Indiëveteraan vertelt niet het hele verhaal

Thamara Kaufmann () uit Rotterdam luistert naar de herinneringen van Indiëveteraan Bert Kamerman (90) uit Ridderkerk. beeld Cees van der Wal
3

Lugubere vrachten vervoerde Bert Kamerman (90) met zijn ambulance. Spreken over zijn diensttijd in Nederlands-Indië doet de veteraan met kippenvel. Hij zwijgt op de vraag of hij mensen heeft gedood. Liever vertelt hij over de apen Keesie en Henkie.

Ik groeide op in een streng gereformeerd gezin. Mijn ouders kerkten bij dominee Kersten. Die kerk van de gereformeerde gemeente in Rotterdam stond aan het eind van onze straat. Ik was de oudste van zeven kinderen. Ik heb één broer en vijf zussen onder me. Op de oudste zus na zijn het allemaal SGP’ers. Ze proberen met me over het geloof te praten, maar ik kan dat niet opbrengen. „Laten we over normale dingen praten”, zeg ik dan.

Twaalf jaar was ik toen de oorlog uitbrak. Een vriendje in de straat zei: „Joh, ik weet wel een baantje voor je. Je moet om vier uur in de ochtend beginnen.” Ik zei: „Oké, maar wat gaan we doen dan?” „Zand scheppen.” Het was wel voor de Duitsers, maar dat interesseerde me niet.

Na de oorlog gaf ik me op als oorlogsvrijwilliger. Ik wilde marinier worden. De man bij wie ik me moest aanmelden, vroeg: „Hoe oud?” „Zeventien.” „Nou, dan moet je later nog maar eens terugkomen.” Dan ga ik varen bij de koopvaardij, dacht ik. Ik was een eigenwijs jongetje. Nog steeds ben ik trouwens niet gemakkelijk. Ik werd aangenomen, maar mijn vader belde het bedrijf. „Als die jongen weggaat en hij komt nog eens terug, breek ik allebei z’n benen.” „Je gaat niet mee, het mag niet van je vader”, zeiden ze. Toen ben ik maar banketbakker geworden.

Toch wilde ik bij de marine. In Volkel deed ik op mijn twintigste in drie maanden tijd de opleiding tot marinier. Ik stond er niet bij stil dat ik naar Indië zou gaan, maar op een dag moest ik me melden bij de haven in Rotterdam. Mijn vriendinnetje stond me uit te zwaaien, mijn ouders niet. Drie maanden later schreef ook het meisje me af.

Ik lag midscheeps onder in het ruim van de Waterman, een vrachtschip met 2300 man aan boord. Als marinier had ik de beste wapens, de beste kleding en ook de plek waar je het minst last had van de deining. Maar krap dat het was. Ik sliep bovenin, op het vijfde ”tampatje”. Als ik naar bed wilde, moest ik de jongens onder me waarschuwen; ik kom eraan hoor.

Toch was de reis een prachtige cruise van 23 dagen. Je schopt een geintje, schiet een foto en maakt een praatje. Vliegende vissen belandden aan boord. En alle opvarenden waren jongelui van mijn leeftijd. We kregen aan boord ook les in het Maleis. Tellen lukt nog steeds; satu, dua, tiga, empat, lima. Het enige minpunt was dat je lang in de rij moest staan voor je eten.

Ik kon me geen voorstelling maken van het land waar we naartoe gingen, Nederlands-Indië. Ik wist dat ik ernaartoe ging om te vechten, maar dacht daar niet over na. Als jongens onder elkaar spraken we er ook niet over.

Acclimatiseren

Op Oost-Java, bij Surabaja, kwamen we aan land. Het was alsof er een warme deken op me viel. Er hangt daar een bijzondere lucht. Het is warm, maar op een droge manier. Niet hinderend. Heerlijk.

Aan wal kregen we een geweer. De volgende ochtend zei de commandant: „Loop de ”kali” maar in.” Daar stonden we dan, tot onze borst in de rivier, het geweer boven het hoofd. Dat noemen ze acclimatiseren, begreep ik later. Maar waarom we daarvoor per se in de kali moesten staan, snap ik nog steeds niet. We deden in datzelfde water onze grote boodschap. Wat geinig was; als je snel omkeek, zag je de vissen het zo opvreten.

Ik hoorde dat ik chauffeur zou worden. Voor mijn militaire rijbewijs reed ik met kapitein Kuijt een rondje over Oost-Java. „Je bent al geslaagd hoor”, zei hij halverwege, „maar we gaan even lekker een stukje rijden.” Zo werd ik kanonnentrekker in Probolinggo. Ik koppelde zo’n schietijzer aan de trekhaak van mijn truck en reed ermee naar de zandzee bij Bromo. Daar schoten ze overdag wat 25-ponders de zee in. Flauwekul, nergens voor nodig. ’s Avonds bracht ik het spul weer terug naar de kazerne.

