Rechter Vergunst: Ik word droevig van SGP-voorstel over gebedsoproepen

Christenjurist
Mr. D. Vergunst. Beeld André Dorst
2

Tegenover de buitenwacht springt hij in de bres voor reformatorisch Nederland. Binnen die gereformeerde gezindte signaleert hij een gebrek aan moed om „serieuze debatten te voeren over lastige onder­werpen.” Mr. Dirk Vergunst (59), rechter in Gelderland: „Ik moet in mijn functie geen geestelijke praatjes gaan houden, maar soms komt het er toch een beetje van.”

„Wat is het vandaag een verschrikkelijke dag”, valt mr. Vergunst voor aanvang van het vraaggesprek met de deur in huis. Het is de woensdag dat in Nederland bekend is geworden dat Donald Trump is verkozen tot president van Amerika. „Die man lijkt een grofgebekte narcist. Ik weet dat veel Amerikanen zich zorgen maken. Zorgen over terreur, afgedankte fabrieken, de groeiende kloof tussen arm en rijk. Maar is Trump de juiste man om deze problemen op te lossen? Tot dusver hoor ik uit zijn mond alleen grofheden en holle retoriek. Of vinden jullie bij het Reformatorisch Dagblad het prima dat hij de nieuwe president wordt?”



Zoveel is duidelijk: Vergunst is er de man niet naar om de reformatorische kring naar de mond te praten. Liever prikkelt en kritiseert hij de gereformeerde gezindte. Waartoe hij behoort en die hem dierbaar is. Zijn vader, ds. A. (Arie) Vergunst (1926-1981), was predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten.



Mr. Dirk Vergunst bekleedt sinds 1993 het ambt van rechter. Binnen de rechtbank Gelderland leidt hij de civiele afdeling, waar 350 mensen werken. Civiel recht betreft geschillen over erfenissen, echtscheidingen, contracten, aansprakelijkheden, ongevallen.



SGP-nest 



Binnen de magistratuur is hij een van de weinigen van reformatorische snit. „Ik maak er geen geheim van dat ik uit een SGP-nest kom. Maar ik loop niet te evangeliseren. Daar ben ik niet zo sterk in. Als een collega vloekt, zeg ik weleens: „Hé, geloof jij ook in God?” Dan is de reactie natuurlijk: „Sorry, jij bent gelovig.”



Ondanks zijn sympathie voor de SGP kan Vergunst met sommige standpunten in die partij niet uit de voeten. „Ik heb er fundamenteel bezwaar tegen dat de SGP zich beroept op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin wordt opgeroepen valse godsdiensten te weren. Het theocratische artikel 36 mist een goede Bijbelse fundering. Paulus roept de Romeinse keizer nergens op heidense tempels te sluiten. Noch Daniël, noch de eerste christenen wilden buigen voor afgodsbeelden, maar ze beletten dat anderen nooit.”



Wat vindt u van het recente SGP-voorstel om een eind te maken aan gebedsoproepen vanaf moskeeën? 



„Ik word er droevig van. Gun elkaar vrijheid. We leven in een pluriforme samenleving, waar praktiserende gelovigen een minder­heid zijn. Joden, moslims en christen zijn theïsten: ze geloven in één opperwezen. Die gezamenlijke oriëntatie en zoektocht geeft voor mij een zekere lotsverbondenheid. Alleen daarom al moet de SGP zo’n voorstel niet doen. Daar komt bij dat nu ook het luiden van kerkklokken onder vuur kan komen te liggen. Ver­velend neveneffect daarbij is dat nu ook het luiden van kerkklokken ter discussie wordt gesteld.”



Toch zou zo’n SGP-voorstel voort kunnen komen uit de diep­gewortelde wens dat Gods eer bevorderd moet worden én dat je islamisering van de samenleving beter in de kiem kunt smoren. 



„In een gesprek kun je moslims wijzen op de bevrijdende boodschap van het Evangelie. Maar dat is geen overheidstaak. Het bestrijden van enig geloof al helemaal niet. Bovendien valt er niets in de kiem te smoren. Ook de miljoen moslims in dit land hebben het recht hun geloof te belijden.



Ik kan wel begrijpen dat mensen zich ongemakkelijk voelen bij de gebedsoproep ”Allahoe akbar”: Allah is groot. Onder het roepen van die woorden maken verblinde terroristen vele slachtoffers. Moslims moeten we echter niet vereenzelvigen met extremisten – die vinden we in elke ideologie en religie. Ga in gesprek als zo’n gebedsoproep tot onrust leidt. Probeer er met elkaar in redelijkheid uit te komen.



