Handhaver, vraagbaak en hulpverlener

Jeroen van Reen: „Ik verwacht dat onze bevoegdheden alleen maar zullen toenemen.” beeld RD, Anton Dommerholt
2

Er wordt volop gediscussieerd over hun uitrusting en veel burgers zien het verschil niet met een ‘gewone’ politieman. Intussen zijn de buitengewone opsporingsambtenaren –boa’s– onmisbaar geworden voor de leefbaarheid in grote delen van de stad.

Ad Ermstrang

Het is koud en het winkelcentrum van Veenendaal oogt op deze donderdagochtend nog vrij verlaten. Jeroen van Reen (35) maakt op zijn fiets een rondje door het centrum. Met zijn felgele hesje met daarop de letters ”Handhaving” is de 2 meter lange opsporingsambtenaar een opvallende verschijning. Z’n tweewieler is nog fonkelnieuw en voorzien van een kunststof ketting. „Speciaal voor ons gemaakt. Die kan niet meer breken of eraf lopen.”

Als hij zijn fiets aan de hand neemt en zich tussen de mensen begeeft, weet het publiek hem al snel te vinden. Bij de toegang tot de Hoofdstraat blijkt een road blocker niet goed te werken. De paal, die kentekens moet herkennen, laat reparateurs en bevoorraders met willekeur door. Enkele monteurs die er niet langs kunnen, vragen Van Reen om raad. Een gehaaste pakketbezorger wil weten of hij niet beter kan gaan lopen. Iets verderop wordt de boa benaderd door enkele bouwvakkers die de weg zoeken.

„Zo gaat het altijd”, aldus Van Reen. Zijn donkerblauwe uniform van de buitengewone opsporingsambtenaar verschilt duidelijk van dat van een agent of een parkeerwacht, maar dat is voor de meeste burgers geen punt. Of ze zien dat niet eens. „Zodra je maar even stilstaat, ben je een vraagbaak. Daarnaast ben je hulpverlener. Zo heb ik tijdens de gladheid een vrouw geholpen die met haar fiets onderuit was gegaan.”

Van Reen is pas kort in functie. Enkele maanden geleden, op 1 december 2018, trad hij aan bij de gemeente Veenendaal, die op zoek was naar een nieuwe coördinator voor het boa-team. „Ik heb eerder bij de marechaussee gewerkt en daarna als wijk- en hoofdagent en was toe aan een nieuwe uitdaging.” Op de achtergrond speelde bij zijn beslissing mee dat het boa-werk veel minder onregelmatige tijden kent, vertelt hij tijdens een ronde door het centrum. Dat kwam hem goed uit, nu zijn gezinnetje enige tijd geleden is uitgebreid met een dochter.

Drank

Veenendaal telt bijna 65.000 inwoners. De stad heeft veel winkels en een streekfunctie voor de omgeving. Er werken momenteel acht buitengewone opsporingsambtenaren, zes mannen en twee vrouwen. Daarnaast draaien er het hele jaar door twee stagiairs mee in de diensten. Het team bestaat uit vier wijkboa’s en vier handhavers die zich meer bezighouden met specifieke aandachtsgebieden: drank en horeca, afval en jeugd. Dat laatste is volgens Marrie van Rijn, die binnen de ambtelijke organisatie verantwoordelijk is voor het team, niet vanzelfsprekend. „Je ziet het wel steeds vaker: boa’s die als hoofdtaak de jeugd hebben, zich richten op plekken waar jongeren samenkomen en een band opbouwen met jongerenwerkers en wijkagenten.”

In de stad op de Utrechtse Heuvelrug zijn de boa’s, ooit ontstaan uit de stadswachten, al zeker tien jaar actief. „De politie is er voor de openbare orde en de veiligheid. Hét verschil met de politie is dat de boa zich richt op de leefbaarheid”, legt Van Rijn uit in een vergaderruimte van het Veenendaalse gemeentehuis. De boa heeft wel de bevoegdheid om handelend op te treden bij verkeerd parkeren. Daarnaast wordt er gekeken naar overlast van afval en hondenpoep en houden de ambtenaren een oogje in het zeil bij de stations en andere plekken waar door kriskras neergezette fietsen trottoirs of toegangswegen kunnen worden versperd. „Preventie staat daarbij voorop”, geeft Van Rijn aan. Door de grote capaciteitsproblemen bij de politie neemt het werk eerder toe dan af. „De wijkagent komt er vaak niet aan toe om de leefbaarheid en wat daarmee samenhangt in de gaten te houden.”

