„Kerk kan jongeren onbedoeld prestatiemaatschappij injagen”

Nijsink. beeld RD
4

Zonnestralen beschijnen haar huid. Vogels zingen het hoogste lied. Vrachtschepen doorklieven traag maar gestaag het water van de Nederrijn. Rust. Niet vanzelfsprekend.

Marieke Schouten (24) zit op haar ‘eigen’ plekje bij restaurant Moeke in Rhenen. De maalstroom van losse gedachten die door haar hoofd klotst, vertrouwt ze een plekje toe op geduldig papier dat voor haar ligt. Totdat het rustig wordt vanbinnen.

En ze bidt. Zo goed als dat gaat.

Hier, langs de rivier, komt ze regelmatig. Op zoek naar rust, naar God en naar zichzelf.

Uitgeblust

Om zich heen ziet de oud-student godsdienst en pastoraal werk (GPW) de ene na de andere jongere instorten. „We zouden een vitale groep moeten zijn. Maar we zijn moe. De boodschap van de samenleving aan jongeren is dat we vooral onszelf moeten zijn. Dat klinkt aardig, maar onder het mom van onszelf zijn, moeten we ons profileren. Op sociale media het perfecte leven laten zien.”

Wachtend op de bus grijpt de mens anno 2018 naar de smartphone. En niet alleen dan. Ook tijdens colleges, op verjaardagen, soms op het toilet, vertoont de mens verslavingssymptomen. „Verwoestend voor je concentratie, en daardoor voor je stille tijd”, weet Marieke uit ervaring. Ze probeert nu „heel erg bezig te zijn met één ding.” De mobiel ging op school in de kluis. De dag begint met stille tijd en de laatste uren van de dag probeert ze van de flikkerende verleider af te blijven.

Maar tegen de onrust valt haast niet te vechten. Niet alleen de telefoon is een bron van onrust. Marieke doet vrijwilligerswerk, zit op de gergemkring én heeft een bijbaantje. Doet ze dat omdat het waarde heeft in zichzelf, of is het voor haar een manier om zich te ontplooien? Ze is er nog niet uit. De wereld ligt aan haar voeten. En zij heeft een taak. Juist als christen. „Maar soms wil ik gewoon met een boek op de bank zitten. Het blijft een strijd om te kiezen voor rust. Je mist dan mogelijkheden en kansen om jezelf te ontwikkelen. En benut de jou gegeven mogelijkheden niet optimaal, denk ik dan.”

Drukke dominee

Een zomervakantie is er om uit te rusten. Maar dat lukte Marieke twee jaar geleden niet meer. Ze voelde zich zes weken lang moe en onrustig. De twintiger ging in gesprek met jongeren om haar heen en vroeg hen hoe zij de rust bewaarden. Dat bleek alle acht jongeren die ze sprak nog niet zo best af te gaan. Stuk voor stuk bleken ze zich regelmatig onrustig te voelen.

Marieke schreef een scriptie over de rol van rust in de reformatorische traditie. Een kritische vinger gaat in haar papierwerk richting de kerken. „Binnen onze traditie is veel oog voor het geestelijk heil van jongeren, en hun geestelijke rust. Maar de functie van fysieke en mentale rust blijft onderbelicht. Terwijl mensen uit ziel én lichaam bestaan.”

„Ik krijg de indruk dat dominees het vaak ontzettend druk hebben”, stelt Marieke. „Van Jezus lezen we in de evangeliën dat Hij regelmatig de stilte en eenzaamheid opzocht.” Marieke is „overtuigd van de diepgang en rijkdom van de reformatorische traditie.” „Tegelijkertijd denk ik dat we kunnen leren van de kloostertraditie. Daar is meer aandacht voor rust en regelmaat.”

