Oproepen tot jihad? Hoogleraar Maurits Berger doet het dagelijks

Een „exotische term” als salafisme „vervuilt” het islamdebat, vindt de Leidse hoogleraar Maurits Berger. Het creëert volgens hem een wereld die met de werkelijkheid weinig van doen heeft. Anders dan het grote publiek denkt, is het gros van salafisten niet onverdraagzaam of staatsgevaarlijk. beeld ANP, Phil Nijhuis
2

„En, gaat het nog wat worden met de islam?” Er passeert zelden een borrel, feestje of diner waarop Maurits Berger deze vraag níét hoeft te beantwoorden. De optimistische hoogleraar, voor wie het glas immer halfvol is, houdt voor de korte termijn zijn hart vast.

Mismoedig. Dat was de Leidse hoogleraar Maurits Berger toen hij na de „hete zomer van 2014” aanschoof voor een crisisoverleg met onder anderen drie ministers. Het was kort nadat Islamitische Staat een zogenaamd kalifaat uitriep, Israël Gaza de oorlog verklaarde en jongeren in de Haagse Schilderswijk met IS-vlaggen zwaaiden en antisemitische kreten riepen. Eerder dat jaar had Geert Wilders met zijn ”minder Marokkanen”-uitspraak de verhoudingen in de samenleving op scherp gezet. Tijdens het drie uur durende crisisoverleg „leken we weer terug bij af te zijn”, schrijft Berger. Dezelfde vragen, duidingen en oplossingen als in 2004, het jaar van de moord op Theo van Gogh, gingen over tafel. „Hadden we dan niets geleerd?”

Het zette de hoogleraar aan het denken. „We lijken de afgelopen tien, vijftien jaar nauwelijks te zijn opgeschoten met de islam in Nederland”, hield hij vervolgens zijn studenten voor. „Waar zou dat aan kunnen liggen, wat zouden we gemist kunnen hebben?” Zijn vorige maand uitgekomen boek ”De halalborrel” is het resultaat van een langdurig denkproces.

Kleuring

In de eerste paar hoofdstukken legt Berger de vinger bij de gebruikte termen in het islamdebat. „Niets is zo machtig als het woord”, doceert de hoogleraar. Hij is behalve arabist ook jurist en daarom is precies formuleren zijn tweede natuur. „In de woorden die we gebruiken om de leer van de islam of het gedrag van moslims aan te duiden, treedt makkelijk kleuring op.” Veelzeggend is dat Berger ooit tijdens een cursus journalisten uitdaagde om drie maanden lang de termen ”islam” en ”moslim” te vermijden in hun artikelen. „De aanduiding moslim beïnvloedt onze manier van denken”, constateert hij. „Het is een soortnaam geworden. Bij het horen van dat woord gaan er in de hoofden van mensen laatjes open, worden er allerlei beelden geactiveerd en ontstaan er misverstanden. De term moslim reduceert mensen tot aanhangers van een religie, terwijl toch niet alles wat ze doen islamitisch is?”

De vlag dekt ook lang niet altijd de lading, weet de hoogleraar. Hij wijst op het spellingsverschil tussen religieuze joden (kleine j) en etnische Joden (hoofdletter J). „Dat onderscheid zouden we ook moeten hanteren voor moslims, want degenen die niet zozeer religieus zijn maar zich wel cultureel verwant weten met het islamitisch erfgoed noemen zich eveneens moslim.” Zelf spreekt Berger bij voorkeur van islamitische en moslimse Nederlanders.

Dat het ertoe doet welke woorden er worden gebruikt en welke lading eraan wordt gegeven, komt aan bod in een hoofdstuk over statistieken. Nederland zou 1 miljoen moslims tellen, becijferde het CBS in 2004, en het Amerikaanse onderzoeksbureau Pew kwam zelfs eens uit op 1,2 miljoen. Later stelde het CBS het cijfer fors bij vanwege een andere definitie. Maar nog steeds zegt het huidige CBS-cijfer van 875.000 weinig, meent de arabist. Het vertelt immers niets over wat al die mensen geloven. En angst dat moslims het uiteindelijk in bepaalde wijken voor het zeggen krijgen en je voordat je het weet „veelwijverij, eerwraak, gedwongen huwelijken en onderdrukking” krijgt, zoals toenmalig wethouder van Rotterdam Marco Pastors het eens onder woorden bracht, noemt hij volstrekt irreëel. „Dat iemand zich in zijn identiteit bedreigd voelt, begrijp ik volledig. Maar de gedachte dat zo’n wijk een kleine Saudische vrijstaat wordt, is onzin en een gebrek aan vertrouwen in de eigen rechtsstaat.” De angst voor een minderheid is niet beperkt tot moslims in Nederland. Berger noemt het voorbeeld van Indonesië. „Daar wonen slechts 10 procent christenen. Toch zijn er moslimgroepen die christenen vanwege hun vele kinderen en bekeringsijver als ware bedreiging zien voor moslims.”