Vuurwerk

De surveillance is, in wisselende diensten, op werkdagen van acht ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. Op zaterdag wordt er tot ’s middags half zes over de leefbaarheid gewaakt en op zondag zijn de handhavers vrij. Van Rijn: „En tijdens een koopzondag is er een keer gepatrouilleerd. Maar de ervaringen waren dusdanig dat dat niet behoefde te worden herhaald.”

’s Nachts wordt er vrijwel nooit gewerkt. Een uitzondering vormt de ramadan. En voor de eerste maal kwamen de Veenendaalse boa’s tijdens de voorbije jaarwisseling in de nachtelijke uren in actie om de twee ingestelde vuurwerkvrije zones in de gaten te houden. Het kwam niet tot ongeregeldheden.

In de aanloop naar de jaarwisseling ontspon zich een landelijke discussie over de uitrusting van de buitengewone opsporingsambtenaren (zie ”Wapenstok en spray”). Gewoonlijk hebben de boa’s alleen handboeien. Op sommige plaatsen is dat in overleg met de regionale toezichthouder uitgebreid met bodycams: cameraatjes op de jas. In Veenendaal worden die alleen ingezet bij toezicht in de uitgaanswereld. „We hebben voor die sector ook ontheffing voor het gebruik van de wapenstok aangevraagd. Er loopt een aanvraag bij de toezichthouder”, zegt Van Rijn. De meningen lopen uiteen. Zo is in delen van Gelderland de wapenstok wel toegestaan.

Van Reen denkt dat pepperspray en wapenstok in Veenendaal niet echt nodig zijn. „Het is geen echte uitgaansgemeente en er lopen hier weinig tot geen gewelddadige mensen rond. Als er wat gebeurt, is er snel hulp van de politie beschikbaar. Dat ligt in sommige grote steden heel anders. Of in meer landelijke gebieden, voor bijvoorbeeld eenzame boswachters. Dan kan een wapenstok of pepperspray nuttig zijn.”

Verhitte discussies

Agent, parkeerwacht en boa zijn voor de burgers soms moeilijk te onderscheiden. Dat is geen wonder. „We mogen bijvoorbeeld geen fietsverlichting controleren, maar wel burgers die door het winkelcentrum fietsen aanspreken. Parkeerboetes geven mag weer wel, maar het is niet aan boa’s voorbehouden. Ook de speciale parkeerwacht –in Veenendaal omschreven als P1– en politieagenten schrijven bonnen voor foutparkeerders uit.”

Vooral dat onderdeel van het werk levert soms verhitte discussies op. Van Reen reageert laconiek: „Mensen kunnen inderdaad gaan schelden. Maar ze zijn dan ten diepste vooral boos op zichzelf.” Je moet er wel tegen kunnen, voegt hij eraan toe. „Het is belangrijk in sommige gevallen een dikke huid te hebben.” Van Rijn beaamt dit. „Het is een lastig vak, want handhaaf je niet dan is het niet goed bij de een. En handhaaf je wel, dan vindt de ander het niet goed. Het is heel moeilijk om iedereen tevreden te stellen.”

Belangrijker vindt Van Reen het om te denken in oplossingen. „Je probeert vooraf om overlast te voorkomen.” In de wijk gebeurt precies hetzelfde. „Als je ziet dat een tuin verandert in een wildernis, is er vaak sprake van een dieperliggend probleem. Dan heb je misschien de hulp van zorgverleners of buurtbemiddeling nodig.”

Te dure auto

Sinds enkele jaren is de opleiding voor boa’s verzwaard en het aantal fysieke trainingen verhoogd. Van Reen denkt dat de nieuwe generatie handhavers zich de komende jaren steeds verder zal ontwikkelen tot een professionele organisatie voor leefbaarheidsvraagstukken. „Vrij onbekend is dat je in de wijken let op wat in opsporingsland ondermijning heet. Een te dure auto voor een goedkoop huurhuis of een café waar nooit iemand komt. Daar moet je oog voor krijgen. Dat kun je melden bij de wijkagent, maar misschien kan er in het gemeentehuis ook nader worden onderzocht hoe het zit met bepaalde vergunningen. Ik verwacht dat onze bevoegdheden de komende jaren alleen maar toenemen.”