Eindelijk rust na bange vlucht uit Syrië

Ahmad Dahly vluchtte in 2015 vanuit Syrië naar Nederland. In 2017 kwamen ook zijn vrouw Roshin en hun vier kinderen hierheen. beeld RD, Henk Visscher
7

De één zei: Welkom. De ander riep: Wegwezen! In de zomer en herfst van 2015 riep de sterke toename van het aantal asielzoekers in Nederland tegengestelde reacties op. Tienduizenden Syriërs, Eritreeërs en andere vluchtelingen zwierven maandenlang langs locaties voor noodopvang en reguliere asielzoekerscentra. Daarna kreeg het gros ergens in het land een woning toegewezen. Hoe vonden ze hun weg in de samenleving?

Zijn kinderen moeten in een veilig land opgroeien. Dat staat de Koerdische kleermaker Ahmad Dahly (40) voor ogen als hij in 2015 besluit Syrië te ontvluchten. Hij wil niet deelnemen aan de strijd tussen Arabieren en Koerden, die in zijn regio steeds feller oplaait. Een vlucht naar West-Europa lijkt hem de enige uitweg.

Vijf jaar later blikt Ahmad –inmiddels herenigd met zijn gezin– terug. Hij zit op de bank in zijn rijtjeswoning in Amersfoort-Schothorst. Vanuit de kamer kijkt hij uit op een grasveld waar kinderen spelen. In de kast staan de ingelijste portretten van zijn vader en moeder. Ze overleden lang voordat hij naar Nederland kwam.

Ahmad groeit op in Afrin, een stad in het noorden van Syrië. In 2008 trouwt hij met Roshin (nu 31). Ze krijgen vier kinderen, nu in de leeftijd van zes tot en met elf jaar. De oorlog in Syrië maakt gaandeweg een eind aan een rustig bestaan. In de zomer van 2015 vlucht Ahmad naar West-Europa, in de hoop dat zijn gezin hem spoedig kan volgen.

Ahmad Dahly vluchtte in 2015 vanuit Syrië naar Nederland. In 2017 kwamen ook zijn vrouw Roshin en hun vier kinderen hierheen. beeld RD, Henk Visscher

Samen met een paar broers en neven steekt Ahmad de grens naar Turkije over. „Het was gevaarlijk, maar we zijn gelukkig niet beschoten door Turkse militairen.” Na een verblijf van enkele weken in het land van Erdogan stapt Ahmad op een overvol bootje om de Middellandse Zee over te steken, naar Griekenland. „We kwamen aan op een eiland waarvan ik de naam niet meer weet.”

Een week later komt hij aan in Athene. Mensensmokkelaars brengen Ahmad en andere vluchtelingen vanuit de Griekse hoofdstad in een vrachtauto naar Nederland. Begin september 2015 vraagt de Koerd in het aanmeldcentrum in Ter Apel asiel aan. Het is de tijd dat de opvangcentra voor asielzoekers overvol zijn en overal in het land locaties voor tijdelijke noodopvang uit de grond worden gestampt.

Burgemeester

Ahmad verhuist binnen een jaar na zijn aankomst in Ter Apel geregeld van de ene opvangplek naar de andere. Goede herinneringen bewaart hij aan de twee maanden dat hij in Amersfoort verblijft, eerst in een sporthal, later in een school. „Er kwamen veel vrijwilligers. Ze gaven ons eten en we kregen Nederlandse les. Het was echt gezellig. De burgemeester kwam ook bij ons op bezoek.”

Als de noodopvang in Amersfoort sluit, vertrekt Ahmad naar een tijdelijke locatie in het voormalige Militair Luchtvaartmuseum op de grens van Zeist en Soesterberg, waar plaats is voor 750 vluchtelingen. Daarna volgen Wageningen, Arnhem en Utrecht. Acht maanden na aankomst in Nederland ontvangt hij een verblijfsvergunning, vanwege de gevaarlijke situatie in zijn door oorlog geteisterde land. Vanuit het azc in Utrecht kan hij uiteindelijk een woning in Amersfoort betrekken. Vrijwilligers uit de keistad helpen hem het huis in te richten. „Ik heb veel spullen gratis gekregen en we gingen ook naar de kringloop.”

