Geurt Jongbloed, mijmerende wiskundige

Prof. dr. Geurt Jongbloed. beeld Sjaak Verboom

„Zorg dat je goed oplet bij wiskunde, want als je het aan het begin niet snapt, komt het nooit meer goed.” Zo stuurde zijn vader Geurt Jongbloed naar de mavo in zijn geboortedorp Lunteren. Hij lette op, en op zijn achttiende ging hij wiskunde studeren in Delft. Daar is hij sinds tien jaar hoogleraar mathematische statistiek.

Een interview? „Ik ben een beetje verlegen met de vraag.” En na een ja: „Als je het niets vindt, maak je er maar een klein stukje van.” We spreken af in, zoals hij zegt „Lunteren City”, Jongbloeds woonplaats sinds zijn geboorte.

Repos Ailleurs staat er op het huis waar hij met zijn vrouw Simone en drie nog thuiswonende kinderen woont. De rust is elders. Vanwege een verhuizing op zijn werkplek kan de hoogleraar niet in Delft terecht. Daar is hij voorzitter van de afdeling wiskunde van de Technische Universiteit (TU): Delft Institute of Applied Mathematics. Normaal gesproken komt hij er vier of vijf keer per week en is hij regelmatig van ’s morgens zes tot ’s avonds acht van huis. Reden genoeg om te overwegen om op termijn naar Delft te verhuizen. Hoewel, Jongbloed ziet ook voordelen in het reizen met de trein. Het biedt hem de mogelijkheid om in alle rust te werken en door te lopen van station Delft naar de universiteit heeft hij voldoende beweging.

Hij voelt zich geen autoriteit als het gaat over het spanningsveld tussen geloof en wetenschap. De twee brachten hem nooit uit zijn evenwicht. Trouw zijn op de plaats waar je staat, dat is wat Jongbloed hoog in het vaandel heeft.

Waar houdt een hoogleraar mathematische statistiek zich dagelijks mee bezig?

„Met het ontwikkelen en bestuderen van wiskundige modellen die gebruikt kunnen worden om het ontstaan van data, van gegevens, te beschrijven. Sommige projecten, meestal uitgevoerd in samenwerking met promovendi, liggen dicht tegen bepaalde toepassingen aan. Bijvoorbeeld het project waarin op basis van metingen aan metaal wordt geprobeerd optimale instellingen te achterhalen voor het productieproces. Een ander voorbeeld is het verbeteren van modellen die worden gebruikt om te bepalen of er een weeralarm moet worden afgegeven. Andere projecten zijn meer fundamenteel van aard, waar principes om modellen te bouwen wiskundig worden bestudeerd.

Naast dit onderzoek begeleid ik bachelor- en masterstudenten bij hun eindproject en geef ik uiteraard colleges. Verder participeer ik in verschillende initiatieven waarin mijn vakgebied een belangrijke rol speelt, denk aan onderwerpen als big data en data science, waarover nogal veel te doen is. Ook ligt de vernieuwing op het gebied van het wiskundeonderwijs voor ingenieurs me na aan het hart.

Daarnaast vraagt de taak van voorzitter van de afdeling momenteel veel van mijn aandacht. Op de afdeling wordt er wiskundig onderzoek gedaan op een veel breder gebied dan alleen mijn eigen specialisme. Ook verzorgt de afdeling vrijwel al het onderwijs in de wiskunde aan de opleidingen van de TU Delft. Als onderdeel van de TU willen we ons verhouden tot alles wat er verder aan deze universiteit gedaan wordt en waar wiskunde een belangrijke rol speelt. Als afdeling willen we binnen het internationale landschap van wiskundeonderzoek een belangrijke rol spelen. Veel toepassingen vragen om oplossingen van nieuwe uitdagende wiskundige problemen. Een actueel voorbeeld is de bouw van de kwantumcomputer waaraan de afdeling QuTech binnen de TU Delft hard werkt. Daarbij komen fundamentele wiskundige problemen kijken waar wij binnen onze afdeling ook aan werken.”

De kwantumcomputer?

„De kwantumcomputer zal gebruikmaken van principes uit de kwantummechanica, waardoor deze grootschalige problemen snel kan oplossen. Dit betekent bijvoorbeeld dat codes en wachtwoorden door zo’n kwantumcomputer snel gekraakt kunnen worden. Een interessante vraag is dan: hoe maak je codes die tegen het geweld van deze computer bestand zijn?