Moeten

Drukte kan volgens Marieke worden gestimuleerd door de kerk. Er zijn gemeenteavonden, toerustingsavonden, commissies, gemeentedagen, verenigingen en doordeweekse preken. „Je ‘moet’ er min of meer aan mee doen. Je ‘moet’ vrijwilligerswerk doen. Je ‘moet’ goede boeken lezen en je ‘moet’ aan andere mensen over God vertellen.” Marieke is er nog niet uit in hoeverre dit hoort bij het christelijk geloof en in hoeverre mensen „dit elkaar aandoen.”

„In een christelijke levensovertuiging ligt juist zo veel waar rust uit te putten is”, denkt Marieke. „Direct in Genesis geeft de Schepper ons een rustdag. Dat is ook een dag om lichamelijk tot rust te komen.” Wat Marieke ook helpt om rust te krijgen is de wetenschap dat God de Auteur van haar leven is. „Dat kan je weerhouden van zelfetalering. Als je identiteit in Hem ligt, hoef je geen prestaties na te jagen om dáár iets mee te worden.”

YOLO

Iets worden met je werk is –ook voor christenen in een westerse samenleving– een gevaar, meent cultuurfilosoof Robert van Putten. „We begrijpen elkaar vandaag de dag op basis van prestatie. Mensen die succesvol zijn, vinden we belangrijker. Ook onszelf waarderen we op basis van wat we hebben bereikt.”

De denker van reformatorischen huize wijst al jaren op de schaduwzijden van de ‘prestatiemaatschappij.’ Zo schreef hij in 2014 in het filosofische magazine Wapenveld een artikel met de kop ”De uitgebluste mens”. In het stuk werpt hij de vraag op of kerken wel voldoende tegengif bieden tegen de prestatiecultuur. Of dat de kerk zich in dit opzicht geruisloos laat meevoeren met de jachtige wereld om haar heen.

„Werk was in de middeleeuwen lang niet zo bepalend voor de identiteit van een mens als nu”, begint de cultuurfilosoof zijn betoog. „Toen was je afkomst bepalend voor je maatschappelijke positie. De zoon van een edelman had aanzien, de visserszoon niet.”

Nu kan ieder mens van een kwartje een euro worden, meent Van Putten. „Dat geldt voor laagopgeleiden, maar in nog sterkere mate voor hoogopgeleiden. De mogelijkheden in deze wereld lijken voor hen vrijwel onbeperkt. De moderne mens vindt dat hij die mogelijkheden moet benutten. YOLO – You Only Live Once (je leeft maar één keer, AvG) is een principe dat ook bij reformatorische mensen tussen de oren zit. We moeten uit het leven halen wat erin zit. We zijn meer geseculariseerd dan we denken.”

Goddelijk beroep

„Tijdens de Reformatie kreeg werk een andere status”, betoogt Van Putten. „Plots spreken we over het goddelijk beroep; ieders werk is van God gegeven. Het werkende leven wordt belangrijker dan contemplatie; de toewijding aan de dienst van God. „Doe je werk goed”, zeggen de reformatoren.”

Niet alleen arbeid kwam met de Reformatie op een voetstuk te staan. Bij aanhangers van de beweging ontwikkelt zich gelijktijdig een ‘roepingsbesef’, stelt Van Putten. „We moeten ons inzetten voor de materiële én geestelijke nood van de wereld. Er is altijd wat te doen in deze wereld. De nood is oneindig hoog en houdt nooit op. Wanneer mogen we de dingen laten rusten en in de handen van God overgeven?”

Hyperactief

De filosoof denkt niet dat christenen door zijn pleidooi voor méér rust „in totale luiheid vervallen.” „Ik ben niet bang voor een beetje tegenwicht in een hyperactieve samenleving met bomvolle agenda’s. Daarbij komt: rust blijft in de christelijke traditie bij één dag. Zes dagen zullen we werken. Nergens in de Bijbel wordt ertoe opgeroepen om de boel de boel te laten. Tegelijkertijd is waar: nergens wordt ertoe opgeroepen de hele wereld op je schouders te nemen.”