Intussen maakt Ahmad zich grote zorgen om zijn gezin, dat nog in Afrin is. De telefonische bereikbaarheid van zijn vrouw is vaak slecht. Soms krijgt hij langdurig geen contact, waardoor hij niet weet hoe het met haar en de kinderen gaat. „Het was echt een moeilijke tijd. Soms kon ik weken niet slapen.”

Lange tijd weten beiden niet of ze elkaar ooit weer zullen zien. Ook voor Roshin is die periode zwaar, vertelt ze. „In Syrië werd het steeds gevaarlijker. De kinderen durfden niet meer buiten te spelen. Toen ik na zijn vertrek wekenlang niets van Ahmad hoorde, was ik bang dat hij niet meer leefde. Ik wist dat er onderweg naar Europa mensen verdronken. De kinderen vroegen elke dag: „Waar is papa?” Ik zei: „Ik weet het niet. We moeten wachten, wachten, wachten.””

Groot is de blijdschap als Ahmad haar laat weten dat hij veilig in Nederland is aangekomen. Later volgt het bericht dat hij een verblijfsvergunning heeft en dat zijn gezin hem mag nareizen. Diverse keren onderneemt Roshin een gevaarlijke tocht, onder meer naar Aleppo, om aan officiële reisdocumenten te komen. Na diverse pogingen slaagt ze daarin en is de weg vrij om, vanuit Libanon, met vier kinderen en twee volle koffers naar Schiphol te vliegen.

Het moment van gezinshereniging, in april 2017, herinnert Ahmad zich nog goed. „We gingen met acht auto’s naar Schiphol, met veel familie en vrienden. Ik kon bijna niet geloven dat mijn gezin eindelijk echt zou komen. Toen we elkaar zagen, moesten we huilen.”

beeld RD, Henk Visscher

Protesten

Ahmad Dahly is een van de ruim 4000 Syriërs die in september 2015 in Nederland asiel aanvragen. De sterke toename van het aantal vluchtelingen in die tijd roept uiteenlopende reacties op in de samenleving. Terwijl op de ene plek honderden vrijwilligers iets voor de ontheemden willen betekenen, klinken er in andere plaatsen felle protesten tegen plannen van de gemeenten om een azc of noodopvanglocatie te openen.

Dr. Leo Lucassen, hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden en directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, zag de stemming in Nederland in 2015 veranderen. „In het begin overheerste een positieve sfeer. Velen identificeerden zich met vluchtelingen en zeiden: „We moeten hen welkom heten en helpen, op grond van humaniteit.” In de loop van de herfst sloeg dat om.”

Die kentering werd, analyseert Lucassen, versterkt nadat in de nieuwjaarsnacht van 2016 in Keulen en andere Duitse steden vrouwen werden beroofd en lastiggevallen door grotendeels kansloze asielzoekers uit Noord-Afrika. „Toen kwam sterk de opvatting naar voren dat vluchtelingen een groot gevaar vormen en niet assimileerbaar zijn. Zeker op lokaal niveau lieten tegenstanders van de komst van een azc luid en duidelijk van zich horen. Dat betekent niet dat de meerderheid van de bevolking er zo over dacht, maar dit beeld overheerste wel in de media.”

Hoewel ook in de jaren negentig de bulk van de asielzoekers uit het Midden-Oosten en de Hoorn van Afrika kwam, naast veel mensen uit het voormalige Joegoslavië, is pas sinds 2015 de aandacht voor de islamitische achtergrond van de nieuwkomers aanzienlijk toegenomen. Sterker dan in de jaren negentig, toen de asielinstroom een piek kende van mensen uit het voormalige Joegoslavië, werd bij protesten in 2015 gewezen op de invloed van de islam, schetst Lucassen. „Het nieuwe frame was: immigratie is onwenselijk, zeker als het om moslims gaat, want die ontwrichten onze samenleving. Die gedachte kreeg een enorme duw door ”nine-eleven” en terroristische aanslagen door geradicaliseerde moslims in Europa. De daders van zulke aanslagen waren overigens bijna nooit vluchtelingen, maar kinderen van arbeidsmigranten.”

