De goede kanten van sport zijn nooit helemaal weggepoetst

beeld iStock
2

Sport. Vanouds gaan christenen van reformatorische signatuur daar voorzichtig mee om. Die schroom valt nog steeds te bespeuren, maar tegelijk is er een verschuiving te zien in de manier waarop er tegen de kwestie wordt aangekeken. Een verkenning.

Prima natuurlijk, als je op een plein een balletje trapt. Maar trainen op een club of een sportschool? Dat was in mijn jeugd –jaren tachtig, randstedelijke omgeving, bevindelijk milieu– niet aan de orde.

Sporten in clubverband viel buiten het blikveld, was simpelweg een onbesproken thema. Kennelijk vroegen wij kinderen er ook niet naar. Het was iets uit een andere wereld.

Bij een vriendinnetje, afkomstig uit een hervormd nest, lag dat net even anders. Zij zat op korfbal. Waar in meer behoudende kringen sporten het etiket ”werelds” kreeg en lange tijd categorisch werd afgewezen –zoals blijkt uit bijvoorbeeld kerkbladen– was de toon in hervormde hoek beduidend gematigder – hoewel er in bijvoorbeeld ”De Waarheidsvriend” zeker ook waarschuwende woorden klonken.

Verschillen als deze zijn er natuurlijk nog steeds, maar feit is dat er een verschuiving te zien is van geheelonthouding naar een opener houding. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken om het te registreren.

Sportclub of jv

Voorbeeld één. Ooit was er een tijd dat middelbare reformatorische scholen noodgedwongen gymdocenten aannamen die qua identiteit niet naadloos bij de school pasten. Andere waren niet te krijgen, want een sportopleiding dééd je niet als je tot de gereformeerde gezindte behoorde. Dat lerarenprobleem speelt nu niet of nauwelijks.

Voorbeeld twee. Het gebeurt dat in kerkelijke gemeentes –van reformatorische signatuur– kinderen niet op club of jv verschijnen omdat ze juist op dat moment training hebben van atletiek of een voetbalwedstrijd moeten spelen.

En dan zijn er nog allerlei andere signalen, die op het eerste gezicht misschien weinig om het lijf hebben, maar wél illustratief zijn. Zo stond onlangs het thema sport centraal in de nog jonge opvoedpodcast van het Reformatorisch Dagblad, ”Bij ons thuis”. Wat doe je als je kind op voetbal wil, luidde de hoofdvraag. Zo’n –op zichzelf volstrekt verdedigbare– vraag zou niet aan bod komen als totale afwijzing gemeengoed was bij de beoogde doelgroep.

Ook interessant is een kinderboek dat onlangs verscheen bij een van de reformatorische uitgeverijen. Daarin gaan de twee hoofdpersonen op zoek naar een geschikte sport en om die reden bezoeken ze allerlei sportclubs. Oké, ze hebben beiden een doktersindicatie vanwege hun gewicht en het boek bevat kritische passages over topsport en over bepaalde –kennelijk minder geaccepteerde– sporten, maar dat het überhaupt verscheen zegt iets. Dat zou lange tijd ondenkbaar zijn geweest.

Goed of fout

Het draait in dit artikel niet om de vraag of sport goed is of fout. Niet om de kwestie of je als kerklid wel of geen lid van een sportvereniging kunt zijn, of welke sport wel en welke niet verantwoord is. Het gaat hier om een zoektocht naar wat de afgelopen decennia veranderde – en waardoor.

1. Sport ligt binnen handbereik – gewild of ongewild

Kon je vroeger, als je er bewust voor koos, nog makkelijk opgroeien in een afgeschermde omgeving waarin sport niet aan de orde kwam, tegenwoordig is het onderwerp nadrukkelijker aanwezig in de samenleving. Kinderen moeten minstens één uur per dag matig of zwaar intensief bewegen, luidt het advies van de Gezondheidsraad. En bezoek maar eens een GGD-arts, zoals ik onlangs deed met mijn prepuber. Of hij sportte, klonk het al snel. Zoon –anders dan zijn broertje geen sportliefhebber– gaf een politiek antwoord. Iets met veel fietsen enzo. De reactie van de arts verraste me: „Dat is toch ook prima?” Van opdringen geen sprake, maar toch: sport is in principe een vast onderdeel van de opvoeding.

Sterker nog: er zijn allerlei fondsen om kinderen die om financiële reden niet op een club kunnen, toch op een sport te krijgen. Want –ik denk dat je het zo kunt stellen– sport valt tegenwoordig onder de noodzakelijke levensbehoeften. En wat zeker van evenveel invloed is: door moderne media komt er veel meer informatie over allerlei vormen van sport binnen bij gezinnen dan pakweg twintig, dertig jaar geleden. Ofwel: de wereld van sport en sporten ligt hoe dan ook aan onze voeten.

