Middeleeuwse muziek uit Rheden

Dirk als doedelzakspeler. beeld RD, Anton Dommerholt
12

In de wereld van historische evenementen zijn Dirk en Tilly Bouwman een begrip. Gehuld in door Tilly vervaardigde middeleeuwse kledij musiceren ze op door Dirk gemaakte instrumenten. „Het gaat ons vooral om de sfeer, de gezelligheid.”

Klik op de foto voor een beeldreportage over de muziek van de Bouwmans.

De honderd jaar oude rijtjeswoning in Rheden getuigt van eenvoud. Met luxe hebben Dirk Bouwman (70) en echtgenote Tilly (72) niet veel. Hun voornaamste bezit, een collectie oude instrumenten, ligt op twee kasten met een middeleeuwse uitstraling. Het merendeel is door Dirk gemaakt.

Dirk groeide op in Arnhem, Tilly in Groningen. Ze leerden elkaar kennen tijdens een vakantiereis van Dirk, op een brommer, naar het noorden. Het meisje dat hij daar in een dorpswinkeltje zag, maakte zo’n indruk op hem dat hij later achter haar aan scheurde en toen hij naast haar reed abrupt stopte. Een bejaard echtpaar op een solex was niet berekend op de escapade. „Bats, daar lagen ze”, zegt Dirk. „Zo hebben wij elkaar leren kennen. Met de politie erbij, maar het is allemaal goed gekomen.” Volgend jaar zijn ze vijftig jaar getrouwd.

Dirk speelde op jonge leeftijd al bij fanfarekorps Heijenoord. „Op een klein trompetje.” Hij leerde het blazen op een stuk elektriciteitspijp. Tilly had niet zo veel met muziek, al werd ze er in haar jeugd wel mee geconfronteerd. „Mijn moeder zat in een mandolineorkest waarvan mijn opa de dirigent was. De instrumenten maakte hij zelf. Het was muziek waar ik kriegel van werd.”

Video

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

Feesten

Door Dirk, die naast zijn technische baan bij KPN altijd met muziek bezig was, ging ze ook maar wat oefenen. Eerst op een fluit, samen met een buurvrouw. Geleidelijk ook weleens met Dirk. „Zo ben ik meegesleurd de middeleeuwen in. Dirk leerde me te spelen op de instrumenten die hij zelf bouwde.”

„Ik ben absoluut geen goeie muzikant”, relativeert Dirk. „Dat wisten ze bij het fanfarekorps al. Ik speelde altijd de vijfde partij.” Na zijn trouwen trad hij zo nu en dan met muzikale kameraden op bij Kasteel Doornenburg en Kasteel Doorwerth. „Mijn belangstelling voor de middeleeuwen is ontstaan door de verhalen van een juffrouw op de lagere school. Ik was helemaal in trance als ze over die tijd vertelde. Bij kastelen vond ik iets van die oude sfeer terug. Ik speelde er op de mandoline die ik van de moeder van Til had gekregen. We noemden ons Ontfanck Gheselle, middeleeuws voor feestkameraad.”

Op een dag ontdekte hij tot zijn schrik dat de mandoline pas in de 18e eeuw voor het eerst werd gemaakt. Studie naar middeleeuwse instrumenten bracht hem tot het besluit een luit te bouwen. „Terwijl ik nog nooit met hout had gewerkt. Ik bespeelde hem als een gitaar, met akkoorden, terwijl ik erbij zong. Dat kan ik niet, maar ik heb wel een behoorlijk volume. Bij feesten is dat heel handig.”

Dirk en Tilly Bouwman treden op onder de naam “Ontfanck gheselle” (feestkameraad). beeld RD, Anton Dommerholt

Hommel

Nu hij de smaak te pakken had, was de medewerker van KPN niet meer te houden. In zijn schuur vervaardigde hij eenhandsfluiten, hommels, draailieren, een kleine basluit, een teorbe... Tilly was intussen bezig met een muzikale inhaalslag. „In het weekend maakten we samen muziek, doordeweeks zat ik in m’n eentje te oefenen.”