Een beeld dat geregeld opduikt, is volgens Lucassen dat van „primitieve, niet te veranderen moslims die eropuit zouden zijn om hun godsdienst aan iedereen op te leggen.” Hij stelt echter dat onderzoeken, bijvoorbeeld van het Sociaal en Cultureel Planbureau, uitwijzen dat dit beeld op „verreweg de meeste moslims en al helemaal op de meeste moslimvluchtelingen” niet van toepassing is. „Velen zijn juist gevlucht vanwege dictaturen en radicale uitingen van de islam in hun land van herkomst.”

Barmhartigheid

Angst voor toenemende invloeden van de islam kwam ook Jan Pieter Mostert geregeld tegen toen hij in 2015 op lokale bijeenkomsten sprak over zorg voor vluchtelingen. Hij is directeur van Stichting Gave, een interkerkelijke organisatie die werkt onder het motto ”gevlucht, gezien, geliefd”. Een van Gaves speerpunten is kerken met elkaar verbinden zodat ze zich samen voor asielzoekers inzetten als er een azc wordt geopend.

Mostert erkent dat „zeker de radicale islam” een bedreiging voor christenen kan vormen, maar plaatst dat direct in een breder kader. „Alles wat je van Jezus Christus afhoudt, is een gevaar. Op informatieavonden vraag ik weleens: Wat houdt je eerder van Hem af, de islam of bulkende rijkdom?”

De Bijbel is, zegt Mostert, duidelijk in haar oproep om barmhartigheid te tonen aan mensen die lijden, „ook als je daarbij risico’s loopt.” Hij voegt eraan toe dat het daarom van belang is als christen de geestelijke wapenrusting te dragen waarover Efeze 6 spreekt. „Het gaat erom dat we persoonlijk geborgen zijn in Jezus Christus.”

Bij het omzien naar vluchtelingen beperkt Gave zich niet tot praktische zorg, benadrukt Mostert, al stuit dat soms op weerstand, „bij kerken die in de hoek van de bevrijdingstheologie zitten.” Voor Gave zijn diaconaat, pastoraat en missionair werk onlosmakelijk met elkaar verbonden. „De Heere Jezus deed het allemaal. Hij genas zieken, vergaf zonden en verkondigde het Koninkrijk van God. Wij delen niet alleen van het goede uit de Bron, maar ook de Bron Zelf. Het een kan niet zonder het ander.”

Ondanks zorgen die er onder christenen leefden, zag Mostert tijdens de vluchtelingencrisis van 2015 „enorm veel bereidheid” bij mensen om iets voor asielzoekers te betekenen. „In die tijd trokken onze informatieavonden soms 300 bezoekers. Op den duur nam het aantal asielzoekers af en verdween het onderwerp uit de actualiteit. Nu zijn we al blij als er enkele tientallen belangstellenden op een informatieavond zijn. Al komen er minder vluchtelingen naar Nederland dan vijf jaar geleden, met zo’n 20.000 per jaar zijn het er nog steeds veel. Er is genoeg werk te doen.”

Integratie

Het gros van de tienduizenden Syriërs en Eritreërs die in 2015 naar Nederland kwamen kreeg een verblijfsvergunning en woont nu verspreid over steden en dorpen in het hele land. „Wat we er op dit moment van weten is dat ze tamelijk stilletjes hun plek hebben gevonden in de samenleving”, zegt prof. Leo Lucassen. „Pas over twintig jaar kun je echt iets zinnigs zeggen over hun integratie, maar ik heb geen reden om er pessimistisch over te zijn.”