Een project van heel andere aard is dat van een collega die met het brandwondencentrum in Beverwijk onderzoek doet naar het helen van brandwonden. Via numerieke computersimulaties kun je daar allerlei berekeningen over maken en het mogelijke effect van bepaalde behandelingen voorspellen zonder deze al meteen op de patiënt toe te passen.”

Vanuit deze werkelijkheid even een grote sprong: ziet u God in de wiskunde?

„Ik zie mijn werk vanuit het perspectief van iets groters, van Gods schepping. Ik kan God niet direct in de wiskunde aanwijzen. Wel zie ik hoe mooi dit onderdeel van de schepping is. Van een mooi, kort, inzichtelijk bewijs kan ik erg genieten. Maar dan zeg ik niet direct: hier vind je God. Dan maak je het zo klein. Is het allemaal niet veel groter?”

Dus in de schoonheid ziet u God?

„Ja, Zijn hand. Voor mij is God ook aanwezig in de manier waarop ik mijn werk mag doen. De rol, de verantwoordelijkheid die ik heb, de manier waarop ik in het (werkzame) leven sta.”

Een studie wiskunde zet je aan het denken over de werkelijkheid om je heen.

„Ik voel me geen autoriteit om over bepaalde grote zaken vanuit de wetenschap te zeggen: zo zit het. Die discussie over schepping en evolutie bijvoorbeeld. Voor mij staat vast dat God het ons heeft willen vertellen zoals het in de Bijbel staat. Als later, in de eeuwigheid, zal blijken dat het op de een of andere manier anders zat dan er nu over gedacht wordt, zou ik me op geen enkele manier bedrogen voelen.

Rationeel gezien kom je misschien niet goed weg met deze redenering, maar ik heb altijd als er iets dergelijks op mij afkwam het al mijmerend aan God kunnen voorleggen. Tijdens een wandeling bijvoorbeeld. In het vertrouwen dat Hij dat hoort, dat Hij erbij is.

Voor mij is God een realiteit. Ik heb nooit getwijfeld aan Zijn bestaan. Mijn vak gaat over modelleren. Juist in het bouwen van modellen, in het creatieve proces, is er geen eenduidigheid. Dat maakt me voorzichtig met absolute uitspraken die gebaseerd zijn op modellen. Modellen zijn tot op zekere hoogte altijd subjectief. Ook modellen binnen bepaalde natuurwetenschappen komen altijd bij een punt uit waarbij gezegd moet worden: als we –vaak op goede gronden– hier en daar van uitgaan, dan...

Een studie wiskunde stimuleert je bij uitstek om vanuit bepaalde basisaannamen door te redeneren, dingen tot de essentie terug te brengen. Met welke aannamen staat of valt een conclusie? Er zijn ook mensen die proberen beschreven zaken in de Bijbel wetenschappelijk te onderbouwen. Ik kan die inspanning wel waarderen, maar ik laat me er niet direct door over- tuigen. Ik heb hun boeken niet nodig om te kunnen zeggen: God bestaat. Daarvoor heb ik een ander Boek tot mijn beschikking.”

Uit wat voor nest komt u?

Zonder nadenken: „Een heel warm nest met een rustige vader en een wat drukkere moeder. Ik heb één broer, die is sportjournalist bij de Gelderlander. We woonden aan de Dorpsstraat in Lunteren in de buurt De Polle bij de molen. Zo’n typisch dorpsbuurtje waar binnen de generatie van mijn vader zeker zeven mannen hun hele leven woonden. Mijn vader en zijn broer incluis.

Als ik nu naar onze kinderen kijk, is dat geen vergelijk met mijn jeugd. Ze hebben veel meer gezien en gehoord en groeien op in een totaal andere wereld. Ik ging na de basisschool in Lunteren naar de mavo. Gewoon, omdat die hier was en omdat ik bij mijn vader als loodgieter in de zaak wilde werken. Maar de decaan van de mavo adviseerde me om naar de havo te gaan en daar, in Ede, ging ik op basis van een volgend advies meteen van 4 havo naar 5 vwo. Op mijn achttiende was ik klaar op het vwo en besloot ik wiskunde te gaan studeren in Delft. Achteraf heb ik van mijn moeder wel gehoord dat mijn vader het er even moeilijk mee had dat ik hem niet opvolgde, maar mijn ouders hebben me altijd gesteund. Ze zochten een kostadres voor me op. Ik kwam bij fijne, gelovige mensen terecht. Daar zie ik iets van Gods leiding in.