2. Wel of niet: het is een persoonlijke zaak geworden

Met de wereld van sporten en bewegen zo dichtbij, is negeren een optie die steeds minder voor de hand ligt. Het vroegere zwart-witdenken (sport is iets van de wereld!) maakt plaats voor nuance. Totale afwijzing (hou je er ver van!) verandert in een voorzichtige open houding, waarbij mensen in zekere zin zelf bepalen wat wel en niet kan. Die nieuwe openheid is veelal omgeven door kritische kanttekeningen, zeker aan de rechterzijde van het kerkelijke spectrum. „Ga eens kijken bij een sportclub, als ouder”, tipt docent bewegingsonderwijs Martijn Kroon (Van Lodenstein College in Barneveld) zijn luisteraars in de podcast ”Bij ons thuis”. Om toe te voegen: Je kinderen „zómaar ergens naartoe laten gaan, kun je echt niet doen.” Een vergelijkbare benadering kiest scribent Lisanne de Bruijn in het jeugdblad Daniël van de Gereformeerde Gemeenten (juni 2017). „Vraag ook aan, bijvoorbeeld je ouders, waarom je niet op voetbal mag of ga samen eens bij een voetbalclub kijken.”

Ofwel: het eenduidige, collectieve antwoord verdwijnt naar de achtergrond. Wel of niet meedoen aan sport, in welke vorm dan ook, is een zaak van het individu geworden. Met een citaat uit hetzelfde artikel: „Het zijn allemaal persoonlijke afwegingen. Bedenk vooral de reden waarom je wel of niet zou willen voetballen. Zomaar voetbal verbieden is niet goed.”

3. Voortschrijdend inzicht: de positieve kanten van sport

Natuurlijk zijn ze nooit helemaal weggepoetst: de goede kanten van sport, zoals beweging, samenwerking en verbroedering. Tegelijk lag lang de nadruk op het niet-geestelijke karakter ervan. Waarom zou je zoveel aandacht schenken aan het lichaam? Maar gaandeweg de vorige eeuw –ook met de opkomst van zittende beroepen– kwam er meer ruimte voor een positieve grondhouding tegenover bewegen en zorg voor het lichaam in het algemeen.

De laatste jaren verschijnt er een nieuw argument aan de horizon, dit keer eveneens gelinkt aan een nieuwe ontwikkeling: de opkomst van de smartphone. Laat kinderen, want over hen gaat het voornamelijk, alsjeblieft een sport kiezen zodat ze tenminste vanachter dat schermpje vandaan komen, klinkt het dan.

Interessant is dat de hervormde predikant ds. J. J. Timmer in 1950 al iets vergelijkbaars deed, al was toen niet de telefoon de boosdoener, maar de kroeg. „Ik ben geen bewonderaar van het voetbalspel”, zei hij. „Ik vind het een ruw spel. (...) Toch heb ik wel eens gezegd tegen jongens, die steeds in de kroeg zaten, dat ze maar liever naar het voetbalterrein moesten gaan of naar een ander sportterrein. Er is voor jonge mensen niets gevaarlijker dan de verveling en lediggang.”

Liever sporten dan schermstaren dus. Vind ervan wat je vindt („Je kunt niet iets normeren aan een slechter alternatief”, zei Martijn Kroon bijvoorbeeld in de eerder genoemde podcast) – het is een redenering die terrein wint. En dat is begrijpelijk. In deze wereld van obesitas en schermverslaving komen de voordelen van sport onvermijdelijk bovendrijven. Welke conclusies je vervolgens trekt, blijkt ook hier weer een individuele afweging. Precies in de lijn van de ontwikkelingen.

Maar de zondag dan? En de sfeer?

Huiver voor sport heeft oude wortels. Sport werd in reformatorische kringen lange tijd onomwonden beschreven als iets waar je ver vandaan moet blijven. Iets wat thuishoort in het rijtje van toneel, dans en bioscoop. Of, in een andere opsomming: tussen leegheid, ijdelheid en vermaak. Een sportveld of een sportclub? Dat zijn plekken die je moet mijden

Wat opvalt in het denken over sport, is dat het daarbij maar heel weinig over het sporten zelf gaat. Daarnaast komt in opinievormende artikelen of uitspraken al snel topsport om de hoek kijken, waardoor de discussie over zin en onzin van sport vertroebelt.