Vervuild

Het islamdebat is ook „vervuild” door buitenlandse termen die een eigen leven zijn gaan leiden, vindt de arabist. Salafisme, jihad, sharia; het zijn woorden die een wereld hebben gecreëerd die is losgezongen van de werkelijkheid. Zo zijn salafisten conservatief en fundamentalistisch, maar Berger verwijst naar onderzoek en AIVD-rapporten waaruit blijkt dat de meesten niet onverdraagzaam en zeker niet staatsgevaarlijk zijn. Maar dat is wel het idee dat bij het grote publiek heeft postgevat. „Een student van mij liep stage bij een ministerie en herkende zich in de definitie van salafisme. Zijn verraste collega’s verzekerden hem dat hij niet het probleem was, erkenden dat de term niet voldeed, maar gaven aan niet anders te kunnen dan die te gebruiken. Het woord had een vaste plaats verworven in de bureaucratie.

Jihad is ook zo’n term. Het betekent letterlijk inspanning, waarbij de grote jihad staat voor de dagelijkse inspanning om een goed moslim te zijn, en de kleine jihad voor de gewapende strijd die moslims moeten voeren als hun geloof wordt bedreigd. Hoewel iedereen wel ongeveer weet wat er met jihad wordt bedoeld, leidt die exotische term ook tot misverstanden, bijvoorbeeld in voorgestelde wetgeving. Vaak wordt het ook gebruikt om intellectuele inspanning aan te duiden. Ik roep mijn studenten dagelijks op tot jihad, namelijk dat ze beter en dieper moeten nadenken, en zou me daarom voortdurend schuldig maken aan rekrutering voor jihad.”

Zeg in gewoon Nederlands wat er wordt bedoeld, bepleit Berger. „Noem jihad bijvoorbeeld gewapende strijd en vertaal sharia als regels van de islam. Door gewoon Nederlands te spreken, brengen we de discussie over wat we wel of niet willen in Nederland terug naar het concrete gedrag van mensen. In bijeenkomsten van beleidsmakers en veiligheidsmensen over deze thema’s hoeft dan niet twee uur gesteggeld te worden over wat wel of niet wordt bedoeld, maar kan die tijd worden benut om het over het probleem te hebben. En problemen zijn er genoeg, we moeten geen mooi weer spelen.”

ChristenUnie

In Nederland is een debat een geliefd format om een thema aan de orde te stellen. Ook daar is Berger kritisch op, omdat een onderwerp dan in de sfeer van voor of tegen wordt getrokken. Hij noemt als voorbeeld een door de ChristenUnie georganiseerd debat tussen hem en Gert-Jan Segers. De CU-leider mocht zijn zorgen over de islam uiteenzetten en Berger werd geacht de positieve kant van de godsdienst te belichten. Een gesprek krijgt zo iets kunstmatigs, vindt de hoogleraar, omdat je alleen tegenstellingen laat zien.

Een ander nadeel van de debatvorm vindt de hoogleraar dat degene met de grote mond en goede oneliners het gelijk van de bescheiden en beschouwende persoon al snel overvleugelt. „Het gesprek gaat vaak niet meer over feitelijke waarheid, maar over opvattingen. In plaats van het onderwerp komt de betrouwbaarheid van de spreker centraal te staan. Waar staat hij in het islamdebat? Is hij tegen de islam? Is hij van de linkse kerk of rechts-radicaal?” Zelf geeft de arabist aan geen mening te hebben over de islam als religie. „Mijn voorkeur of afkeer is volledig afhankelijk van wat moslims met de islam dóén.”

Graag zou Berger zien dat er in plaats van gedebatteerd meer wordt gediscussieerd. „Het verschil is dat een discussie geen steekspel is, maar een gesprek. Daarin luister je naar elkaar en wissel je informatie uit. In een debat daarentegen moet je alleen zeggen wat je te zeggen hebt. Dat vind ik vervelend. „Je laten overtuigen is niet erg”, zeg ik altijd tegen mijn studenten. Maar in een debat geldt dat als een doodzonde.”

