Een zoon wordt steeds meer een vriend

2004 - Er ontluikt bij Marten een stille liefde voor oorlog, vooral die op wereldschaal. beeld RD
17

Op vakantie met je zoon. Alleen met je zoon. Eerst voel je je opvoeder, en probeer je hem wat mores te leren. Bij het ouder worden wissel je van gedachten als twee volwassenen. Dan doe je een nieuwe ontdekking: je blijft twee kwajongens.

Als jongste in het gezin is het afzien. Als jongste van het gezin, met vier meiden boven je, is het echt wel lijden. Dat vindt Marts moeder tenminste. Marten moet maar eens samen met zijn vader weg; gewoon echt eropuit.

Marten zelf reageert wat gereserveerd. Jaren later vertrouwt hij mij toe dat zijn meester net op school had verteld over Izak die met zijn vader Abraham op reis ging. Wat in een kinderbrein allemaal kan opborrelen.

Martens zussen protesteren natuurlijk tegen het mannelijk uitje. En wij dan? Wie blijft er dan nog over om te bemoederen? Wie zal de vaat voor zijn rekening nemen? Of wie schuift er voor de ijssalon? Zomaar wat praktische vragen die zich onmiddellijk opdringen bij hen. Maar moeder is onverbiddelijk. Marten mag met pa op pad.

Het is 2004, een tijd dat de Jeugdbond nog niet om raad gevraagd kan worden; de vader-zoonsurvivals hebben daar nog geen voet aan de grond gekregen. Terwijl de noodzaak daarvan toch al eeuwenoud is. Dus waar kun je beter te rade gaan dan bij je zoon zelf.

Hij heeft wel een ideetje; er ontluikt bij hem een stille liefde voor oorlog. Liefst die op wereldschaal. Mooi, denk ik, dagje Renkum. Nee, zegt Marten, weekje Luxemburg. Het enige compromis is de tijd; het worden drie dagen Diekirch, Bastogne en andere slagvelden. Met de auto, met een tent, met een wegwerp-mini-bbq en met pa’s portemonnee. Dat laatste is vast onderdeel van de nu aanbrekende –min of meer tweejaarlijkse– traditie.

Het museum van Luxemburgse Diekirch is indrukwekkend, de tent knus genoeg voor vertrouwelijke gesprekken, de kip voldoende aangebrand om als roetkip het leven door te gaan (ons leven, de kip redt het niet). En de bekeuring voor te hard rijden is hoog genoeg om de reis onvergetelijk te maken. Het is kortom de moeite waard.

Het is ook leerzaam. Een jaar later ben ik zo bijdehand om zelf met een voorstel te komen. Marten heeft net een prachtige Cannondale-fiets gekregen, een afdankertje van zijn aanstaande zwager, die daarmee voor altijd het hart van de jongen steelt. „We moeten gaan fietsen, joh.” En jawel, hij reageert zoals gehoopt en heeft direct een idee: Parijs! Of gelijk maar Rome? Ik rem alvast wat af: reizen naar Rijssen lijkt mij beter. Het is hem best en we hebben er zin in.

Guiness bier

We hebben inmiddels echt de smaak te pakken en Marten wil graag eens vliegen. In 2009 is het zover: Dublin. Ik denk aan het eeuwenoude Book of Kells dat in die stad is te bewonderen; hij begint over de Guiness bierfabriek die je kunt bezoeken. Ik breng de Christchurch Cathedral ter sprake; hij wijst fijntjes op Templebar, de uitgaanswijk waar je zo lekker fish and chips kunt eten. We krijgen allebei onze zin. Hoewel, Marten mag in de Guinessfabriek wel alles zien maar niet drinken. Ondanks zijn bijna volwassen leeftijd van 15 jaar. Eerder zou ik die gelegenheid uitgebaat hebben. De vader-zoonverhouding verder geoptimaliseerd hebben door hem een slokje van mij te geven. Maar daar hoef je nu niet meer om te komen.

Was het Ryanair of easyJet? Niemand weet het nog. Maar het is een aanbieding om voor een spotprijs naar Krakau te reizen. Het is ook een goed moment. Mijn zoon heeft liefdesverdriet te verwerken. Ik mag het onbeschroomd opschrijven omdat hij inmiddels vijf jaar met de oorzaak van deze depressie is getrouwd. En naar het alle schijn heeft: gelukkig gehuwd. Maar goed, Krakau moet dus medicijn zijn.