Tegen SGP-leider Van der Staaij zei ik ooit: Richt je op andere onder­werpen dan de bestrijding van de islam. Wees een hoeder van de rechtsstaat, bescherm minderheden. Zet je daarom bijvoorbeeld in voor blijvende bekostiging van het bijzonder onder­wijs, van welke signatuur dan ook. Verzet je tegen het recht van de sterkste, in politiek en economisch opzicht.”



Vergeven 



Onafhankelijkheid van rechters is cruciaal, benadrukt Vergunst. „Ik zit niet bij de rechtbank om Gods recht te waarborgen. Ik moet zonder aanzien des persoons rechtspreken. Net als mijn collega’s. Het mag niet uitmaken of een rechter PvdA of VVD stemt.”



Toch is een rechter geen robot. In zijn werk speelt zijn levensbeschouwing in zekere zin mee, geeft Vergunst aan. „Tegen strijdende partijen zeg ik soms: „Vroeger zou meneer de pastoor of de dominee jullie hebben aangesproken op vergevingsgezindheid. Kunnen we niet eens proberen in die geest een oplossing te zoeken?”



Ik moet als rechter geen geestelijke praatjes houden, maar soms is er toch een spirituele verbinding. Ooit bezocht ik thuis een stervende man. Ik moest een juridische kwestie afhandelen in verband met de zorg voor zijn verstandelijk gehandicapte zoon Jan. Ik vroeg de oude man naar diens naderende levenseind. Hij wees naar zijn zoon. „Jan, waar gaat papa heen?” Die antwoordde met luide stem: „Naar de hemel. Mama ook.”Dat was een teer moment van herkenning.”



„En dat vermoorde meisje, ach, dat is al bij Hem in de hemel, dat is mijn hoop”

De gebrokenheid van het leven manifesteert zich soms op ten hemel schreiende wijze. „Tijdens mijn opleiding moest ik als officier van justitie de rechtbank adviseren over verlenging van de tbs voor een man van in de veertig. Hij was veroordeeld voor een ernstig zedenmisdrijf. Toen ik de gruwelijke details las, dacht ik: Die man mag nooit meer vrijkomen. Hij had een meisje van 7 van straat geplukt en op weerzin­wekkende wijze omgebracht.



Ik heb foto’s gezien van dat kleine wijfie. Om te janken. Maar toen ik de tbs’er in levenden lijve ontmoette, was ik verward. Het was iemand met een sympathieke uitstraling. Deze man was zelf een gebroken mens. Van jongs af aan seksueel misbruikt door zijn ouders. Stukgemaakt vanbinnen. Agressie en angsten kropten zich tientallen jaren op en waren tot explosie gekomen. Uiteraard praat ik daarmee zijn gruweldaad niet goed.



Maar ik ben er wel van overtuigd dat God ook tegen zo’n man zegt: „Kom jij maar bij Mij, ook voor jou is er vergeving.” En dat vermoorde meisje, ach, dat is al bij Hem in de hemel, dat is mijn hoop. De tbs van de dader werd verlengd. We vonden het niet verantwoord hem vrij te laten.”



Voltooid leven 



In onder meer christelijke kring leeft verzet tegen kabinetsplannen om euthanasie mogelijk te maken voor ouderen die hun leven voltooid achten.



Stel dat dergelijke wetgeving er komt. Zou u als hoeder van de wet én als christen in gewetensnood komen? 



„Ik weet dat niet. Het debat hierover is nog in volle gang. Als rechter heb ik geregeld moeten beslissen in zaken over gedwongen opnames in psychiatrische ziekenhuizen. Ik heb ernstig misbruikte, psychisch zieke meisjes voor me gehad. Ze kijken je met ‘dode’ ogen aan. Je wilt hen zo graag helpen, maar bereikt hen niet. Hun smeekbede: „Laat me gaan, ik kan niet meer, ik wil niet meer.” Ik heb dan geen grote woorden meer.



Ooit moest ik een beslissing nemen over een man met de ziekte van Huntington. Een akelige ziekte: mensen gaan eerst rare, ongecontroleerde bewegingen maken en verliezen uiteindelijk hun verstand. De man vroeg: „Hef de gedwongen opname op. Zodat ik het leven kan verlaten, voordat ik gek word.” Zijn vrouw zat erbij. Die twee hielden zielsveel van elkaar. Toch was de man van haar gescheiden, om haar niet tot last te zijn. Zij verzette zich: „Ik heb je lief, ondanks alles.” Naar de wet moest ik de gedwongen opname van de man laten voortduren. Hij was immers een gevaar voor zichzelf. Vanbinnen ervoer ik strijd: mag je als mens het leven in eigen hand nemen, of is die beslissing aan onze Schepper? Mag je hem laten gaan? In zo’n situatie gaat bij mij de hand op de mond. Wie ben ik, wie zijn wij, om over de doodswens van zo’n mens te oordelen?”



Stel dat u iemand moet berechten die op godslasterlijke wijze christenen zou hebben beledigd. Lastig? 