De zaterdag is voor Van Putten, die zes jaar geleden zelf „waarschijnlijk in het voorstadium van een burn-out zat”, een ‘accudag’. Dan rust hij uit, zodat hij zondag niet „bij hoeft te komen.”

Maar de zondag is volgens Van Putten in zijn traditie geen ideale rustdag. „Ik kom niet altijd tot rust in een reformatorische eredienst”, geeft het lid van de gereformeerde gemeente in Utrecht toe. „Er is geen moment van stilte. De liturgie is een aaneenrijging van woorden. Om me heen hoor ik regelmatig dat mensen vermoeid de kerk uitkomen. Als organist weet ik dat een aantal minuten van mediatieve orgelmuziek een weldaad kan zijn. Maar na een halve minuut wordt de gemeente onrustig. We moeten door. Misschien moeten we eens naar onze liturgie kijken. Momenten van stilte inbouwen.”

„De kerk lijkt eerder bij te dragen aan prestatiedruk dan aan rust”, zegt Van Putten. „Het is een plek waar drukte wordt gestimuleerd. Soms hoor je in de preek dat ledigheid des duivels oorkussen is. Of, met een verwijzing naar de gelijkenis van de talenten, dat je het maximale uit jezelf moet halen. De kerk kan zo, ondanks haar ongetwijfeld goede bedoelingen, mensen de prestatiemaatschappij injagen. Terwijl ik zou zeggen: we hebben de opdracht de aarde te bebouwen en te bewaren. Maar we hoeven de wereld niet in stand te houden. Wij zijn niet degenen die de wereld dragen. Die ligt in Gods handen.”

Orgelspel

Dirk-Jan Nijsink is ouderling in de gemeente van Van Putten en ervaart dezelfde eredienst niet als onrustig. „De onrust zit in mijzelf. In de kerk kom ik in de aanwezigheid van de Eeuwige. Dat besef is belangrijk. Dan moet ik mezelf stil maken.”

De ouderling van de gereformeerde gemeente is geen voorstander van aanpassing van de liturgie. „We geven de eredienst al eeuwen op min of meer dezelfde manier vorm. Zouden we het nu dan anders moeten doen omdat mensen zich opgejaagd voelen?” Natuurlijk moet er in de bestaande liturgie rekening worden gehouden met overprikkelde hoorders, meent Nijsink. „Het is goed als de predikant zich bewust is van de onrust in het leven en de behoefte aan rust en stilte. Muziek en zang zijn geen bijverschijnsel, maar hebben daarin een belangrijke functie. Laat de voorganger ruimte bieden voor een voorspel. Ook is het goed als preken niet te vol zitten en doordacht zijn opgebouwd. Het helpt als een dominee verhalend preekt, zodat je uit je dagelijkse beslommeringen wordt weggevoerd. Bijvoorbeeld naar het Meer van Galilea.

Voor 36 uur per week heeft Nijsink een contract bij de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten (JBGG). „Daarnaast heb ik nog kerkenraadwerk. Dus ik kom soms ook wel aan de zestig uur per week. Hoeveel uur ik precies werk, vind ik niet relevant. Belangrijker vind ik dat ik het werk kan loslaten.” Scherp: „Als jongeren zien dat hun vader tijdens het eten nog mails voor zijn werk beantwoordt, voelen zij haarfijn aan dat werk voor papa érg belangrijk is.”

Theologiestudie

Volgens Nijsink is het verlangen van reformatorische christenen vaak geseculariseerd. „We willen een mooi huis, een goed salaris en aanzien bij anderen. Het gaat er vaak om in het hier en nu iets bereiken, in plaats van dat we gericht zijn op de ontmoeting met Hem. Het is goed je af te vragen waaróm je iets wilt bereiken. Vorig jaar heb ik tegen een burn-out aangezeten en moest ik stoppen met mijn theologiestudie. Het was een hbo-opleiding die niet alleen van pas komt bij mijn werk bij de JBGG, maar zeker ook omdat ik het verlangen heb dat de Heere mij gebruikt in Zijn Koninkrijk. Maar dat ik deze opleiding moest doen, dat had ik zélf bedacht. Ik vroeg: „Mag ik deze studie dan loslaten, Heere?” En ja, ik mocht die loslaten. Het is verrijkend om tegen je grenzen aan te lopen.”