Het wordt niet de meest blije reis. Een bezoek aan Auschwitz maakt nu eenmaal niet vrolijk. Maar het is wel leerzaam. En 120 meter onder de grond in een zoutmijn dwalen door nauwe schachten is zeker interessant. Toch haal je terug in de buitenlucht opgelucht adem. Van de Joodse gemeenschap is in Krakau niet veel over, maar sporen zijn er genoeg. En, om de overlevingskracht van het Joodse volk te ervaren kun je in Klezmarhouse terecht. Naast de koosjere gerechten kun je genieten van de Jiddische muziek. Hier leren we hoe ernst en relativering zich kunnen vermengen. Waarbij zelfs liefdesverdriet belachelijke trekjes krijgt.

Doktersbriefje

Boedapest kan het best worden samengevat als nat. Dat weerhoudt er ons natuurlijk niet van de parlementsgebouwen te bezoeken, over de Donau te varen met water onder en boven het vege lijf. Of de Joodse wijk te bezoeken, met de Israëlitische begraafplaats. Onze neuzen te steken tussen de tralies van het hek voor het mausoleum van de familie Schmidt. Vooral onvergetelijk is het bezoek aan het badhuis.

Het Gellért thermaal bad –waar nauwelijks toeristen komen– is rond de vorige eeuwwisseling gebouwd, toen Boedapest zich ontpopte als kuuroord. Nu komen er vooral oudere Hongaren met een doktersbriefje. Zij zoeken in het warme water genezing of verlichting voor reuma, neurologische aandoeningen of orthopedische klachten. Het gebouw, nu het grootste badhuis ter wereld, is aan de oever van de Donau opgetrokken in de stijl van de Sezession (zeg voor het gemak maar de Jugendstil) met talloos veel thermaal- en zwembaden, al dan niet met golfslag, met zout of kruiden. Er zijn massagecabines. Mannen en vrouwen baden strikt gescheiden.

Het is juist de bouwstijl die het Gellért zo’n voornaam aanzien geeft. Langzaam waad je door het water, je geeft je over aan je gedachten, aan de warmte van 43 graden en aan de deftigheid van dit kuuroord. Totdat een geweldige explosie plaatsheeft en nog voor ik mijn hoofd kan draaien, golft het water al over mij heen. Als je het hoofd opheft en het water uit je ogen wrijft en de laatste spetters op je neerkomen, komt het hoofd van Marten tevoorschijn. Bommetje. Hij vindt het goed gelukt. Al de naakte, verwijtende hoofden om me heen, bekijken mij misprijzend. Alsof ik zelf de oorzaak ben van die explosie. Dat mag dan strikt genomen waar zijn, het blijft toch vergezocht. Ik haast me naar de anonimiteit van een naastgelegen stoombad.

Verplichte nummers

Het programma voor Rome (2017) kent natuurlijk enkele verplichte nummers. Wie durft thuis te komen en te zeggen niet in het Pantheon te zijn geweest, of het Colosseum te hebben genegeerd. De St.-Pietersbasiliek laat zich even moeilijk mijden als de Engelenburcht, de Tiber of het Forum Romanum. Marten heeft echter zijn eigen wensen. Hij wordt niet warm of koud van Romus en Remulus, maar raakt in vuur en vlam voor speciale lokale gerechten. Zijn passie voor koken sluit goed aan bij de mijne voor eten. Er moet dus in Rome gefrituurde artisjok op tafel komen. En, hoewel wat algemener, gefillte fisch. Het Joodse kwartier, in de wijk Trastevere, biedt deze specialiteiten.

De wat protserige architectuur van het monument voor Vittorio Emanuele II spreekt hem ook niet zo aan. Hij gaat liever naar het veel onbekendere Quartiere Coppedè, een wijk buiten het centrum. De Florentijnse architect Gino Coppedè kreeg rond 1915 de vrije hand een aantal herenhuizen te ontwerpen en leefde zich helemaal uit.

De gebouwen, waarvan vele nu dienst doen als ambassade of consultaat, zijn opgetrokken in Art deco. Tegelijk zijn er veel klassieke elementen te ontdekken en Moorse invloeden. Het geheel heeft een sprookjesachtige uitstraling. Hier valt te genieten. En we betrappen elkaar. Op onze vader-zoonreizen lopen we, al voortgaande, te zingen of te neuriën. Een familietrekje dat ik wel bij mijn vader had ontdekt, maar nog nooit bij mijzelf.

Terug bij af

Wij zijn terug bij af, maar dan anders. Marten was als jongen een enthousiast vakantieganger, maar nooit een wandelaar. Wandelen acht hij te vermoeiend; eigenlijk ook dom en saai. Meer voor oude mensen, zoals vaders en moeders. Het gebrek aan wandellust dwong ons eerder zelfs onze gezinsvakanties aan te passen. Maar het tij is gekeerd. Marten –inmiddels getrouwd en bezig om in België te bouwen aan een carrière– komt met het voorstel om te gaan wandelen.

