentator die fluitend door het leven gaat?

Voor het eerst valt er even een stilte. Bedachtzaam: „Dat is een buitenkant. Zeker de laatste jaren ben ik bepaald bij een reeks ingrijpende gebeurtenissen in mijn directe omgeving en vriendenkring. Dat heeft me stilgezet en sinds die tijd ben ik ook selectiever met mijn keuzes voor werkzaamheden. Het gaat niet alleen om het vermaak.”

Kunt u daar meer over vertellen?

„Het begon eind 2013 toen mijn vader overleed. Hij was 82 jaar. Ik werd gebeld dat ik moest komen, maar voordat ik in het ziekenhuis arriveerde, was hij al overleden. Een jaar daarna werd een goede collega van dagblad Trouw, met wie ik bij Defensie vaak naar het buitenland ging, ongeneeslijk ziek. Kort daarna stierf hij. Hij was rooms-katholiek. We hadden vaak gesprekken van hart tot hart, ook nadat we eens in een militair transportvliegtuig boven Uruzgan beschoten bleken te zijn, over de bewarende hand van God. Ruim twee jaar later werd m’n vroegere RD-collega Evert van Dijkhuizen ernstig ziek. Ik heb hem vlak voor zijn overlijden nog opgezocht. Evert was een leeftijdgenoot, we zijn in dezelfde maand geboren. Op zijn begrafenis sprak ds. W. Visscher. Laat u met God verzoenen, zei hij. Dat sloeg bij mij naar binnen. Ik kon niet verder als alleen maar een grappende kerel.”

Ook in de directe familie was er een sterfgeval, begreep ik.

„Afgelopen zomer overleed een schoonzus van ons, Jeltje Pasterkamp-ter Beek, 48 jaar oud. Ze heeft me op haar ziekbed nog ernstig gewaarschuwd. Van haar overlijden ging een sprake uit. Enkele maanden na haar sterven hadden we in de kerk Heilig Avondmaal. De preek ging over de verloren zoon. Toen kon ik niet meer in de bank blijven zitten. Voor de eerste keer in m’n leven.”

Wat betekent dat voor uw werk en leven?

„Ik wil de verandering in m’n levenswijze graag tot uiting brengen. Met de gaven die mij gegeven zijn op de plaats waar ik ben gesteld, Zijn Naam grootmaken. Ik word bemoedigd als er reacties zijn van luisteraars of kijkers van de RO en Family7 dat ze door een bepaalde uitspraak of een programma bemoedigd zijn of de week weer in kunnen. Natuurlijk moet ik mijn afspraken nakomen, maar ik vind vooral bevrediging in zaken waarin het mogelijk is in Zijn Koninkrijk bezig te zijn. Door het werk bij de omroepen. Of door bijvoorbeeld vrijwilligerswerk te doen in Bethlehem, in een huis voor in de steek gelaten meervoudig gehandicapte kinderen. Zoiets spreekt mijn vrouw en mij bijzonder aan. We hebben ons opgegeven om bij gezondheid komende zomer enkele weken daar te gaan helpen.”

beeld RD, Anton Dommerholt

Riekelt Pasterkamp

Riekelt Pasterkamp (1962) wordt geboren in Emmeloord en groeit op in Urk. Hij volgt de opleiding tot onderwijzer, werkt kort in het onderwijs en stapt in 1987 over naar het Reformatorisch Dagblad. In 2009 begint hij voor zichzelf, als freelance journalist en presentator. Hij werkt voor kranten en tijdschriften, leidt debatten, is dagvoorzitter, geeft gastlessen en presenteert programma’s voor de Reformatorische Omroep en Family7. Pasterkamp is aangesloten bij de gereformeerde gemeente in Apeldoorn, is gehuwd en heeft drie kinderen.