Column: Egaal bestaan

Het leven is egaal geworden. Dat begon met het gedwongen thuiswerken. Ik ben een voorstander van het scheiden van werk en privé. Daarom maakte ik mijn verhalen op kantoor, dat geeft een heldere structuur. Je laat ’s morgens om halfacht privé achter je, ’s middags om halfvijf zeg je het werk vaarwel. Door corona vervaagde die grens.

Met de zondag ging het net zo. Doordeweeks beluister ik zo nu en dan een preek of lezing van predikers als Peter Masters. Die worden al jaren met beeld erbij op internet gezet. Intussen heeft ook een groot deel van de gereformeerde gezindte deze omslag gemaakt. Daardoor zitten we nu zondags op de bank naar onze dominee te luisteren en te kijken. Fijn dat het kan, maar het verschil met doordeweeks is niet zo groot. De eredienst is meer dan het beluisteren van een preek. Dat beseffen we nog sterker nu we eens in de paar weken weer ter kerke mogen. De eerste keer waren we ronduit opgewonden door dit hoogtepunt in ons geëgaliseerde bestaan. Een halfuur voor vertrek zat ik mijn schoenen al aan te trekken.

Ook de afsluiting van de vakantie was anders dan anders. De nacht voordat ik weer ga werken, heb ik steevast last van lucide dromen. Die schemertoestand tussen slapen en waken, met beelden die je kunt beïnvloeden omdat je beseft dat het wanen zijn, maar die je intussen wel een rare nacht bezorgen. Dit jaar had ik ze niet, omdat er weinig veranderde. Ik zit weer vaker op mijn werkkamer, maar wel in de eigen woning. Op de gezette tijden drink ik koffie met mijn vrouw en lunchen we samen. Net als in de vakantie.

Daar staat tegenover dat deze tijd voorheen gewone zaken tot pieken maakt. Niet alleen de kerkgang, maar ook de bezoeken aan mijn 91-jarige moeder. Drie maanden konden we haar niet fysiek ontmoeten. Ze droeg het nuchter en dapper. „We spreken elkaar toch voor de telefoon.” De iPad die we voor haar wilden kopen, om te kunnen beeldbellen, hoefde ze niet. „Ik word alleen maar zenuwachtig van zo’n ding. Als ik je stem hoor, zie ik toch ook je gezicht voor me.”

Het eerste bezoek na al die maanden was als vanouds. En tegelijk totaal anders. Laatst ben ik met haar in de rolstoel naar het buurdorp gewandeld, waar we in een boerenuitspanning een kop cappuccino dronken. Na alle verhalen onderweg zaten we zomaar stil tegenover elkaar, dankbaar voor de zegeningen.

En ’k voelde diep in ’t harte

wat ene moeder is.