„In ieder geval zou ik zo’n verdachte willen vragen: Beseft u wel dat u mensen diep kwetst? Maar het zou kunnen dat ik de verdachte, bijvoorbeeld vanwege de vrijheid van meningsuiting, toch zou vrijspreken.”



„Tegen mensen in reformatorische kring zou ik willen zeggen: heb de morele moed om het leven in al zijn gecompliceerde facetten tegemoet te treden.” beeld André Dorst

In een enkel geval probeert rechter Vergunst „collega’s te helpen” om hun kennis over de reformatorische kring te vergroten. „Bart van U. heeft in 2014 op gruwelijke wijze oud-minister Borst, voorvechtster van euthanasie, en in 2015 zijn eigen zus doodgestoken. Toen die zaak in de publiciteit kwam, heb ik als voorzitter van een landelijk overleg van persrechters mijn collega-voorlichters op Van U.’s reformatorische achter­grond gewezen. Zodat ze zich konden voorbereiden op mogelijke vragen daarover. Van U. is natuurlijk geen reformatorische variant van een IS-terrorist. De man is helaas ernstig psychisch ziek.”



In 1996 betoogde u in deze krant dat predikanten in reformatorische kring soms ver van de dagelijkse strijd in de maatschappij staan. 



„De sfeer in reformatorische kerken is vaak naar binnen gericht. In mijn eigen kerk­verband, de Gereformeerde Gemeenten, is een volwassen debat over de prediking niet mogelijk. In de rechterflank van de reformatorische kring ontbreekt het predikanten aan moed om serieuze debatten te voeren over gevoelige onderwerpen. Neem het inenten. Mijn ouders hebben ons als kinderen niet laten vaccineren. Pa had daartoe geen vrijmoedigheid, maar hij liet anderen vrij in hun keuze . Voor zo’n zienswijze heb ik respect. Tegelijkertijd was hij in zijn standpunt verre van consistent en liet hij doorschemeren dat zijn afwijzing van vaccinatie mede was ingegeven door het feit dat zijn ouders hun kinderen óók niet hadden ingeënt.



Mijns inziens is er echter niets mis met vaccinatie. Je mag ten volle gebruikmaken van de middelen die God geeft, we moeten het zelfs. Vaccinatie heeft miljoenen mensenlevens gered. Toch hoor ik bijvoorbeeld predikanten soms op een bizarre manier spreken over inenten. In de trant van: „Gods ware volk laat zich niet inenten.” Onverantwoordelijk, vind ik dat.



Ander voorbeeld: de evolutie­theorie. Binnen grote delen van de gereformeerde gezindte is het motto: Gods Woord is de volle waarheid. Zodra de evolutie­theorie in beeld komt, wordt er een scherm naar beneden gerold. Maar dan vraag ik me af: zijn al die wetenschappers die de evolutietheorie onderschrijven dan door de duivel gedreven? Dat zeggen we toch ook niet van ongelovige academici die vliegtuigen ontwerpen? Of van seculiere artsen aan wie we onze levens toevertrouwen?



Anderzijds: tegenover aan­hangers van de evolutietheorie keer ik de zaak ook weleens om. Als dan die evolutietheorie klopt, geldt dan in wezen niet het recht van de sterkste? Wat is er dan in principe mis mee als een man een ander doodt, om geld, een vrouw of wat ook? Toch protesteert ons hart daartegen. Heeft dat alleen maar te maken met moleculen?



„Soms verlang ik ernaar altijd bij Hem te zijn, in Zijn Koninkrijk”

Tegen mensen in reformatorische kring zou ik willen zeggen: heb de morele moed om het leven in al zijn gecompliceerde facetten tegemoet te treden. Doordenk de vragen en plaats ze in de rijke bedding van de christelijke traditie. Het kan ons dichter brengen bij de kern van het Evangelie. God Die ons liefheeft als we ons met onze lege handen tot Hem wenden. Niemand heeft Hem ooit gezien, maar Hij blijft in ons als we elkaar liefhebben. Al het andere is bijzaak.”



U merkt als rechter dat mensen geneigd zijn tot alle kwaad? 



„Ja, ook als ik kijk in mijn eigen hart. Hoe ik het eigen ik op de voorgrond stel en vervuld kan zijn van naijver. Als ik bijvoorbeeld merk dat andermans karakter edeler en evenwichtiger is dan het mijne. Of dat mijn talenten in het niet vallen bij die van een ander.



Met vader spraken we vroeger ook over dit soort zaken. Kernvraag is: kies je voor jezelf of voor de ander? Mijn vader legde ons dan de vraag voor: „Stel dat ik in de Tweede Wereldoorlog als bewaker was ingezet in een concentratiekamp. Zou ik dan hebben meegeholpen de Joden de gas­kamers in te duwen?”



