Psychiater Aram Hasan: dromen van hulp verlenen in Syrië

Psychiater Aram Hasan. beeld RD, Henk Visscher

Als student geneeskunde belandde hij in Syrië in de gevangenis. Nadat hij het land ontvluchtte, vroeg Aram Hasan in 1999 in Nederland asiel aan, waarna hij de opleiding psychiatrie volgde. Recent trainde hij medewerkers in vluchtelingenkampen in Noord-Irak. „Zeker nu het oorlog is in Syrië, ben ik in gedachten veel daar.”

In de vroege ochtend bijna 6 kilometer lopen naar de dichtstbijzijnde stad om op de markt 3 liter zelfgemaakte yoghurt te verkopen. Het is een van de herinneringen die Aram Hasan ophaalt als hij terugblikt op zijn jeugd in Hado, een dorp in het noordoosten van Syrië dat nu Rojava heet. „Het leven was er eenvoudig.”

Hasan vertelt zijn verhaal in een smal kantoor naast zijn hoekhuis in Bergschenhoek, waar zijn elektrische Opel Ampera op de oprit aan de oplader staat. Certificaten die hij behaalde op het terrein van de psychiatrie prijken aan de wand. Aan een kast hangt een klein vaandel met het Pax Christi-symbool, „gekregen van mensen uit de kerk, toen we in een azc zaten.”

Hasan groeide als oudste van vijf kinderen op in een Koerdisch gezin. Uit zijn jonge jaren herinnert hij zich dat vader studeerde om leraar te worden, terwijl moeder hard werkte op de boerderij. „Zij zorgde voor het inkomen. Mijn opa was hoofd van het dorp, dat naar hem was genoemd. Toen ik naar de middelbare school ging, verhuisden we naar de stad Hasaka. Mijn vader werd daar leraar geschiedenis.”

Speelde religie een rol in uw opvoeding?

„Nee. Mijn moeders familie was streng­islamitisch, maar mijn moeder zelf niet. Mijn vader, die uit een traditioneel-Koerdische familie komt, was meer humanistisch. Ik ben vrij opgevoed. Mijn vader was sterk gericht op een goede opleiding en het helpen van mensen.”

Waarom koos u voor de studie geneeskunde?

„Ik wilde in eerste instantie een opleiding voor apotheker volgen. Voor mijn studie zou ik naar Oekraïne gaan, maar de eerste twee jaar kreeg ik geen studievisum van de Syrische overheid omdat ik Koerd was. Toen ik uiteindelijk toch naar Oekraïne mocht, raakte ik geïnspireerd door artsen die ik op de universiteit op de Krim tegenkwam. Bovendien wilden mijn ouders graag dat ik arts zou worden.”

Als student zette u zich in voor mensenrechten. Waarom?

„Dat kwam voort uit frustratie omdat ik Syrië twee jaar niet uit mocht voor mijn studie. In die periode gaf ik les op basisscholen in kleine dorpen en maakte ik de bevolking bewust van mensenrechten. Vanwege die activiteiten werd ik een paar keer opgepakt door de politie, maar na korte tijd vrijgelaten. Toen ik later in Oekraïne studeerde, werd ik actief in een Koerdische vereniging die kritisch was over de Syrische staat.”

Hoe belandde u in Syrië in de gevangenis?

„Toen ik in 1997 vanuit Oekraïne voor familiebezoek naar Syrië kwam, werd ik bij aankomst op het vliegveld opgepakt en gevangengezet. Ik heb drie of vier weken vastgezeten in verschillende gevangenissen, waarschijnlijk op verdenking van activi­teiten tegen de staat.”

Wat bleef u vooral bij van de weken in detentie?

„Het ergste vond ik dat ik geboeid, met twee bewakers, van de ene naar de andere plek werd gebracht. Vernederend. Ik was student geneeskunde, maar werd als crimineel behandeld. Een deel van de tijd zat ik met achttien man in een ondergrondse cel. Als er een bewaker door het raampje keek, moest iedereen gaan staan. Intussen zat ik in angst: wat zou er met mij gebeuren?

Na de eerste hoorzitting heeft mijn vader een grote borgsom betaald om ervoor te zorgen dat ik tot de tweede zitting uit de gevangenis mocht. Voordat de volgende zitting plaatshad, ben ik Syrië ontvlucht. Ik ben er nooit meer teruggekomen. Mijn vader heeft het daarna heel moeilijk gehad. Bijna een jaar lang moest hij eerst wekelijks en daarna maandelijks naar Damascus, waar hij door de autoriteiten werd verhoord. Hij raakte zijn baan kwijt en kreeg als straf geen pensioen. Ik help hem financieel.”