Achteraf denk ik dat een loodgieterszaak toch niets voor mij geweest zou zijn. Ik zag hoe vervelend mijn vader het vond dat hij soms achter een onbetaalde rekening aan moest of klachten kreeg over de hoogte van de rekening. Dat zou ik ook hebben. Mijn moeder was anders, en zei op den duur: „Zal ik gaan naar die boer die altijd klaagt?” Dat aanbod greep mijn vader direct aan. Toen ze terugkwam, vroeg hij: „En, is het gelukt, wat zei die?” „O, toen hij begon te klagen over het bedrag zei ik: „Henk dacht: dit is een grote boer, die kan wel wat meer betalen, zodat ik het eens gratis kan doen bij een arme sloeber.” De boer vond dat prachtig.” Lachend: „Mijn moeder heeft die humor en dat gevoel dat je een boer het beste kunt kietelen door te zeggen dat hij een grote boer is.”

Wat voor vader bent u?

„Heb je een meerkeuzeantwoord? Ik was geen held, ik ging niet in het reuzenrad bij de Koningin Julianatoren. Daar schaam ik me ook niet voor.

Als ouders proberen we onze kinderen te stimuleren zich te ontwikkelen in de interesses die ze hebben zonder daarbij veel te sturen.”

Waar schuurt het in uw leven?

„Als ik hoor van ouders die hun eerste kindje moesten verliezen bij de geboorte, dan schuurt het. Maar het schuurt ook weer als die ouders toch spreken over Gods goedheid. Hoe kan dat?

En snap je als gelovige dat er concentratiekampen waren op deze wereld, dat kinderen onrecht wordt aangedaan, dat er honger is. Ook dat schuurt. Als ik daarin machteloos sta, mag ik het bij Hem neerleggen. Dat kan goedkoop overkomen, maar wat moet je er anders mee? Op de plaats waar ik gesteld ben, heb ik de taak om te zoeken naar wat wel kan bestaan in Gods ogen. Daar moet ik naar handelen.”

Wat ontroert u?

Het blijft lang stil. Jongbloed kijkt voor zich uit. „Ik kan geen rode draad ontdekken in wat me ontroert. Toen mijn vader, die laatste avond... ’s Middags was ik nog even thuis langs geweest en zat hij aan tafel. Hij was al ruim een jaar ernstig ziek. Die avond belde mijn moeder dat het niet goed ging. Ik ging er meteen heen en de ambulance bracht hem naar Ede, naar het ziekenhuis. Met mijn moeder en broer heb ik bij hem gezeten. Hij heeft ons toen persoonlijk toegesproken.

Hij was een eenvoudige man zonder veel woorden. Maar hij sprak zijn waardering uit voor mijn moeder en voor ons. Toen was ik ook wel ontroerd, maar ik zat nog meer in de flow van: „Pa, probeer lekker te slapen.” Nu ontroert het me op een andere manier. Het kwam heel dichtbij. Het paste niet bij hem om zo te spreken. In die laatste weken heeft hij herhaaldelijk zijn zorg uitgesproken over hoe het met mijn moeder verder moest. Dat ontroert me. Zo uniek.

Ik moet ook denken aan een student die een moeilijke periode doormaakte. Veel kan ik daar niet over zeggen, maar ik zag de zorg van ouders en van een zus die met hem meeging naar de bibliotheek zodat hij even een uurtje kon studeren. Mensen die zichzelf wegcijferen voor een ander, dat vind ik heel ontroerend. En die band met het nest waaruit je komt en het gezin dat je zelf vormt. Als je ziet dat mensen het goede zoeken voor elkaar. Mooi is dat.”

Levensloop prof. dr. ir. Geurt Jongbloed

Geurt Jongbloed (1968) werd geboren in Lunteren. Hij studeerde wiskunde aan de Technische Universiteit Delft en promoveerde daar in 1995 in de mathematische statistiek. Daarna werkte hij als onderzoeker bij het Agrotechnological Research Institute (ATO-DLO) in Wageningen. Van 1997 tot 2007 was Jongbloed werkzaam als universitair (hoofd)docent aan de wiskundeafdeling van de Vrije Universiteit Amsterdam. Sinds 2007 is hij hoogleraar aan de TU Delft. Jongbloed is getrouwd met Simone van Assenbergh. Samen hebben ze vier kinderen in de leeftijd van 16 tot 22 jaar. Het gezin leeft mee met de hervormde gemeente Lunteren.