Fundamentele bezinning op sport is vanuit reformatorische kring ook nauwelijks op gang gekomen, al zijn er enkele aanzetten geweest. Gym-en godsdienstleraar A. ten Brinke pleitte in 2002 in het Reformatorisch Dagblad bijvoorbeeld voor een commissie „die zich gaat bezinnen op sport en spel in de gereformeerde gezindte”.

De argumenten om je ver te houden van sport –of om er minstens heel voorzichtig mee om te gaan– cirkelen al jaren om de kern heen: niet het sporten an sich, maar allerlei verschijnselen rondom vormen samen een ingewikkelde argumentenbrij. Een ontleding in zes argumenten.

1. Zondag. Als je op een sportclub gaat, is de zondag er al snel mee gemoeid, is de opvatting die sportmijders veel uiten. En wat doe je dan? Haak je af?

2. Sfeer en taalgebruik. Wat moet je in een wereld waarin de Tien Geboden geen zeggingskracht lijken te hebben? Zeker in het geval van kinderen: welke sfeer hangt er in de kantine? En: welke taal klinkt er, op het veld, in de zaal of de kantine?

3. Ik-gerichtheid. Bij sport wil je vaak de beste zijn. Past dat bij een christelijk leven van zelfverloochening? Gaat het je alleen om presteren en om je eigen eer?

4. Tijdsverspilling. Ofwel: het erin opgaan. Staat het sporten in verhouding met de tijd die je aan geloof en kerk besteedt? Kan het zijn dat sport je leven beheerst? Onder meer hier valt soms het woord ”sportverdwazing”.

5. Nutteloosheid. Dit argument komt meestal in zachtere bewoordingen, zoals: er zijn belangrijker dingen dan sporten. Meer dan eens klinken Bijbelteksten, zoals Mat. 6:33 („Zoek eerst het koninkrijk van God...”) en 1 Tim. 4:8 (over lichamelijke oefening), al wordt over de betekenis van de laatste niet hetzelfde gedacht.

6. Uitbuiting van het lichaam. Je grenzen of het gevaar opzoeken – is dat goed voor het lichaam zorgen? Dit argument speelt met name een rol in discussies over topsport en amateursport op hoog niveau.

beeld iStock

Citaten over sport door de tijd heen

Het resultaat is, dat de kinderen gebracht worden in een omgeving van spel en sport, waar noch wij, noch onze kinderen thuisbehooren. (...) En wie de sportwoede van onze dagen opmerkt, die zal het met mij eens zijn, daar hooren de ons toebetrouwde panden niet bij.

(R. v. B., in De Saambinder, 24 juni 1937)

Het geplaagde mensenhart (...) vindt in toneel, film, dans, sport en dergelijke dingen niet meer dan een armetierig surrogaat, waar je niets van overhoudt.

(W. Maris, in De Wekker, 14 april 1950)

In vele, of moeten we schrijven in alle gevallen, is het de bedoeling om door de sport de geëerde man te worden, om lauweren te oogsten.

(Uw Zeeuwse Briefschrijver in De Banier, 21 augustus 1952)

In de „christelijke” sport gaat het slechts om onderhouding van het lichaam. Paulus gebruikt de sportbeoefening zelfs als voorbeeld zonder er ook maar een woord kwaad van te zeggen, aldus de voorstanders. Deze voorstanders zouden eens goed moeten lezen.

(Naamloos, in De Wachter Sions, 18 maart 1971)

De praktijk van onze dagen waarschuwt ons echter wel, dat wij ons daarmee wel op een gevaarlijk terrein kunnen begeven. Verafgoding en verdwazing van de sport zijn aan de orde van de dag.

(Ds. G. S. A. de Knegt in De Waarheidsvriend, 29 augustus 1985)

Als een gewoon kerklid mag sporten, zou een ambtsdrager dit dan niet mogen? (...) Ja, als de dokter het voorschrijft, dan is het voor iedereen ineens geoorloofd. Er leven in onze kring op dit punt ambivalente gevoelens.

(Gymdocenten Wim Liefting en Nico Schaddelee in het Reformatorisch Dagblad, 1 maart 2002)

Hoe informeler het gebeurt, hoe beter.

(C. S. L. Janse in het Reformatorisch Dagblad, 6 maart 2002)

Ik heb niets tegen een potje voetbal, maar zodra je bij een club gaat spelen, beginnen de problemen. (Ds. J. N. Zuijderduijn in het Reformatorisch Dagblad, 11 juni 2004)

Waar de één zich af kan sluiten voor muziek op de sportschool, kan een ander er beïnvloed door raken.

(Lisanne de Bruijn, in Daniël, 15 juni 2017)