Hatelijk

Aan de Universiteit Leiden werkt Berger met mensen als Paul Cliteur en Afshin Ellian. Zij staan bekend om hun forse kritiek op de islam. De laatste gebruikt hiervoor bij voorkeur zijn column in weekblad Elsevier. Regelmatig wordt Berger hierin zwartgemaakt, schrijft de hoogleraar in zijn boek, overigens zonder Ellians naam te vermelden. „Hij noemde mij pro-salafistisch en een sharialover”, zegt de arabist. „Dat laatste naar aanleiding van een betoog van mij dat veel westerlingen geen moeite hoeven te hebben met grote delen van de sharia. Het gaat dan bijvoorbeeld over hoe te bidden, te vasten of voorschriften voor financiering. Daarmee probeerde ik nuance aan te brengen in het debat over de sharia. Ellian had daarvoor geen oog, bracht alles terug tot pro of anti. Dat vind ik een wetenschapper onwaardig. Ten onrechte sta ik te boek als voorstander van de sharia en wordt gedacht dat ik dikke vriendjes ben met de taliban. Notoire onzin.”

Toch zijn de onderlinge verhoudingen met die twee collega’s „enorm amicaal”, benadrukt Berger. „Dat maakt wat ik in mijn boek naar voren breng even grappig als bizar. Ellian sloeg mij eens op de schouder nadat ik hem aansprak op wat hij had geschreven en zei: „Ach, dat moet je niet zo letterlijk nemen, het is maar een column!” Maar het gevolg van zijn bijdragen is dat ik hatelijke mailtjes krijg en mijn weerwoord nauwelijks aandacht krijgt. Studenten spreken mij er ook op aan. Een keer organiseerde ik een debat tussen hem en mij op de universiteit. Het leek mij een gezonde les voor studenten om te laten zien dat ook hoogleraren het soms onderling oneens zijn. Tot mijn stomme verbazing gaf hij mij keer op keer gelijk. Daarna gingen we gezellig uit eten.”

Cliteur gaf enkele keren op uitnodiging van Berger college voor zijn studenten. Omgekeerd is dat nog niet gebeurd. „Erg jammer.”

Gaat het nog wat worden met de islam?

„Het is wat geworden met de islam als we die zijn gaan zien als regulier onderdeel van de Nederlandse samenleving, politici de godsdienst niet meer gebruiken voor politiek gewin en we erover schrijven zoals we dat doen over katholicisme of evangelicalisme. Op de korte termijn houd ik mijn hart vast en op de lange termijn ben ik optimistisch. Nu is het zo dat we jaarlijks worden geconfronteerd met een islamincident dat lijkt te bevestigen dat het kommer en kwel is met de islam. Als Nederland moeten we door het proces van schurende relaties en onderlinge verschillen heen, en dat is niet gemakkelijk. We hebben geen zin om ons aan te passen, worden daar heel narrig van. Het liefst gaan we om met mensen die hetzelfde zijn als wij. Zelf zucht ik al als gasten aanschuiven voor het diner en veganistisch willen eten. Eet gewoon biefstuk met aardappel, denk ik dan.

Maar als we door dit proces heenkomen, zie ik het wel zitten. Moslims met al hun eigenheden en eigenaardigheden zijn in hun spreken en doen vooral door en door Nederlands, inclusief grote mond. Een grote groep moslims probeert actief en verwachtingsvol een bestaan op te bouwen in Nederland. Zij zullen hun weg vinden en hun wensen inpassen in de samenleving, die zij nadrukkelijk zien als de hunne. Tegelijkertijd houden zij vast aan wat zij zien als eigen.”

Hoe creatief moslims zich soms wegen banen, zag Berger toen hij eens een lezing gaf voor een islamitische studentenvereniging. De borrel na afloop, volgens de arabist een typisch Nederlands gebruik, werd in ere gehouden. Maar dan wel moslimproof, want zonder alcohol en bitterballen. Een fles als bedankje voor de lezing ontbrak evenmin, zij het dat er olijfolie in zat. „Het gebaar is hetzelfde en ik moest er erg om lachen. Bovendien heb ik liever een fles goede olijfolie dan een fles slechte wijn.”