„Nee pa”, zeiden we dan in onze kinderlijke onschuld. We keken tegen hem op, hij was een liefdevol mens. Vader zei dan: „Ik weet dat niet.” Zo’n antwoord leerde mij om maar niet te snel over anderen te oordelen. Op weg naar school kwam ik langs een oorlogsmonument in Sleeuwijk, in het Land van Heusden en Altena. Dan dacht ik aan Jan de Rooij, op 6 januari 1945 op 21-jarige leeftijd gefusilleerd. Hij seinde informatie door naar de geallieerden. De Duitsers vonden zijn radiozender en dreigden gijzelaars dood te schieten. Jan meldde zich en gaf vrijwillig zijn leven voor anderen. Wat een morele moed! Van zo’n verhaal word ik stil. Het weer­spiegelt iets van de dood van Jezus, Die stierf voor vijanden. Soms verlang ik ernaar altijd bij Hem te zijn, in Zijn Koninkrijk. Verlost van al mijn twijfels en mijn eigen ik. Een tempel of kerk zal er niet meer zijn. God zal wonen in ons midden, de mensenkinderen.”



Dit is het eerste deel in een serie vraaggesprekken met christenjuristen. Volgende week woensdag deel 2. 



 



„Koning David pleegde zo’n minne moord”



1. Welk boek spreekt u aan?



„Ik las onlangs van de eerdere paus Benedictus de trilogie ”Jezus van Nazareth”. Eerlijk, niet angstig, beziet hij de resultaten van de Schriftkritiek. Om vervolgens Hem te beschrijven als de Christus van de Schriften. Prachtig.”



2. Welke Bijbeltekst heeft voor u bijzondere waarde? 



„Een passage uit het geboorteregister van Jezus in Mattheüs 1: „En David, de koning, gewon Salomon bij degene die Uria’s vrouw was geweest.”



Uria: de man die ervan afzag om in oorlogstijd bij zijn vrouw te slapen. Omdat hij paraat moest staan.



David: een rijke, machtige koning, man van vele vrouwen. Die niet eens de moed had om naar buiten te rennen en Uria overhoop te steken. Nee, Uria mocht een brief meenemen voor generaal Joab: „Zet hem vooraan in de strijd, zodat hij sneuvelt.” David pleegde zo’n minne moord. We zouden zeggen: hij was 100 procent toerekeningsvatbaar, des doods schuldig. Waar is op zo’n moment onze Heer?



Vele eeuwen later tref je dan ineens Uria’s naam aan in het eerste hoofdstuk van het Nieuwe Testament. God laat ons als het ware weten: „Uria is in lijden ten onder gegaan. Ik zie het kwaad, maar Ik zal recht doen, op Mijn tijd.” Ik vind dat zo bemoedigend. Het lijden in deze wereld kunnen we niet verklaren, maar God weet er kennelijk van.”



3. Welke leider waardeert u? 



„Scheidend president Obama van Amerika. Tegenbeeld van Trump. Indrukwekkend hoe hij in 2015 optrad te midden van zijn zwarte landgenoten in de Amerikaanse stad Charleston. Niet te groot om het lied ”Amazing Grace” aan te heffen bij de herdenking van de slachtoffers van een terreuraanslag. Nee, ik geloof niet dat hij dat moment heeft geregisseerd. Ik weiger cynisch te worden.



Onlangs las ik de Preek van de Leek van Rutte. Mooi om te zien dat hij inspiratie zoekt in Christus. Dat zou iedereen moeten doen, gelovig of ongelovig. Ik noem verder SGP-leider Van der Staaij. Een authentieke man die op integere wijze politiek bedrijft.



Diep respect heb ik voor Abraham Lincoln, de zestiende president van de Verenigde Staten. Indrukwekkend is zijn tweede inaugurele rede op 4 maart in 1865. Een paar weken daarna werd hij vermoord.”



 



Serie Christenjurist, aflevering 1



Naam: mr. Dirk Vergunst (59).



Functie: rechter in Gelderland.



Nevenfuncties: Vergunst had en heeft zitting in diverse besturen en beklagcommissies van reformatorische organisaties, op het terrein van onderwijs, zorg en ontwikkelingswerk. Bijvoorbeeld bij Woord 
en Daad en De Vluchtheuvel (hulporganisatie die uitgaat van de Gereformeerde Gemeenten).



Kerkverband: Gereformeerde Gemeenten (te Apeldoorn).



Burgerlijke staat: gehuwd met Ina Moens. Ze hebben vier kinderen en vijf kleinkinderen.



----



Vertaling van de toespraak van Abraham Lincoln (vertaling: Anton Stam, neerlandicus)

Tweede Inaugurele Rede van Abraham Lincoln uitgesproken in Washington, D.C. op 4 maart 1865