Moslimmannen en christenvrouwen lezen, bidden en zingen

De interkerkelijke organisatie Stichting Gave werkt onder asielzoekers en vluchtelingen in Nederland. Ze brengt christelijke jongeren met migranten in contact door, dit jaar voor de 22ste keer, multiculturele jongerenkampen te organiseren. beeld Anton Dommerholt
3

„Deze waardebon –ik garandeer het je– is meer waard dan alles wat je bezit.” Vrijwilliger Ewart Boer (27) steekt met zijn rechterhand een geel A4’tje omhoog. „Wie komt dit papier ruilen voor zijn telefoon?”

Rumoer in de zaal. Een donkere kleerkast uit Eritrea stapt grijnzend naar voren, zijn iPhone in de hand. De zaal applaudisseert. Boer geeft hem een dreun op zijn schouder. „Goede keuze. Je ruilt iets tastbaars uit het heden in voor een belofte voor de toekomst.”

Als Boer niet mee is op het interculturele kamp van Stichting Gave is hij student werktuigbouwkunde. Maar deze vrijdag houdt hij een inleiding voor de dertig vluchtelingen en twintig christelijke Nederlandse jongeren. De vluchtelingen zijn meest moslimmannen, de Nederlanders christenvrouwen. Het interculturele en multireligieuze gezelschap verbleef vorige week in groepsaccommodatie De Wildwal in Lunteren. De jongeren in de leeftijd van 17 tot 23 jaar bestuderen een week lang intensief de Bijbel, zingen en bidden. En spelen tafeltennis. „Wij vinden praten belangrijk, maar voor vluchtelingen is het soms belangrijker dat je een spelletje met hen speelt”, licht kampcoördinator Alies Koetsier toe. „Zo van: Ik geloof dat je er mag zijn, laten we tafeltennissen.”

„Ik wil jullie het verhaal van Zacheüs vertellen”, vervolgt Boer terwijl hij een PowerPointpresentatie afspeelt. „Deze man uit de Bijbel maakte ook een keuze. Hij ruilde zijn tijdelijke bezittingen, geld en macht, in voor het komende Koninkrijk van God.”

Cultuurschok

Na de inleiding jubelt er een dwarsfluit, klinkt er een gitaar en roffelt er een djembé. „Build Your Kingdom here, let the darkness fear”, klinkt het uit vijftig kelen.

Buiten praten de jongeren in gemengde groepjes met elkaar door over het verhaal van Zacheüs. Een Koerd met capuchon op kruipt onder een roze plaid als de zon achter de wolken verdwijnt. Een Syriër bladert door zijn splinternieuwe Arabische Bijbel. Een felblonde Nederlandse –„normaal gesproken zou ik met een boog om deze jongens heen lopen”– heeft de Statenvertaling en een Bijbel in Gewone Taal op de groene tuinstoel naast zich liggen.

„Ik weet dat Jezus een profeet is”, vertelt de Iraniër. „Dat zei mijn vader. Verder heb ik geen goede informatie.” De Nederlanders praten met hem door. „Doe je weleens verkeerde dingen? Waarom gebeuren er slechte dingen? En waarom stierf Jezus eigenlijk aan een kruis?”

De Nederlandse deelnemers hebben kerkelijk gezien een kleurrijke achtergrond. Er zijn jongeren vanuit de Gereformeerde Gemeenten, hersteld hervormde gemeenten, de Christelijke Gereformeerde Kerk, maar er komen er ook uit evangelische en pinkstergemeenten. Kamphoofd Alie Vletter, grijs haar, fonkelblauwe ogen: „Voor Nederlandse jongeren is de cultuurschok soms even groot als voor de vluchtelingen. Al is de kerkelijke achtergrond van jongeren hier geen onderwerp van gesprek, omdat het er niet toe doet. Onze wegen zijn anders, maar we hopen elkaar te vinden bij het kruis van Christus.”

Droom

De vluchtelingen zijn meest jonge mannen uit Syrië, Armenië, Eritrea, Afghanistan, Egypte, Congo, Nigeria en Irak. Vaak zijn het moslims. „Ze hebben veel vragen, maar er is wel opening voor het Evangelie”, stelt Vletter. „Je moet wel openstaan voor het feit dat ze hun geloof totaal anders ervaren dan wij westerlingen. We kijken er hier niet meer van op als een moslimjongere vertelt: „Jezus legde in een droom Zijn hand op mij.” Zo gaat dat vaak. De Heilige Geest werkt op die manier bij jongeren die weinig Bijbelkennis hebben. En zij twijfelen niet of het Jezus was die ze zagen in hun droom.”