Na een eerste wandeltocht door de landkaart belanden we via de Himalaya, het Atlasgebergte, de Kaukasus en de Alpen in Engeland. Wandelen langs de muur van Hadrianus, mijn favoriete keizer. Niet te verwarren met 16e-eeuwse paus Adrianus waarmee ik ook een zekere binding heb. Keizer Hadrianus sprak altijd al tot mijn verbeelding. Deze grote veldheer met zijn innemende naam heeft, anno Domini 122, wat problemen aan de grens, halverwege Brittannië. Zijn opmars stagneert. Zelf zegt hij geen belangstelling te hebben voor het noordelijk deel van het land. Daar leven slechts Schotse barbaren, heidenen van het slechtste soort; laat maar zitten dus.

Maar de Schotten accepteren dit gebrek aan interesse niet. Zij voeren verrassingsaanvallen uit op de Romeinse legers. Op zijn beurt pikt Hadrianus dat niet en laat door zijn soldaten een muur bouwen, waaraan zelfs huidige presidenten een puntje kunnen zuigen. Dwars door Engeland, van Bowness-on-Solway in het Westen tot het uiterste puntje in het oosten, met de verrassende naam Wallsend. De Wall is bijna 120 kilometer lang, drie meter breed en zo’n vier tot soms zes meter hoog.

Langs de restanten van deze muur –inmiddels werelderfgoed– loopt een wandelpad. Zowel voor de jonge als de oude generatie interessant, de route is pittig genoeg maar wel te doen. Marten regelt alles tot in de puntjes. Vliegtickets, verblijfadressen, wandelkaarten, uitrusting en we gaan met zijn auto naar Schiphol. Inchecken, geen probleem, controle bij de douane, geen probleem. Instappen... Mart z’n Belgische identiteitsbewijs, waarmee hij al probleemloos Spanje, Tsjechië en Oostenrijk aanvloog, heeft voor de Britten geen enkele waarde. En zijn paspoort ligt in de auto. Na het uitwuiven van het vliegtuig en het slurpen van een bak sterke koffie besluiten we ons niet te laten beteuteren. Zeker niet door zo’n kleinigheid.

Een nieuw avontuur

Tijd voor crisisberaad. De volgende vluchten die dag zitten vol en opnieuw boeken voor de volgende dag kost een vermogen. Vier dagen in Amsterdam blijven valt voor de familie niet te verbloemen en dus besluiten we te gaan varen. De nachtboot van DFDS heeft nog wat plaatsen en zal ons ’s nachts van IJmuiden overvaren naar Newcastle. Een nieuw avontuur, zeker.

Mét ons schepen er allerhande schoolklassen in. De leeftijden zijn divers, van tienjarigen die onvermoeibaar achter elkaar aanrennen door de boot, tot de vijftienjarigen met een beginnende baard in de keel. Hun stem zet donker aan maar eindigt in een schrille piep. Onophoudelijk werpen ze hun haar naar achteren met een van de tv afgekeken elegantie. Ik vrees deze reis niet zozeer de zee- als wel hun hormoonspiegel.

Enig humor kan die jongeren trouwens niet worden ontzegd. Als we de lift nemen om van het twaalfde naar het tweede dek af te dalen, stapt er wat wandelend testosteron uit. Ze hebben –voor de grap– alle knopjes ingedrukt en de lift houdt op alle verdiepingen halt. Ik zucht, Marten lijkt onbekommerd. Als we ten slotte het juiste dek bereiken en de liftdeur zich ontsluit, staat er alweer een drom jongvolk te wachten. „One moment please”, roept mijn zoon. En zonder blikken of blozen drukt hij alle beschikbare knopjes in en we verlaten de lift. Er is veel veranderd, realiseer ik me. Vroeger zou ik hem de mantel hebben uitgeveegd, nu glim ik van trots. Je blijft twee kwajongens.

Typisch Engels

Al met al heeft de lange reis een dag van onze vakantie afgesnoept. Die tijd moeten we inhalen. Van Wallsend naar Newcastle gaat het per trein. Vervolgens per bus naar Heddon-on-the-Wall. De eerste wandeletappe leggen we af per speciale Hadrian Wall Bus, met het toepasselijk lijnnummer AD 122. De chauffeur –daar zijn we het al direct over eens– moet wel vanaf de andere kant van de muur komen. Hij rijdt ruig en ruw, schots en scheef, ontwijkt kuilen noch bulten. Als we de bus uit rollen, de wagenziekte van ons afschudden, kan de reis echt beginnen.

