Geeske Zijp heeft geen slaapkamer nodig

Geeske Zijp rijdt op haar motor door Mongo, Tsjaad. beeld Jaco Klamer
4

Haar slaapkamer is een matje onder een boom, ergens in het Afrikaanse Tsjaad. „Ik heb geen slaapkamer nodig”, zegt verpleegkundige Geeske Zijp (54). „Ik heb een kussen, een muskietennet en kan water drinken als ik dorst heb. En als het regent kan ik binnen liggen.”

Zijp leeft uiterst eenvoudig. Een eigen huis of auto mist ze niet, een man en kinderen evenmin. „Ik heb besloten dat ik in Tsjaad een aantal kinderen een toekomst wil geven en daardoor voel ik me rijk. Mijn familie staat achter me, en de Leprazending steunt me. Dat bemoedigt me.”

Geeske Zijp trok als jonge verpleegkundige vanuit haar geboorteplaats Ermelo naar Thailand, om daar te werken onder Cambodjaanse vluchtelingen die het Rode Khmerregime, dat er eind jaren zeventig de scepter zwaaide, ontvluchtten. „Het was zeer zwaar”, herinnert ze zich. „Ik werkte in een oorlogssituatie met mensen die benen moesten missen, terwijl rondom ons de bommen ontploften.”

Ze kan zich nog herinneren dat ze, tegen de gewoonte in, na een werkdag terugkeerde naar het ziekenhuis omdat ze iets was vergeten. Zo zag ze dat alle medicijnen uit het ziekenhuis werden geroofd om gebruikt te worden door de strijdende partijen. Kort daarop kwam het team waar ze deel van uitmaakte terecht in een veldslag tussen het Thaise, het Cambodjaanse en het Vietnamese leger. „We brachten de tijd sidderend door, tot we werden geëvacueerd.”

Aan de spanningen in Thailand hield Zijp lange tijd angst voor onverwachte geluiden over. „Zo raakte ik op een nacht, terug in Nederland, totaal in paniek toen militairen in de buurt een oefening hielden.”

Verloskundige

Het avontuur zocht ze nooit op, stelt ze. „God bracht me iedere keer naar de landen waar ik moest werken.”

Zijp besloot een opleidingvoor verloskundige te volgen, omdat 
ze zich bij supervisie op de kraamafdeling in Thailand vaak bijzonder onkundig voelde. Ze toog daarvoor naar Birmingham, in Groot-Brittannië: een verblijf dat ze als zeer verrijkend heeft ervaren.

Na haar diplomering werkte ze een tijd in een ziekenhuis in Sudan, vlak bij de grens met Eritrea, en korte tijd in Noord-Irak, om vervolgens voor de Leprazending in Tsjaad terecht te komen.

Haar eerste periode daar duurde drie jaar, waarna een tijd in Congo volgde. „Ik heb daar veel geleerd over lepra en tbc”, zegt ze. „Bovendien leerde ik motorrijden op een crossmotor”, lacht Zijp.

Toen Hutu’s in haar werkgebied slaags raakten met militairen, moest Zijp worden geëvacueerd. „Ik had geen tijd om afscheid te nemen en moest in de haast al mijn eigendommen achterlaten. Berooid kwam ik aan op Schiphol.”

Na de evacuatie uit Congo keerde Zijp terug naar Tsjaad, maar ook haar werkgebied in Tsjaad veranderde in 2008 in oorlogsgebied. Voor de vierde keer moest Zijp een land in allerijl verlaten. „Ik lag twee dagen onder een tafel, en moest toen Tsjaad ontvluchten.”

Zorg

Ze keerde terug en begeleidt in Tsjaad nu verpleegkundigen die voor leprapatiënten zorgen. Het idee dat lepra bijna is verdwenen, klopt niet, maakt Zijp duidelijk. „Er komen nog steeds nieuwe gevallen bij. Gelukkig hoeven mensen nauwelijks nog bang te zijn voor besmetting, want de behandeling is goed. Na twee dagen behandelen is het besmettings­gevaar geweken.”

Als de ziekte vroegtijdig wordt opgespoord, raken zenuwen minder aangetast en raken mensen niet gehandicapt, aldus Zijp. Een belangrijk probleem is dat veel mensen in Tsjaad zich er volgens haar nog voor schamen, uit angst te worden verstoten. Het gevolg is dat de ziekte vaak nog te lang doorwoekert. „Pas meldde zich nog een leprapatiënt bij wie een been moest worden geamputeerd. Hij vond zelf echter dat hij op tijd hulp had gezocht.”

Leprazending vat haar taak overigens ruimer op dan enkel zorg voor lepra, verduidelijkt Zijp. Zo probeert de stichting er ook voor te zorgen dat mensen met lichamelijke beperkingen mobiel kunnen blijven. Orthopedische voorzieningen, zoals aangepaste schoenen, krukken of een rolstoel, horen dus ook bij het zorgpakket. Of een ezel, zodat mensen actief kunnen blijven op het land.

In ruime zin proberen Zijp en haar collega’s ervoor te zorgen dat leprapatiënten hun plek in de maatschappij in kunnen blijven nemen. „We lichten mensen met een handicap in over hun rechten en bieden hun bescherming, desnoods door het inschakelen van een advocaat.”