Stichting Gave probeert zowel Nederlanders als vluchtelingen te helpen, stelt Koetsier. „We willen vluchtelingen en jongeren met elkaar verbinden zodat ze elkaar en God voor het eerst, of beter, leren kennen. Niet alleen de vluchtelingen vragen aandacht. Nederlandse jongeren denken vaak dat ze voor de ander komen, maar soms komen ze zichzelf tegen. Dan worstelen ze met geloofszekerheid en vragen ze zich af hoe ze iets kunnen doorgeven waarvan ze twijfelen of ze het zelf wel hebben.”

Vletter: „Na een week zijn we deze jongeren weer kwijt. De een gaat terug naar Elspeet, een ander gaat als illegaal de straat op. Wat rest is bidden of God wil doorgaan waar wij stoppen.”

Lianne (20) bewondert geloof van vluchtelingen

Lianne Bijnagte (20) uit Wageningen studeert voeding en gezondheid aan de Wageningen University en is hervormd (PKN).

„Waarom gebeuren er zo veel slechte dingen in de wereld als er een goede God bestaat? Die vraag heb ik los kunnen laten. De vluchtelingen die mee zijn op dit kamp hebben dode mensen gezien en weten niet of familieleden nog leven. Als zij nog steeds op God vertrouwen, waarom zou ik dat dan niet kunnen? Wat geeft mij het recht om boos te zijn op God?”

Haar blote voeten trekt ze op de witte tuinstoel. „Met de studentenkring waarmee ik de Bijbel lees, overleggen we wat er staat, hoe je een bepaalde Bijbeltekst moet lezen en hoe een Hebreeuws woord is vertaald. Vanwege de taalbarrière kun je dat type Bijbelstudie niet doen met vluchtelingen. En juist daardoor praat je over kernzaken. Wij als Nederlanders vinden het vaak moeilijk om onvoorwaardelijk op God te vertrouwen. Voor gevluchte christenen is dat helemaal geen vraag. Natuurlijk vertrouwen ze op God. Dat geloof bewonder ik in hen.

Ik was waarschijnlijk niet eens christen gebleven, als de zomerkampen van Gave er niet waren geweest. Ik ging naar een onchristelijke school en het was makkelijk geweest om het geloof te laten voor wat het was, omdat het voor veel vragen zorgt. Op het Gavekamp zag ik hoe mooi het geloof kan zijn. Kampen van kerkelijke jongerenorganisaties kunnen leuk zijn, en gezellig, maar hier is liefde. In de verbondenheid aan elkaar en de oprechte aandacht voor de naaste ervaarde ik God. Dit zorgde ervoor dat ik naar Hem wilde blijven zoeken. Het maakte me nieuwsgierig.

Gevluchte jongeren mogen mij hun levensverhaal vertellen, maar dat hoeft niet. Een potje tafeltennissen, gewoon als jongeren onder elkaar, kan even helend werken. Hier zijn ze een week lang niet ‘die vluchteling’, maar gewoon mens.”

Ahmad Masih (23) heeft rust in zijn hart

Ahmad Masih Faqirzada (23) komt uit Afghanistan, woont in het azc in Overloon en leert Nederlands in Utrecht.

„De taliban wilden dat ik voor hen ging vechten tegen de Amerikanen en NAVO-troepen in ons land. Ik wilde niet dood in een oorlog tegen de Amerikanen. Zij kwamen juist vrede brengen. Omdat ik niet mee wilde doen aan de jihad moest ik vluchten uit Afghanistan. Voor de talibanstrijders was ik een ongelovige.

Ik was altijd bang voor God. Als ik een van de vijf dagelijkse gebeden oversloeg, dacht ik dat ik naar de hel zou gaan. Ik wilde een vrome moslim zijn, maar vond geen rust in mijn hart.

De IND wees mijn asielaanvraag af. Daarna leefde ik zeven maanden illegaal in Nederland. Iedere dag zocht ik eten en een plaats waar ik veilig kon slapen. Het was een moeilijke tijd. Ik vond het oneerlijk dat ik zo werd behandeld.

In 2015 kwam ik in de kerk in Alphen aan den Rijn in aanraking met het christendom. Twee jaar lang vergeleek ik de Bijbel met de Koran. In de Bijbel spreekt Jezus tot mij. Hij werd net als ik oneerlijk behandeld door mensen. En dat terwijl Hij onschuldig was. Niemand anders in de wereld is eerlijk, ook ik niet. Maar God strafte Jezus in plaats van mij.”

Ahmad Masih gaat op het puntje van zijn stoel zitten en legt zijn hand op zijn hart. „Nu voel ik me een beetje rustig vanbinnen. Jezus zegt tegen mij dat Hij altijd bij me blijft.

Over drie maanden beoordeelt de rechter of ik in Nederland mag blijven. Ik denk dat ik terug moet. Maar dat kan niet, dus ga ik de illegaliteit in. Soms word ik wild vanbinnen, wil ik mezelf doodmaken. Ik ben vaak verdrietig en wanhopig. Heb last van een depressie. Een week Gavekamp is een lichtpuntje voor mij.”