Het landschap is typisch Engels, althans Northumberlands. Groen heuvellandschap doorkruist met hagen en muurtjes en gestoffeerd met bomengroepen, beken, vennen en meertjes. Schapen met hun dikke vachten en zwarte koppen houden het gras kort. De vacht werpt plukken wol af, die her en der in het landschap verspreid liggen. Het groen wisselt af en toe af met ruige heide. De Hadrian Wall doorsnijdt het landschap (dat onderdeel is van het Nationaal Park Northumberland) en het wandelen is hier goed te doen. Er zijn weinig toeristen, verkeerswegen liggen op enkele honderden meters afstand. Alles ademt rust uit. Het landschap doet denken aan... Mamma Agatha, vindt Marten. Dat is aanknopingspunt voor een gesprek over lezen van boeken, literatuur, detectives en kookboeken. Het fornuis is Marts passie; Mamma Agatha, de Italiaanse kokkin en kookboekenschrijfster uit het stadje Amalfi, ligt hem dan ook voor op de tong, meer dan de Britse schrijfster van detectives Agatha Christie.

Het landschap wordt wat steiler en ruiger. De gesprekken stokken, net als mijn ademhaling. Ter hoogte van het dorpje Once Brewed wijken we van de muur af. We passeren Twice Brewed op weg naar Layside (Hexham) waar een bed wacht. Marten kijkt bedenkelijk. Layside zou toch vlak bij de muur moeten zijn. Dat is ook zo, maar na een pittige wandeling is anderhalve kilometer nog een heel eind. Dat begrijpt onze gastheer ook en de volgende dag brengt hij ons met de auto terug naar The Wall.

Langs de muur passeren we met vaste regelmaat oude forten en om de mijl een observatiepost. De muren zijn over het algemeen niet hoger dan een meter. In de loop van vooral de negentiende eeuw zijn de muren geslecht, de stenen gebruikt om huizen op te trekken.

Bij Housesteads Roman Fort is het tijd de bepakking af te leggen voor een pauze. Buiten het fort wordt de Engelse jeugd onderwezen in het geheim van de Romeinen. Allemaal gekleed in tunica en voorzien van schild en zwaard leren ze marcheren in formatie. Bij het naderen van de vijand –wat argeloze toeristen– wordt de slagorde aangenomen, waarbij de schilden een pantser om de kinderen heen vormen. ’t Gaat even goed, maar dan wreekt zich het ontbreken van het derde geheim van de Romeinse legioenen: discipline.

Reizende predikanten

We mijmeren wat over al die reizende predikanten die de muur hebben beklommen. De 18e-eeuwse John Wesley en George Whitefield moeten vele malen de muur gepasseerd zijn. Net als al die puriteinse voorgangers. Het moeten er heel wat geweest zijn. En allemaal rechtzinnig. Als we de verhalen mogen geloven. Of –we kijken voorzichtig om ons heen of niemand ons afluistert– zouden de tijd en de biografen hen ook wat geheiligd hebben? We kijken elkaar aan en besluiten grootmoedig de waarheid in het midden te laten liggen.

Wel is zeker dat het kerkje van Greenhead er keurig bij ligt. De tuin is een lusthof, de kansel uit goed hout gesneden en het predikantenbord indrukwekkend. Het kan niet voorkomen dat zondagsmorgens slechts twaalf tot dertien mensen –gemiddeld boven de 70 jaar– zich melden om Woord en sacrament tot zich te nemen. Jongeren hebben niet langer behoefte aan de kerkdienst, zegt de tuinvrouw. „De tijden veranderen nu eenmaal.”

Dat beaam ik. Langzaam verschuiven de panelen. Bijna onmerkbaar verandert mijn rol als opvoeder en vader. Marten is volwassen. Zijn generatie wordt nooit mijn generatie. De verschillen zijn best groot. Dat maakt het zo de moeite waard op tijd luisteren en te zwijgen. Van hem te leren. En zo de signalen op te vangen van de hoofdsporen van ons beider leven, waarin de lijn van geslachten zich voortzet. ’t Zal wellicht niet lang duren of hij loopt hier, langs de muur, met de volgende generatie aan zijn zijde.

Maar zover is het nog niet. Eerst hopen we nog eens samen te gaan. Want laat er nu toch iets noordelijker, te midden van de woeste Schotten, nog een muur zijn gebouwd. Anno Domini 142 zette Antonius –een keizer die altijd al tot mijn verbeelding sprak– hier zijn soldaten aan het werk. Dat moet gecontroleerd worden.