Waarom vluchtte u in 1999 vanuit Oekraïne naar Nederland?

„In Oekraïne maakte ik mijn studie geneeskunde af. Ik trouwde met een jezidisch-Georgische vrouw en we kregen een zoon. Aan het eind van mijn studie was er veel onrust in Oekraïne, waar ik ook aanliep tegen corruptie. Ik voelde me niet veilig, mede omdat de Syrische geheime diensten in Oekraïne actief waren. Toen mijn studievisum afliep, was terugkeer naar Syrië voor mij geen optie en zijn we gevlucht. Via een mensensmokkelaar kwamen we in Nederland terecht.

Het ergste vond ik dat ik mijn bibliotheek die ik in Oekraïne in zeven jaar had opgebouwd moest achterlaten. Ik had bijna duizend boeken over onder meer de Koerden en Syrië, maar ook Russische literatuur. Die bracht ik onder bij vrienden, in de hoop ze later terug te kunnen krijgen. Maar voordat ik in Nederland een verblijfsvergunning kreeg, waren al mijn vrienden Oekraïne al ontvlucht.”

Hoe ervoer u als pas afgestudeerd student het leven in een asielzoekerscentrum?

„We woonden in verschillende azc’s. In een van de centra zaten we in een soort caravans die tegen elkaar stonden. Ik hoorde dat in de kamer naast ons een man zijn vrouw elke dag mishandelde. Ik heb het tien keer tegen de bewakers gezegd, maar die reageerden dat ze niets konden doen als die vrouw zelf niet kwam klagen. Toen er uiteindelijk een crisis ontstond, kwam er niet één politieman, maar stonden er drie busjes met twintig agenten voor de deur. Dat soort dingen frustreerde me. Ik voelde me niet serieus genomen. Je hoeft asiel­zoekers niet op handen te dragen, maar negeer ze niet en behandel hen als mensen.”

Oosterlingen zijn gevoelig voor mensen die hen negeren

Hoe zag het dagelijks leven in het azc eruit?

„Als asielzoeker mocht je bijna niets, maar ik probeerde mijn tijd zo goed mogelijk te benutten door Nederlands te leren. Vrijwilligers uit de kerk hielpen asielzoekers met de taal. We hebben nu nog steeds contact met mensen die we kennen uit de tijd dat we in het azc Strijen zaten. Ook deed ik vrijwilligerswerk in de bibliotheek van een ziekenhuis en een verzorgingshuis.

Mijn eerste asielaanvraag werd afgewezen. Toen er een hoorzitting kwam omdat ik bezwaar maakte, zei ik tegen mijn advocaat: „Ik wil geen tolk”, want de tolk had veel fouten gemaakt en ik kon zelf na een jaar al behoorlijk Nederlands. Ik heb alle fouten uit het verslag van mijn eerste aanvraag gehaald en dat gecorrigeerd. Daarna kreeg ik, na drie jaar, een verblijfsvergunning.”

Nederland is mede gestempeld door de christelijke traditie. Hoe staat u daar­tegenover?

„Ik merk er niet veel van, behalve dat ik heb meegemaakt dat CDA en ChristenUnie een tijd in de regering zaten. Ook viel het me op dat mensen die ons vanaf het begin in Nederland hielpen allemaal christenen waren. Ik vond bij hen meer aansluiting dan bij wie dan ook, vooral omdat ze ons als mens behandelden.

In mijn leven speelt geloof geen rol. Vanuit mijn werk als psychiater bekijk ik religie –of het nu islam, christendom of iets anders is– van een zekere afstand. Zolang mensen iets geloven en hen dat helpt, vind ik het prima. Extremisme is niet acceptabel, want dat leidt tot problemen. Dat moeten we eerlijk benoemen.”

„Het viel me op dat mensen die ons vanaf het begin in Nederland hielpen allemaal christenen waren”

Voelt u zich na zeventien jaar thuis in Neder­land?

„Dat wisselt. Ik heb hier veel contacten en vrienden en mijn kinderen –onze dochter is hier geboren– zijn hier opgegroeid. Maar ik voel me niet echt Nederlander. Zeker nu het oorlog is in Syrië, ben ik in gedachten veel daar. Ik heb na het lopen van coschappen gekozen voor de psychiatrie en de opleiding daarvoor gedaan bij GGZ Delfland. Zowel daar als bij Centrum ’45 in Oegstgeest, waar ik nu werk, ben ik goed ontvangen.

