Cultuur als bedding van het christendom

beeld Sjaak Verboom

Cultuurchristenen hebben geen goede naam in kringen waarin persoonlijk geloof en persoonlijke bekering benadrukt worden. Maar waarom zouden cultuur en traditie geen wegen kunnen zijn waarlangs mensen het wezen van het geloof ontdekken?

Soms lijkt het wel of iedereen bij het woordje ”cultuurchristendom” iets anders voor zich ziet. De een denkt aan kunstliefhebbers die ontroerd naar Rembrandts schilderij van de verloren zoon kunnen kijken, of luisteren naar de Matthäeus Passion. De ander krijgt meteen visioenen van Geert Wilders en Thierry Baudet die het over de joods-christelijke wortels van onze beschaving hebben. Een derde denkt aan de warme pleidooien van psychiater Dirk De Wachter voor naastenliefde. En een vierde herinnert zich een boek van Alain de Botton, Andreas Kinneging of Yvonne Zonderop waarin gepleit wordt voor het christendom als ”moreel richtsnoer” of als ”bron van inspiratie”.

Om het nog ingewikkelder te maken: cultuurchristenen vind je niet alleen buiten de kerk, maar zeker ook binnen de kerk. Je kunt allerlei typen onderscheiden (zie de kaders ”Schoonheidzoekers”, ”Folklorestrijders”, ”Moraalpredikers” en ”Traditieliefhebbers”). Maar welke beelden en gedachten je er ook bij hebt, een feit is dat menigeen alleen al bij het wóórd cultuurchristendom zijn wenkbrauwen begint te fronsen. Cultuurchristenen hebben geen goede naam in kringen waarin persoonlijk geloof en persoonlijke bekering sterk benadrukt worden. Niet in bevindelijke kringen, niet in evangelische kringen. Cultuurchristenen worden niet als échte christenen beschouwd. Ze hangen er een beetje bij, ze schieten tekort, ze kennen het wezen van de zaak niet.

Hervormde traditie

Toch spreekt het niet vanzelf dat kerkgangers op die manier over cultuurchristenen oordelen. Het is, zoals gezegd, een reactie die vooral hoort bij de traditie van wat kleinere, bevindelijke of evangelische groepen waarbinnen sterke nadruk gelegd wordt op persoonlijk geloof en persoonlijke bekering.

Maar die reactie past vanouds niet bij de grote ”volkskerken”. De Rooms-Katholieke Kerk heeft altijd veel ruimte geboden voor mensen die geen persoonlijk geloof konden opbrengen maar zich wel opgenomen wisten in de grote traditie van het christendom. Dat gold trouwens evengoed voor de Anglicaanse Kerk in het Verenigd Koninkrijk, en voor de Lutherse Kerk in Duitsland en de Scandinavische landen. En wat Nederland betreft, ook de Nederlandse Hervormde Kerk kende vanouds een vergelijkbare manier van omgaan met cultuurchristenen.

Het is inzichtgevend om te zien hoe de kerk van de Reformatie in de Nederlanden –die in de zeventiende eeuw nog niet hervormd heette, maar gereformeerd– worstelde met dat probleem. Ergens wilden de predikanten graag dat hun kerk een belijdeniskerk zou zijn met een strikt toelatingsbeleid, maar vanuit de traditie beseften ze ook dat de kerk er was voor het hele dorp, de hele stad. Ze vonden een soort middenweg door wél eisen te stellen aan mensen die belijdenis deden of aan het avondmaal gingen, maar verder iedereen die dat wilde als ”toehoorder” welkom te heten in de kerk.

Daarmee waren overigens niet meteen alle problemen opgelost. Hoe moest het bijvoorbeeld met kinderen van ouders die niet bepaald als vurige christenen te boek stonden (en soms zelfs niet eens wettig voor de kerk getrouwd waren), mochten die wel gedoopt worden? Daar werd uitvoerig over vergaderd, maar uiteindelijk beslisten de predikanten vaak dat dat wél mocht. In de classis Bommel vonden ze het bijvoorbeeld niet verantwoord dat kinderen van gedoopte voorouders om deze reden ongedoopt zouden blijven. Dan zou de kerk het risico lopen dat „de sacramenten in kleijnachtinge worden getrocken”, of dat de ouders zich „van ons tot den pausdom” zouden wenden – en dat moest voorkomen worden.

Het bleef lange tijd de lijn van de gereformeerde predikanten: vanaf de kansel streng waarschuwen tegen de zonden van het volk, en oproepen tot geloof en bekering. Maar tegelijk mocht iedereen in de praktijk op een bepaalde manier bij de kerk horen. Daarmee bleven de gereformeerde predikanten, die in de negentiende eeuw hervormd gingen heten, zich richten op de hele samenleving.