Bij Gave kreeg het belang van goede integratie de afgelopen jaren toenemende aandacht, stelt Mostert. Zijn organisatie kreeg meer oog voor problemen waartegen vluchtelingen aanlopen nadat ze een verblijfsvergunning hebben gekregen. Hij noemt als voorbeeld spanningen die ontstaan in huwelijken. Reden voor Gave om sinds enkele jaren vanuit een Bijbelse basis speciaal huwelijksweekenden voor vluchtelingenechtparen aan te bieden.

„In de Arabische cultuur bijvoorbeeld is de man de baas. In Nederland zie je soms dat een vrouw sneller de taal leert dan haar echtgenoot. Intussen doet de man qua werk een paar stappen terug op de maatschappelijke ladder, als hij al een baan kan vinden. Dat kan voor allerlei spanningen zorgen, zeker als moeder en dochters ontdekken dat ze in West-Europa meer vrijheden hebben dan in de Arabische cultuur.”

Ook als het om werk gaat, liggen culturele problemen op de loer, schetst Mostert. „Terwijl Gave in zekere zin expert is op het gebied van interculturele contacten is onze organisatie in de afgelopen jaren meer dan eens allochtone medewerkers kwijtgeraakt. Dat kwam doordat we elkaar, met uiteenlopende culturen, niet goed begrepen. Daar ben ik niet trots op, maar het geeft aan hoe moeilijk het soms is goed met cultuurverschillen om te gaan.”

Vroeg of laat krijgt Nederland opnieuw te maken met een flinke toename van het aantal asielzoekers, verwacht zowel Mostert als Lucassen. „Het grote aantal vluchtelingen in 2015 had alles te maken met onder meer de escalatie van de situatie in Syrië onder Assad. Zo’n brandhaard kan zomaar weer ergens in bijvoorbeeld het Midden-Oosten ontstaan”, zegt Lucassen.

Hij houdt er bovendien rekening mee dat klimaatveranderingen tot een „grootschalige migratie” zouden kunnen leiden, bijvoorbeeld als laaggelegen gebieden overstromen of er ergens juist enorme droogte ontstaat. Hij tekent daarbij aan dat het dan naar verwachting vooral om migratie in de eigen regio, binnen delen van Azië en Afrika, zal gaan. „Ik verwacht geen massale trek naar Europa, Amerika of Australië.”

Nederland zou er goed aan doen een buffercapaciteit van opvangplekken aan te houden voor situaties waarin het aantal asielzoekers ineens toeneemt, zegt Lucassen. „Al decennia klinkt echter de mantra dat zulke voorzieningen een aanzuigende werking hebben. Daarachter zit de gedachte dat asielzoekers vooral hierheen komen als ze het idee hebben: daar word ik prettig opgevangen en maak ik een goede kans.”

Onderzoek wijst volgens Lucassen uit „dat het zo simpel niet ligt. Niet pull-, maar pushfactoren zijn het meest bepalend, zoals blijkt uit een recent overzicht van de European Asylum Support Office. Vooral politieke onderdrukking en wanorde bepalen dat mensen op de vlucht slaan. Dat zag je duidelijk in 2015. Driekwart van de mensen kwam uit haarden waarvan erkend werd dat er echt iets mis was.”

Taalschool

In Amersfoort heeft de Koerdische Ahmad Dahly vijf jaar na zijn komst naar Nederland z’n weg gevonden. Hij volgde twee jaar een taalschool. Ook deed hij een halfjaar vrijwilligerswerk in een kringloopwinkel. Vanwege behandelingen aan zijn gebit als gevolg van een bacterie –„ik had veel pijn”– kwam dat stil te liggen. Momenteel heeft hij geen (vrijwilligers)werk. In de toekomst wil hij graag weer als kleermaker zijn brood verdienen. „Jullie hebben daar geen grote bedrijven voor, zoals in Syrië. Misschien moet ik een winkel voor kledingreparatie beginnen. Maar ik wil nu eerst mijn rijbewijs halen.”