Bij prof. Berthold Gersons volgde ik een opleiding voor traumaspecialist. Samen met hem ben ik bezig een behandelmethode voor mensen met posttraumatische stress toegankelijker te maken voor vluchtelingen en asielzoekers. Mijn droom is om ooit vanuit Nederland, met de kennis over psychiatrie die ik hier heb opgedaan, iets voor Syrië te kunnen betekenen.”

Eerder deze maand was u voor Psychiaters zonder grenzen in Noord-Irak. Wat trof u het meest?

„Ik heb Erbil, Sulejmani en Kirkuk bezocht. In alle vluchtelingenkampen ontbreekt psychische en mentale ondersteuning. Mensen die alles moesten achterlaten, familieleden hebben verloren en al bijna vijf jaar in zo’n kamp zitten, hebben nog nooit een psycholoog of psychotherapeut gesproken. Vreselijk. Vluchtelingen zijn boos en gefrustreerd over organisaties die een paar keer komen lesgeven of een programma verzorgen in het kamp, foto’s maken en daarna niet terugkeren. Ze hebben geen vertrouwen meer in wie dan ook. Er gebeuren in de kampen ook zaken die onacceptabel zijn: prostitutie en seksueel misbruik. Heel slecht.

Een van mijn broers zit nu in een vluchtelingenkamp in Irak. Hij is Syrië ontvlucht nadat hij drie jaar in de gevangenis had gezeten omdat hij tijdens zijn verplichte militaire dienst weigerde te schieten op demonstranten in Homs. Hij heeft last van post­traumatische stress.”

Wat kunt u voor mensen daar betekenen?

„Ik train regelmatig medewerkers in de kampen in het omgaan met getraumatiseerde personen en spreek als ik daar ben zelf vluchtelingen. Ik hoorde dat een dochter heel boos was op haar moeder. Na een lezing van mij kwam ze tot de conclusie dat haar moeders gedrag te maken had met posttraumatische stress en dat ze haar ten onrechte voor gek had verklaard. Dit geeft aan dat mensen al baat kunnen hebben bij een simpele uitleg over ziektebeelden.”

Bent u een rolmodel voor de duizenden Syrische vluchtelingen die de afgelopen jaren naar Nederland kwamen?

„Dat zal ik niet zeggen. Twee zaken zijn belangrijk: mensen moeten de mogelijkheid krijgen om te werken of studeren én zelf gemotiveerd zijn. Het is belangrijk dat ze het idee hebben: ik hoor bij dit land en er wordt in mij geïnvesteerd. Daarbij moet je zelf hard werken. Drie jaar bezig zijn met het leren van de Nederlandse taal, zoals nu vaak het geval is, vind ik te lang, behalve misschien voor mensen die nog nooit naar school zijn geweest.”

Een inwoner van Leiden of Lutjebroek krijgt Syriërs als buren. Waarmee doet hij hun het meest plezier?

„Ze zitten er niet op te wachten dat je aller­lei spullen komt brengen, maar hebben behoefte aan menselijk contact, hulp bij het leren van de taal, echte belangstelling en vriendschap. Oosterlingen zijn gevoelig voor mensen die hen negeren. Als ze het idee hebben dat ze niet welkom zijn, heeft dat een negatieve invloed.”

Wat is uw belangrijkste boodschap voor de staatssecretaris van Justitie?

„Ik pleit voor het versnellen van de asielprocedure zodat mensen niet te lang in onzekerheid zitten over hun toekomst. In het verleden heb ik toenmalig staats­secretaris Cohen van Justitie ontmoet. Toen we beiden een lezing moesten geven op een bijeenkomst ging ik naast hem zitten.” Lachend: „Ik zei tegen hem: „U had me wel wat eerder een verblijfsvergunning mogen geven.” Waarop hij zoiets zei als: „Het is mooi dat je uiteindelijk toch een verblijfsvergunning hebt gekregen.””

 

Levensloop Aram Hasan

Aram Hasan wordt in 1972 geboren in een Koerdisch gezin in Syrië. Hij studeert geneeskunde in Oekraïne. Vanwege problemen met het regiem in Syrië vlucht hij in 1999 naar Nederland. Hier volgt hij de opleiding voor psychiater. Hasan werkt bij Centrum ’45 in Oegstgeest, een landelijk centrum voor specialistische diagnostiek en behandeling van mensen met complexe psychotraumaklachten. Hij is medeoprichter van Psychiaters zonder grenzen en begon een expertisecentrum –CoTeam– op het gebied van de omgang met getraumatiseerde vluchtelingen. Hasan is getrouwd en vader van twee kinderen.