In de nacht van 18 december 1948 begon de tweede politionele actie. Ik werd ambulancechauffeur en moest naar Babat, 70 kilometer ten westen van Surabaja. Een gevaarlijk gebied. In een politiebureau dat we hadden gevorderd, bevonden zich twee verpleegafdelingen; een steriele voor de Nederlanders en een niet-steriele voor de Indiërs.

Aan de overkant van het bureau stond een huis, de Drijversmess. Daar sliepen we. Bijna iedere nacht werden wij, een mannetje of vijftien, beschoten vanuit de moskee. Voor de tralies van mijn kleine kamertje lagen zandzakken. Daar hoorde ik de kogels in ploffen, al sliep ik naderhand gewoon door.

Eén keer ben ik bang geweest. Ik moest achter een .50-mitrailleur een wachtpost bemannen bij het hospitaal. Ik zat in een klein kamertje, eenhoog. Voor me was het pikkedonker, ik zag geen hand voor ogen. „Hier schieten ze me helemaal lek”, dacht ik. Wat was ik blij toen die uren voorbij waren.

Dradenvanger

Iedere dag reed ik naar de stad Surabaja. Daar was een groot ziekenhuis. Ik vervoerde mensen met een gebroken been, maar ook doden of wat daarvoor doorging, zogezegd. Zowel burgers als Nederlandse militairen kregen hulp. Elke rit met mijn ambulance, nummer 2497, was gevaarlijk. De auto was aan alle kanten open. Voor op de ambulance was een dradenvanger gemonteerd. Het Tentara Nasional Indonesia (TNI) spande namelijk draden over de weg, op nekhoogte. Als je geen scherpe driehoekige stang op je motorkap had, sneed zo’n draad zo je hoofd eraf. Helaas heeft mijn huishoudelijke hulp bij het afstoffen van een modelauto van die ambulance, de dradenvanger beschadigd. Die moet ik binnenkort eens repareren.

Niet alleen de draden, ook landmijnen waren een gevaar. Eens ontplofte er één precies onder een wiel. Alleen de band was kapot. Ik haalde mijn schouders erover op. Geluk gehad.

Op weg naar Surabaja kreeg ik begeleiding. Voor me reed een jeep met een .30, achter een M5 met een .50. Halverwege de route was er een tankval die de genie met een houten constructie had gedicht. De vijand had die gesloopt. De weg was daardoor voor ons afgesloten. In Indonesië neem je niet even een andere route. We stonden stil, en op dat moment ben je een schietschijf.

De infanterist achter de .50-mitrailleur draaide door. Dit was dé weg, en die was afgesloten. Hij begon te schieten met die lichtmunitie, mensenkinderen! Heel de kampong stond in lichterlaaie. Vanuit het dorp kwam geweervuur terug. Ineens had ik een brandend gevoel in mijn knie. „Haha”, lachte mijn maat Adriaan. „Ik plak er wel even een pleister op.” Schampschotje. Het litteken zit er nog steeds.

Het gevaarlijkste deel van de route was de Nimbampas. Aan beide kanten van de smalle weg waren hoge rotsen. ”Ploppers”, kampongbewoners die ons als vijand zagen, plopperden stukken steen naar beneden als wij langskwamen. Dat weerhield ons er niet van om in het weekend die pas te nemen, zodat we op open terrein oude munitie konden opmaken. Dat was leuk, een hobby van ons. We hebben het weer gerooid, dacht ik iedere keer dat ik veilig terugkwam in Babat.

Doodgemarteld

Nog goed herinner ik me het telefoontje op die ene zondagmorgen. Luitenant Teeken was die nacht, ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen, met twaalf man de jungle ingegaan. Vanmorgen zat ik me nog af te vragen waarom hij dat toch deed. In ieder geval werden vier van zijn mannen tijdens die patrouille doodgemarteld. Vier anderen werden gevangengenomen en zijn later bevrijd.

Het TNI had de gewoonte om doden in de kali Sungai Bengawan Solo te gooien. Wij als Nederlanders hadden een net gespannen in de rivier, zodat we de lichamen konden opvangen. Die zondagochtend werden we gebeld of we direct met de ambulance naar Rengel wilden komen. „Er liggen een paar mariniers, die moet je even ophalen”, werd ons verteld. Mijn bijrijder vloekte toen we de kali naderden. „Kijk eens wat dáár ligt, joh”, hoorde ik hem zeggen. Aan de waterkant lagen vier lichamen. De vijand had ze verschrikkelijk toegetakeld. De oren en penis eraf, de ogen uitgestoken. De hoofden opgezwollen door het water. Ik voelde me misselijk worden.

Ik heb die dag geschoten op het TNI. Of het raak was, ga ik je niet vertellen. Daarna deed ik lange handschoenen aan en trok ik onder geweervuur samen met verpleger Adriaan de dode militairen uit de kali. De lichamen legden we op de draagbaar, brachten ze naar de ambulance en reden naar Surabaja. Gelukkig hing er een gordijntje in de auto tegen de lucht. Bij aankomst legden we de lichamen op een zinken plaat. Toen zat mijn klus erop.