Het gezin leeft van een uitkering. „Het is niet veel, maar ik zeg tegen de gemeente: „Dank je wel.” Als je in Syrië geen werk hebt, krijg je geen uitkering.” Bij het boodschappen doen, kijken Ahmad en Roshin in welke winkels producten het goedkoopste zijn. Bovendien krijgen ze wekelijks een pakket van de voedselbank.

Kerk en moskee

Ahmad vindt het belangrijk dat er in Nederland goed onderwijs is. Zijn kinderen bezoeken een openbare basisschool in de buurt. Zoon Murad is in zijn vrije tijd een fervent voetballer. Hij traint drie keer per week bij VV Hoogland, met steun van het Jeugdsportfonds. De dochters hopen op korfbal of turnen te kunnen gaan.

Dochter Robshin schuift even aan op de bank. Ze zit in groep zeven. „Ik ben nu drie jaar en zes maanden in Nederland. Ik dacht dat het moeilijk zou zijn om de taal te leren, maar het is best makkelijk.” Wat ze later wil worden? „Architect.”

In Amersfoort had Ahmad vanaf het begin contact met onder andere christelijke vrijwilligers. „Ik ben vaak mee naar de kerk geweest. Daar werd mijn hart rustig.” Sinds vrienden hem erop aanspraken dat hij niet meer in een moskee kwam, maar wel een kerk bezocht, bleef Ahmad op zondag thuis. „Ik dacht: dan stop ik met allebei. Voor mij maakt het niet uit of je moslim of christen bent.”

Ahmad is blij dat hij altijd een beroep op Nederlanders kan doen, bijvoorbeeld als hij formulieren die hij in de bus krijgt niet snapt. „Nederland is een land van papieren, veel papieren.” Hij wijst naar mappen in de kast die vol zitten met brieven van de gemeente, de school en de belastingdienst.

Roshin richt zicht voorlopig op de zorg voor de kinderen. In de toekomst wil ze misschien kapster worden. Thuis kookt ze graag Koerdisch eten, maar ze raakte ook bekend met de Nederlandse keuken. Er staan geregeld pannenkoeken of een pan tomatensoep op tafel. „Mijn vrouw kan heerlijk koken”, complimenteert Ahmad haar.

„Ik ben tevreden over Nederland”, zegt de Syriër. Roshin knikt: „We hebben een mooi huis en het is hier veilig. Waar het veilig is, is het goed.”

Vluchtelingenpiek in 2015 door oorlog in Syrië

Ruim 43.000 ontheemden dienen in 2015 in Nederland een eerste asielverzoek in. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van 2014, toen het om een kleine 24.000 ging. Vanaf de zomer van 2015 stijgt vooral het aantal Syrische vluchtelingen sterk: van 2825 in de maand augustus tot 5249 in oktober.

In totaal komen in 2015 18.677 vluchtelingen uit het door oorlog getroffen Syrië hierheen, het aantal nareizigers (familieleden van vluchtelingen die een verblijfsvergunning kregen) niet meegerekend. Na Syrië komen de grootste groepen uit Eritrea (7359), Irak (3009) en Afghanistan (2550).

De sterke stijging van het aantal asielzoekers in 2015 plaatst het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) voor grote capaciteitsproblemen. Verspreid over het land worden duizenden asielzoekers tijdelijk opgevangen op locaties voor noodopvang, onder meer in een tentenkamp in Heumensoord, bij Nijmegen, en in sport- en evenementenhallen in steden als Goes en Zwolle.

De mogelijke komst van een opvanglocatie leidt in verscheidene plaatsen, zoals Geldermalsen, Heesch en Purmerend, tot hevige rellen. Diverse gemeenten zien daarna af van het openen van een (tijdelijk) opvangcentrum voor asielzoekers.