Elk beroep draagt een goddelijke roeping in zich, is de overtuiging van de jeugdwerkadviseur. „Je moet trouw zijn in je beroep, met oog voor de menselijke maat en het Goddelijke perspectief. Martha nam haar taak serieus. Ze zorgde voor de Heere Jezus en Zijn discipelen. Maar dan raakt ze gefrustreerd door de werkdruk, vervalt ze in zelfmedelijden en wordt ze boos op God en de mensen om haar heen. Maria daarentegen zat aan de voeten van Hem. Ze luisterde.”

„Mijn advies zou zijn om wat minder hard te werken dan Martha”, vervolgt Nijsink. „Maar als een Maria te bidden of je Hem mag ontmoeten en iets van Hem mag doorgeven aan andere mensen. Dan is je roeping iets van Hem. En is de druk er af.”

Tristan Baard (17) uit Oud-Beijerland kreeg burn-out en depressie. Hij schreef er een boek over. Vrijdag een interview met hem op Puntuit.

Waarom jongeren stressen

Huisartsen zien steeds meer studenten met psychische problemen, bleek vorige week uit een inventarisatie van de Volkskrant. Oorzaak is volgens de experts een opeenstapeling van stressfactoren: de toegenomen prestatiedruk, angst voor studieschulden en de invloed van sociale media. Jongeren kampen daardoor met concentratiestoornissen, vermoeidheidsklachten en angstaanvallen.

In juni stelde het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat de mentale druk op jongeren om te presteren en zich te onderscheiden dusdanig toeneemt dat hun gezondheid eronder dreigt te lijden. In dat onderzoek wordt vooral naar sociale media verwezen als boosdoener.

Onderzoek van de Evangelische Hogeschool onder bijna duizend jongeren tussen de 16 en de 22 jaar liet in april dit jaar zien dat meer dan de helft van de respondenten druk ervoer om te slagen. Een op de vier is bang om te mislukken in het leven. EH-directeur Els van Dijk zei naar aanleiding van dat onderzoek dat jongeren denken dat het leven maakbaar is. „Het gaat om míj, ík moet het leuk hebben. Ik zie weinig verlangen om vrucht te dragen en in deze wereld van betekenis te zijn. Ik zie eerder jongeren die tegen de toekomst opzien.”

Ook Dirk-Jan Nijsink, jeugdwerkadviseur bij de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten (JBGG), ziet dat de druk op jongeren toeneemt. „De jeugd van nu heeft nine-eleven op het geboortekaartje staan. Ze groeien op in een onveilige wereld van terrorisme, vluchtelingenstromen en klimaatverandering. En dan was er nog de economische crisis van 2009 die hun heeft meegegeven dat ze maar één kans krijgen om te slagen voor hun opleiding. Missen ze die kans, dan hebben ze pech gehad.”

Dat jongeren in de waarneming van Nijsink niet meer toekomen aan bidden en Bijbellezen, baart hem de meeste zorgen. „De constante in het christelijk leven is altijd Bijbellezen en bidden geweest. Die zijn de voeding en de adem van het geestelijk leven. Jongeren van nu hebben het zo druk dat ze er vaak niet meer aan toekomen. En als ze het wel doen, doen ze het vluchtig, merk ik als catecheet. Laten we jongeren vooral helpen. Dat doen we door te laten zien dat we niet in het vluchtige leefschema van de wereld gaan, maar dat we gericht zijn op de dingen die boven zijn, waar Christus is. De Rustgever voor vermoeide en belaste jongeren.”