En als er honger is, zorgt Leprazending voor voedseluitdelingen. In een enkel geval wordt er bovendien voor onderdak gezorgd. Zijp: „Pas kreeg ik nog een baby aangeboden van wie de moeder was overleden. Ook de burgemeester bood me een keer een baby aan, maar ik vind de zorg lastig te combineren met mijn werk. Ik heb overigens al wel twee kinderen in huis genomen: de blinde Botol en Jean, die aan congenitale staar leed, maar daaraan geopereerd kon worden. Beide jongens leefden in een uitzichtloze situatie.”

Mooiste jurkje

Zijp is in haar dorp betrokken bij een kleine christelijke gemeente. Ook al is de omgeving voor het overgrote deel islamitisch, de gemeente kan zonder problemen bij elkaar komen. „Maar christen zijn kun je ook op straat”, zegt Zijp. Ze vertelt het verhaal van een jongen met een epileptische aanval die ze pas op straat zag liggen. „Ik hielp hem op de been, terwijl omstanders lachten om de situatie en geen hand uitstaken. Ik zocht de vader van de jongen en droeg de jongen aan zijn zorg over.”

Ze lacht: „Ouderlingen die het hoorden, vonden dat ik goed werk had verricht en gingen voor mij bidden. Maar die jongen had natuurlijk eerder gebed nodig voor herstel en helpende handen.”

Juist in ellende zie je veel van het werk van God, zegt Zijp. „Ik denk vaak terug aan een Congolese moeder die haar baby verzorgde die leed aan ernstige diarree. Het meisje had haar mooiste jurkje aan en telkens als het smerig werd, waste de moeder het weer met liefde, wetend dat het daarna weer vies zou worden, en wetend dat haar dochtertje waarschijnlijk niet in leven zou blijven. Dat zijn zulke bijzondere herinneringen.”

Ze vertelt nog een verhaal, van een moeder van een kindje met een dodelijke bloedziekte. „Ze bracht haar kind naar school, ging met hem naar het ziekenhuis en deed met hem fysiotherapie, terwijl ze wist dat haar kind snel zou sterven. Prachtig: die grenzeloze liefde van een moeder voor een kind dat door iedereen al is opgegeven.”

Sterfgeval

Zijp hielp mee aan de oprichting van een blindenschool in Tsjaad, met steun van een blinde oom en een kerkgemeenschap in Ermelo. Ook haar pleegzoon Botol is er leerling.

Op die school maakte ze ooit een ontroerend incident mee. Op een nacht moest een ernstig zieke 22-jarige leerlinge van de school met de ambulance naar de hoofdstad Ndjamena. Zijp vergezelde haar samen met haar moeder, haar broer en een nichtje. Halverwege die tocht naar Ndjamena bleek dat Khadidja de nacht niet zou overleven.

Zijp: „We hebben haar stervend uit de ambulance getild en in het open veld gelegd. Uren lagen we naast het dode meisje onder de sterrenhemel, te wachten op de auto van Leprazending die ons zou komen halen. Een paar dagen daarvoor lagen we nog samen onder de klamboe. Ik huilde die nacht niet. Ik was verstomd en dacht terug aan het zesjarige meisje dat ik, als een van de eersten, met mijn mobilette ophaalde voor de blindenschool.”

Khadidja stierf die nacht aan acute suikerziekte. „Veel leerlingen van de blindenschool raakten door haar sterven in de war. Ze vroegen zich af hoe het kan dat iemand een opleiding voltooit en dan sterft. Ze vonden dat onrechtvaardig, en waren boos. Khadidja was een van de eerste leerlingen die christen waren geworden en zich hadden laten dopen. Door haar keuze hadden ook andere scholieren zich tot God gewend. Ik probeerde de leerlingen te laten zien dat Khadidja veel voor ons had betekend, en dat we God 
daarvoor dankbaar mochten zijn. Khadidja was een voorbeeld voor ons en was ons tot zegen geweest.”

De islamitische familie van Khadidja vroeg Zijp of zij de begrafenis in haar geboortedorp wilde leiden. Khadidja is in de jurk begraven waarin ze een jaar daarvoor was gedoopt.

„Veel mensen denken dat God niet bestaat als ze een jonge vrouw sterft die nog een mooie toekomst vóór zich heeft. Ik denk het tegenovergestelde: ik weet dat God er altijd is. Khadidja was een voorbeeld voor andere kinderen. Een autistische jongen met wie niemand goed overweg kon en die met geen stok naar school te krijgen was, is na haar overlijden totaal veranderd. Tranen stroomden over zijn wangen.”

Bandieten

Zijp zegt de leiding van God ook te hebben ervaren toen ze tijdens een autorit door Tsjaad werden beschoten. „Bandieten hadden het op de chauffeur gemunt om de auto buit te maken. Maar hij boog diep over het stuur en trapte het gaspedaal tot op de bodem in. De kogels vlogen ons letterlijk om de oren. Ik dook ook weg en voelde een kogel langs mijn haar schuren. De elektriciteitskabel werd geraakt en alle metertjes op het dashboard vielen uit, maar de motor bleef desondanks draaien. Toen we veilig waren, constateerden we dat dertien van de veertien draadjes in de kabel doorboord waren. Het veertiende draadje werd gespaard, en juist dat draadje zorgde ervoor dat de auto bleef rijden. Het was een wonder!”

„Ja”, zegt Zijp. „Er waren vaak momenten waarop ik had kunnen sterven, dat besef ik goed.”