Mensenbloed

Het was een vreselijk gebied daar. Maar als ik opnieuw twintiger was, en weer voor de keuze zou staan of ik zou gaan, zou ik het opnieuw doen. Je zag daar miljoenen sterren. Zo mooi. Een maat kon er uren over vertellen. Ik vond dat interessant.

Overdag haalden we geintjes uit. We koppelden een aanhanger halfvol water achter een truck. Deden een wedstrijd wie het hardst achteruit kon rijden. Dat ging altijd fout. Dat gaf klappen, dat wil je niet weten. De monteur was pis- en pisnijdig als er weer eens een wiel af lag of de trekhaak was verbogen. Maar dat was ons uitje. Wat was er nog meer leuk daar? We hadden twee apen, Henkie en Keesie. Die zaten vast aan twee 30 meter lange mitrailleurbanden. Mooie beestjes waren dat.

Achteraf gezien vocht ik niet aan de goede kant. Hier, dit is een pamflet dat ik van een boom heb afgetrokken. Er zit mensenbloed op. Overal lees je ”merdeka”, ”merdeka”, ”merdeka”. Vrijheid, vrijheid, vrijheid. Onze doldwaze regering had ons nooit naar Nederlands-Indië moeten sturen. Wij zijn een flutlandje, daar wonen 60 miljoen mensen. Dat land is van ons, dachten wij. Maar de Indonesiërs hebben recht op een eigen bestuur.

In 1948 werd ons verteld dat Indonesië van ons was. Daar dacht ik verder niet over na. Ik voel me daarom ook niet schuldig over wat ik heb gedaan. Als knul van twintig gíng je gewoon. Je mocht, voordat je wegging, drie weken gratis met de tram en trein het land door met je meisje. Daar genoot ik van. Ik kan de geschiedenis nu toch niet meer terugdraaien.

In Indonesië liggen 6000 van onze jongens. Ongehoord. Er wordt weinig over gesproken. Als er nu twee jongens omkomen in Mali staat het paginagroot in de krant. Om mij heen vallen de Indiëgangers weg. Van de maten met wie ik ben opgeleid, ben ik de enige die nog over is. Daar zit ik weleens over na te denken.

Zelf ging ik na Indië weer door. In de burgermaatschappij heb ik als directeur van twee bedrijven goed geboerd, mag ik wel zeggen.

In de jaren 80 ging ik twee keer terug naar Indonesië, de eerste keer samen met een maat. De warme deken viel weer op me. We stonden bij het graf van een kameraad van mijn maat op de begraafplaats Kembang Kuning in Surabaja. Ze waren samen op patrouille geweest. „Hé Gerrit, schiet eens een beetje op”, had hij gezegd tegen de jongen achter hem. Maar Gerrit schoot niet op. Ze hadden hem in zijn rug gestoken.

Gerrit was geen familie en geen vriend. Maar wel een maat, al kende ik hem niet. We hebben samen staan janken.

Meewerken aan deze serie? Mail naar avginkel@rd.nl.

Twee jaar in levensgevaar

Even écht luisteren. Een generatiekloof dichten. Jong vraagt, oud vertelt. In deze serie vertellen getuigen van historische gebeurtenissen hun verhaal door aan jongeren. Zodat hun verhaal voortleeft. Deel 3.

Thamara: Achteraf gezien waren politionele acties fout, maar wel te begrijpen

tekst Thamara Kaufmann

„Kamerman liet mij zijn fotoboek zien, en zo ontstond bij mij een beeld van wat hij in zijn jeugd heeft meegemaakt. Ik zag foto’s van mariniers; jonge, vrolijk lachende mannen. Ontkenden ze met hun lach dat ze in oorlogsgebied zijn? Drong het niet tot hen door? Viel het naar hun waarneming wel mee?

Achteraf gezien waren de politionele acties fout, maar ze zijn wel te begrijpen. De Nederlandse regering was geschrokken van de opstand in Indië. Ze wilde het recht herstellen en de orde handhaven.

Ik snap wel dat Kamerman, net als zijn collega’s, naar Nederlands-Indië ging. Anders had hij moeten deserteren, dat is ook geen optie. Zelf zou ik in zijn situatie ook zijn gegaan.

Als er een dezer dagen een Nederlandse militair tijdens een missie omkomt, worden daar persberichten en krantenpagina’s aan gewijd. Toen niet. Zesduizend Nederlandse militairen zijn omgekomen in Indonesië. Het is belangrijk dat we deze mannen gedenken. Vrienden van Kamerman kwamen terug met een oorlogstrauma.

Indiëveteranen zijn aan veel gevaren blootgesteld. Ze hebben, net als hedendaagse militairen, een grote mate van moed getoond. De militairen van nu worden geëerd, de militairen die zeventig jaar geleden vochten, verdienen dezelfde eer.”