Simone Kennedy. beeld RD, Henk Visscher

Bevriend met vluchtelingen uit de noodopvang in een sporthal

Een Amersfoortse sporthal wordt in een dag tijd omgebouwd tot tijdelijke verblijfsplaats voor 102 vluchtelingen. Op 1 oktober 2015 komen ze bij de crisisopvang aan. Simone Kennedy staat met andere vrijwilligers klaar om de ontheemden een warm onthaal te bieden. Wekenlang trekt ze intensief met de groep op. Vijf jaar later heeft ze met velen nog steeds contact.

Zoals zo veel gemeenten krijgt Amersfoort in 2015 van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) het verzoek tijdelijke opvang te bieden. De gemeenteraad besluit mee te werken, blikt Kennedy, raadslid voor de ChristenUnie, terug. Zelf begint ze meteen de Facebookgroep Gastgezin Amersfoort, waarna zich al snel honderd vrijwilligers melden die iets voor de vluchtelingen willen betekenen. Intussen biedt een kerk in Vathorst, de Kruispuntgemeente, de verantwoordelijke wethouder ook helpende handen aan.

Met drie bussen arriveren de vluchtelingen op 1 oktober in Amersfoort. Met andere vrijwilligers wacht Kennedy hen op. De vluchtelingen komen vooral uit Syrië en Eritrea en zijn nog geen twee weken in Nederland. „Een kleurrijk, bont gezelschap.” Kennedy’s oog valt op een vrouw die er „ziek, zwak en misselijk” uitziet en naar de ingang strompelt. Ze blijkt een longziekte te hebben. Slapen op een stretcher in de sporthal is voor haar onmogelijk. „Ik heb haar mee naar huis genomen. Ze heeft een paar nachten bij ons geslapen, totdat er een bed voor haar was in de opvang.”

Petitie

Na een week in de sporthal te hebben gebivakkeerd, verhuist de groep naar de leegstaande Anne Annemaschool, die op de nominatie staat om gesloopt te worden. Dagelijks staan er vrijwilligers klaar om voedsel en kleding te distribueren, taalles te geven en andere activiteiten te organiseren. Als een van de twee hoofdcoördinatoren is Kennedy zo’n dertig uur per week voor de vluchtelingen in touw.

Op 11 november heeft het COA plek voor de groep in een regulier asielzoekerscentrum in Zeist en komt er een eind aan de crisisopvang. Intussen zijn er vriendschappen ontstaan tussen vluchtelingen en inwoners van Amersfoort. „Als vrijwilligers hebben we de burgemeester met een petitie verzocht de vluchtelingen, als ze een verblijfsvergunning zouden krijgen, in Amersfoort een woning aan te bieden. Daar heeft hij zich sterk voor gemaakt. Meer dan de helft woont nu hier.”

De asielaanvraag van een echtpaar uit Oekraïne wordt na verloop van tijd afgewezen. Dit stel wordt uitgezet naar zijn land, evenals een Egyptenaar. Enkele Irakezen hebben na vijf jaar nog steeds een asielprocedure lopen en wonen al die tijd in een azc. „Een tragisch verhaal”, zegt Kennedy. Ze vertelt ook over echtparen die gescheiden zijn –„het ging vaak om gearrangeerde huwelijken”– en over vluchtelingenkinderen die bij haar in huis kwamen vanwege huiselijk geweld. Bij anderen deelde ze in de vreugde van gezinshereniging. „Regelmatig stonden vrijwilligers met een vluchteling op Schiphol als zijn familie hierheen kwam.”

Veel van de nieuwkomers die in haar stad noodopvang kregen, beschouwt Kennedy als vrienden. Nog steeds springt de Amersfoortse, getrouwd met historicus prof. James Kennedy, wekelijks minimaal twee keer bij in het contact met een advocaat of rond problemen met gemeentelijke regelingen of schulden. Loslaten vindt ze moeilijk. „Onze tweede auto is kapot gegaan, nu hebben we er nog maar één. Dat helpt. Ik moet nu soms gewoon zeggen: Ik kan niet met je mee, want ik heb geen auto.”