Tot op de dag van vandaag is die traditie in sommige hervormde dorpskerken zichtbaar. Zoals ds. M. J. Schuurman onlangs in een inzichtgevend artikel in ”Het goede leven” (magazine van het Friesch Dagblad) schreef: „In de hervormde traditie ligt niet altijd de nadruk op een persoonlijk geloof. Er is een bepaalde ruimte om bij de kerk te horen zonder persoonlijk te geloven. Voor degenen die wel in een traditie staan waarin persoonlijk geloof gewenst is, is dat moeilijk te begrijpen. Zelf heb ik dat altijd gezien als respect voor het geheimenis van het geloof: wij kunnen geloof niet afdwingen en ook niet bepalen wie wel en wie niet oprecht gelovig zijn.”

Wilders en Baudet

Die houding lijkt evenwel steeds moeilijker vol te houden. Zeker voor veel jongeren binnen de kerk zijn cultuur en traditie niet zo belangrijk meer, het gaat alleen nog om de persoonlijke bekering, de persoonlijke ervaring van het geloof, de persoonlijke verhouding tot God. Cultuurchristenen die daar niet zomaar in mee kunnen komen, horen er al snel niet meer bij.

Bovendien: de politieke gedaante die het cultuurchristendom in onze tijd heeft aangenomen, werkt bij menigeen –óók in de kerk– averechts. Cultuurchristendom wordt steeds meer vereenzelvigd met de opvattingen van Wilders en Baudet. De christelijke cultuur is een wapen geworden in de strijd tegen de islam, waarbij de kern van het christendom totaal vergeten wordt.

Toch, schrijft ds. Schuurman, houden de politieke cultuurchristenen ons wél een spiegel voor. „Christenen laten in bepaalde gevallen wel heel makkelijk de christelijke erfenis uit de maatschappij verdwijnen. Als de christelijke erfenis verdwijnt, verdwijnen ook elementen, de dagen, de gebouwen en de teksten die herinneren aan het christendom. En als de herinnering aan het christendom uit onze cultuur verdwijnen, dan verdwijnen ook mogelijkheden om als buitenstaander onverwacht met de christelijke traditie in aanraking te komen. Daarmee wordt de ruimte voor het evangelie om te werken kleiner.”

Anders dan onze voorouders in vroeger eeuwen leven wij in een tijd waarin kerkelijke gemeenten niet langer een centrale rol in dorp of stad spelen en waarin de samenleving sterk geseculariseerd is. En hoe kleiner de groep, hoe sterker de neiging zal worden om vage cultuurchristenen buiten te sluiten – trouwens, die cultuurchristenen zullen zelf ook steeds minder de neiging hebben om zich bij zo’n groep in de marge aan te sluiten.

Mensen zoeken de kerk niet meer op in tijden van crisis, signaleerde psychiater Frank Koerselman vorige week in een interview met deze krant: „De secularisatie is zo ver doorgedrongen dat mensen zelfs in deze tijd van beproeving niet meer dan anders de toevlucht nemen tot de gevestigde godsdiensten.” De Franse socioloog Olivier Roy ging, eveneens in een interview met deze krant, nog een stapje verder: „Ik geloof niet dat cultuurchristendom toekomst heeft. Het is nostalgie en folklore.” Maar Roy gelooft dan ook niet dat het christendom zelf nog toekomst heeft.

Een dergelijke negatieve profetie kan evenwel geen uitgangspunt zijn voor kerken en christenen. Het is verdrietig dat het christelijke geloof bijna uit de publieke ruimte verdwenen lijkt, maar het is –vanuit de Bijbel gezien– onmogelijk dat het christendom zelf een aflopende zaak is.

Natuurlijk kun je het heimwee en het verlangen van cultuurchristenen zien als laatste stuiptrekkingen van een geloof dat zijn invloed verloren heeft, maar waarom zou je het niet andersom bekijken? Waarom zouden dat heimwee en dat verlangen geen wegen kunnen zijn waarlangs iemand langzaam het wezen van het geloof ontdekken kan?

Toegegeven, met cultuurchristendom als levensbeschouwing ga je het op termijn niet redden in het politieke en maatschappelijke debat. Denk aan de woorden van SGP-voorman Kees van der Staaij: het cultuurchristendom is als een bos snijbloemen. Zulke bloemen bewaren de herinnering aan het open veld waar bloemen wortels hebben en groeien, maar ze zijn afgesneden van die wortels. Je kunt ze best een tijdje op water zetten en goed houden, maar uiteindelijk sterven ze.