Voor de teorbe maakte Dirk gebruik van een origineel instrument in het Haags Museum dat hij mocht bestuderen. Een gespecialiseerd bedrijf leverde hem het geschikte hout. Een onderwijzer uit Arnhem maakte hem bekend met de hommel, een voorloper van de citer. „Aan het begin van de 6e eeuw is dat instrument in het Westen geïntroduceerd, daarna hebben we er heel lang niets meer van vernomen. Pas in 1608 wordt in een Fries boek gesproken over de hommel als kerkinstrument. Hij werd daar Noorse balk genoemd. In België spreken ze over een vlier.”

Omdat hij niet tevreden is over de Bretonse doedelzakken die hij van een Nederlandse bouwer kocht, gaat hij er nu zelf een maken. Op basis van een instrument van Herman de Wit uit België. „Herman is een vakman.”

Collectie doedelzakken. beeld RD, Anton Dommerholt

Iets vrolijks

De inwoner van Rheden schafte eerder al een Engelse en een Duitse doedelzak aan. „Deze ken je waarschijnlijk van het schilderij ”De vrolijke familie” van Jan Steen. Wil je hem horen?”

Zonder antwoord af te wachten pakt hij het instrument en neemt plaats voor de kast. Tilly grijpt een trommel. Met één hoorder als publiek vullen ze het kamertje met opgewekte, boerse klanken. Aansluitend verzorgen ze aan de woonkamertafel een hommelconcert. „Wat zullen we spelen?” vraagt Dirk. „Iets moois of iets vrolijks?”

„Eerst iets moois, dan iets vrolijks”, beslist zijn echtgenote.

Tilly, dochter van een Groningse kleermaker, maakt de kostuums. Ingewikkeld is het niet. „Middeleeuwse kledingstukken hadden allemaal een T-model. De vorm breng je aan met touwtjes en koordjes.” Ook de hoedjes en vaantjes maakt ze zelf; de vaantjes van borduurwerk op linnen. „Dat is een heel gepriegel.”

Dirk heeft door zijn capriolen geregeld een gat in zijn broek. Daar wordt dan door Tilly een lap op genaaid. „Zo hoort het”, lacht de muzikant. „Het moet allemaal niet te netjes zijn als je de middeleeuwen uitbeeldt.”

Thuis gedragen ze zich als hedendaagse Nederlanders. „Wij horen niet tot de categorie die continu als middeleeuwers leeft. Die heb je ook.” „Er zijn fanatiekelingen bij”, verzekert Tilly.

Tilly leerde van Dirk het bespelen van een draailier. beeld RD, Anton Dommerholt

Minnezanger

Ze leerden deze lieden kennen door middeleeuwse markten, evenementen rond kastelen en historische stadsspelen in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland, waar ze met hun camper naartoe rijden. Een hoogtepunt is het tweejaarlijkse feest in het Duitse Soest, met soldaten, kanonnen, muzikanten en voetvolk, ter herdenking van de bevrijding van de Keulse overheersing.

Met de internationale riddergroep Knights of Camelot trok het duo verschillende keren naar Frankrijk. Dirk combineert het musiceren met het vermaken van het publiek. „Niet dat ik Frans spreek; ik klets maar een eind weg. Als ik in het Engels wat vraag, geeft een Italiaan antwoord.” Incidenteel luistert het echtpaar bruiloften en partijen op. Mits de ambiance geschikt is. „Een kasteel, een arsenaal, een oude boerderij… Anders komen we niet. Die luxe hebben wij. We hoeven er niet van te leven.”

Tussen de bedrijven door verzamelde Dirk oude volksmuziek, onder anderen van de 12e-eeuwse minnezanger Walther von der Vogelweide. „We hebben ook nummers overgenomen van muzikanten die we in het buitenland leerden kennen. Van een aantal nummers weten we niet eens de naam. Verder spelen we vooral branles, menuetten en polka’s.”

Zo nu en dan krijgt het echtpaar volk over de vloer dat ook aan de slag wil met middeleeuwse instrumenten. „Soms komen ze een heel weekend. Dan kunnen ze alles rustig bekijken en aan tafel wat oefenen. Sommigen spelen nu beter dan wij. Dat vinden we prima. Wij hoeven niet zo nodig op een podium te staan. We lopen liever tussen het publiek.”

„Het gaat ons om de sfeer”, bevestigt Tilly. „De gezelligheid.”