Geen azc, wel extra opvang statushouders na hevig protest

Tientallen borden en spandoeken die duidelijk maken dat een azc in Geldermalsen niet welkom is, een raadsvergadering die wreed wordt verstoord door demonstranten en een telefonische bedreiging voorafgaand aan het geladen debat. Voor Lourens van Bruchem vormen de rellen rond de mogelijke komst van een azc, eind 2015, een dieptepunt in zijn loopbaan als SGP-raadslid.

Lourens van Bruchem. beeld Arianne Fotografie

Kan Geldermalsen plaats bieden aan een azc voor 1500 bewoners? Die vraag ligt begin december 2015 op tafel bij de gemeenteraad. „We werden daar eerst als fractievoorzitters vertrouwelijk over geïnformeerd”, blikt Van Bruchem, na een gemeentelijke fusie fractievoorzitter van de SGP in West Betuwe, terug.

„We hebben een verantwoordelijkheid in deze wereld en moeten vluchtelingen helpen”, vat hij zijn eerste reactie op het voorstel samen. „Daarbij vind ik het wel belangrijk dat iemand echt vluchteling is. Want juist door het surplus aan economische vluchtelingen bestaat het gevaar dat we mensen die in hun land werkelijk gevaar lopen, niet meer goed kunnen helpen.”

Als het plan op 11 december 2015 in de openbaarheid komt, roept dit bij een deel van de bevolking felle protesten op, mede vanwege de grote omvang van het azc. Op 14 december raadpleegt de SGP haar achterban tijdens een vergadering met 180 leden. Van Bruchem beluistert ruwweg twee visies: „Een deel zag in de komst van een azc een geweldige kans om inhoud te geven aan evangelisatieactiviteiten, een Bijbelse opdracht. Anderen zeiden: „We willen een stil en gerust leven leiden en daar past de komst van een grote groep moslims niet bij. Dit is een gevaar voor onze kinderen.”” Buiten bonzen lokale tegenstanders van een azc op de ramen van de vergaderzaal.

Telefonisch bedreigd

Na de ledenraadpleging besluit de SGP-fractie het college te vragen om extra tijd te nemen voor de besluitvorming, om eerst meer helderheid te krijgen over de gevolgen van de eventuele komst van een azc. Een amendement hiertoe, dat op brede steun kan rekenen, ligt klaar als de gemeenteraad op 16 december vergadert. Van Bruchem besluit het pas naar voren te brengen nadat de tientallen insprekers aan het woord zijn geweest. Voorafgaand aan die vergadering worden hij en zijn gezin thuis telefonisch met de dood bedreigd vanwege een mogelijke stem voor de komst van een azc. „Persoonlijk maakte mij dit niet bang. Ik ging gewoon op de fiets naar de vergadering. Later realiseerden we ons dat het telefoontje vrij heftig was.”

Als die avond de herrie buiten en ook in het gemeentehuis toeneemt, wordt de vergadering geschorst. „We moesten zo snel mogelijk weg uit de raadszaal. Enige paniek was hier en daar zichtbaar. Het pijnlijkste vind ik dat het democratisch proces op deze wijze werd verstoord. Ook ons amendement kon niet worden ingebracht.” Diverse relschoppers worden later door de rechtbank veroordeeld voor openlijk geweld.

Vlak voor Kerst gaat het plan voor een azc met 1500 bewoners van tafel. „Wel hebben we later besloten enkele tientallen extra statushouders in de gemeente te huisvesten.” Dat er binnen de SGP-achterban uiteenlopende visies waren op de komst van een azc verklaart Van Bruchem mede vanuit diverse Bijbelgedeelten waarop een beroep werd gedaan. Zo verwezen sommigen nadrukkelijk naar 2 Timotheüs 2, waarin het gaat over „een stil en gerust leven mogen leiden.” „Daarachter staat echter geen punt, maar volgt: in alle godzaligheid en eerbaarheid. Dat betekent dat we inhoud moeten geven aan de eerste én tweede tafel van de wet. En dus ook dat we een taak hebben tegenover onze naasten die hulp nodig hebben, waaronder echte vluchtelingen.”