Maar op persoonlijk vlak ligt het genuanceerder. Mensen ontwikkelen en veranderen, hun levensbeschouwing is in beweging. En dan kan het met cultuurchristenen twee kanten opgaan: óf ze bewegen van God vandaan, óf ze worden juist op deze manier naar God toegetrokken.

Wonder

Voorbeelden van dat laatste zijn er, ook in onze tijd. Mensen die begonnen met ”doen alsof”, maar na verloop van tijd merkten dat ze daardoor zelf veranderden, dat ze niet anders konden dan zich overgeven aan de God van Wie ze gehoord hadden. Soms kunnen afgesneden bloemen die in het water gezet worden, weer wortels ontwikkelen. Dat is het wonder van de schepping, het wonder van het leven.

Willen gelovige kerkmensen bij dat proces niet in de weg lopen, dan doen ze er goed aan om niet minachtend te doen over cultuurchristendom, maar te luisteren naar Augustinus, die schreef dat de waarheid –op wat voor onwaarschijnlijke plekken we die ook tegenkomen– altijd van God is. En naar Calvijn, die schreef dat in elk mens vonkjes overgebleven zijn van het goddelijke beeld.

Uiteindelijk zijn wij kerkmensen niet anders dan alle andere soorten cultuurchristenen. We zijn allemaal mensen, we zijn allemaal zondig, we hechten allemaal aan onze eigen tradities en overtuigingen – die lang niet altijd even Bijbels zijn. Het kruis, middenin deze wereld geplant, is vanouds voor iedereen even aanstootgevend en ergerniswekkend. In die zin zijn we allemaal cultuurchristenen, en is het alleen maar genade als het Evangelie in onze cultuur en traditie werkelijk doorbreekt.

Schoonheidzoekers

Elk jaar krijgen ze tranen in hun ogen bij de uitvoering van de Matthäeus Passion. Ze bezoeken kathedralen in hun vakantie. Ze houden van het mysterieuze gevoel dat er méér is tussen hemel en aarde dan je met logisch redeneren hard kunt maken. De schrijvers, de musici, de kunst- en literatuurliefhebbers. Ze zijn gevoelig voor de mystiek en schoonheid van de christelijke traditie, voor natuur en kunst, ze verwonderen zich over het geheim van het leven, ze kennen de behoefte om áchter de zichtbare dingen te kijken, ze weten wat het is om dankbaar te zijn aan iets groters dan zichzelf. Maar ze geloven niet per se in de God van de Bijbel.

Folklorestrijders

Ze winden zich op als de Hema te veel ”Lente” en te weinig ”Pasen” in de reclamefolders zet, ze storten zich in de strijd voor Zwarte Piet en carnaval en andere traditionele, folkloristische gebruiken. De populistische politici en hun achterban. Ze willen geen feeststollen maar kerststollen, geen winterbomen maar kerstbomen, geen verstop-eieren maar paaseieren. Echt geloven doen ze niet, maar ze houden –zich afzettend tegen islamitische invloeden– vast aan ”onze joods-christelijke cultuur”. Waarmee ze eigenlijk bedoelen: ”onze nationale, Nederlandse cultuur” en ”onze westerse beschaving” die –dat is natuurlijk wél zo– eeuwenlang gestempeld zijn door het christendom.

Moraalpredikers

Ze zijn tot in hun diepste vezels gehecht aan de christelijke moraal: de filosofen, de psychiaters en de opinieschrijvers die benadrukken dat we ons een beetje menslievend moeten gedragen. Ook al geloven ze niet in God, ze vinden wél dat iedereen gelijke rechten heeft, dat macht, status en rijkdom niet de waarde van een mens mogen bepalen, en dat we allemaal voor onze naasten moeten zorgen. Het is volgens hen vooral uit praktisch oogpunt verstandig dat we vasthouden aan de oude christelijke waarden en normen, en misschien helpt het daarbij om te doen alsof we in God geloven. Alleen zo krijg je immers een goede samenleving die niet vastloopt in grenzeloos egoïsme.

Traditieliefhebbers

Ze houden van het kerkgebouw dat door vorige generaties gebouwd is, van traditionele kerkdiensten, van de rituelen van doop, huwelijk en begrafenis in de kerk. Ze geloven niet écht, maar ze horen bij de kerk omdat dat troost biedt, of omdat hun familieleden en vrienden er ook bij horen, of omdat ze nu eenmaal zo opgevoed zijn. Ze zijn conservatief, hebben soms heimwee naar het verleden, doen de dingen graag zoals ze altijd gedaan zijn, hechten aan vaste gewoonten en vaste redeneringen. Ze worden geraakt door oude woorden, oude rituelen, oude dogmatische systemen – omdat de hele traditie daarin meeweegt. Maar dat kan losstaan van een persoonlijk geloof in God.