Christian Stier: Hartzeer om het Joodse volk

Het Gesprek
Christian Stier, directeur van Israël en de Bijbel. beeld Sjaak Verboom

Het lag niet voor de hand dat Christian Stier zijn vader zou opvolgen bij Israël en de Bijbel. Toch nam hij onlangs het roer over, met passie. „Ik heb er heel veel voor over om Joden in aanraking te brengen met de Messias.”

Het kantoor van Israël en de Bijbel (IB) ligt wat verstopt achter een vrijstaande woning in Harmelen. Vanuit dit polderdorp verricht de stichting haar wereldwijde werk, vanuit het verlangen Joden tot hun Messias te brengen. Na 33 jaar droeg Ton Stier onlangs de leiding over aan zoon Christian (32).

Dat lijkt me niet simpel, je vader opvolgen.

„Dat valt mee. De afgelopen tien jaar hebben we veel samen gereisd: naar Spanje, Amerika, Israël... Ik zag hoe mijn vader bij synagogen aanbelde en het gesprek met Joden begon. Alle aspecten van het werk heb ik door hem leren kennen. Tijdens de reizen deden we samen veel Bijbelstudie. Daardoor zijn we dicht bij elkaar gekomen. Ook in karakter lijken we op elkaar.”

Regeert hij nu op de achtergrond mee als een soort generaal buiten dienst?

Met luide lach: „Dat zou je verwachten. Ook ik vroeg me af hoe het zou gaan, maar hij heeft het werk echt overgedragen. Zo nu en dan vraag ik hem om advies, maar de beslissing laat hij aan mij over.”

Sprak het voor zich dat u in zijn voetspoor zou gaan?

„Zeker niet. Ik begon mijn loopbaan als elektricien, in de bouw. Dat is een rauwe wereld, waar het over heel andere dingen gaat. Mijn ouders wezen ons op de Heere Jezus en leefden het geloof voor, maar het is zoals Corrie ten Boom zei: „God heeft geen kleinkinderen.” Ik besefte dat mijn vader bijzonder werk had, maar persoonlijk raakte het me niet. Dat is pas gekomen tijdens de eindstage voor mijn middelbare commerciële opleiding, in Barcelona. Kort daarvoor kwam ik tot persoonlijk geloof. Toen ik naar Spanje vertrok, gaf mijn vader me een paar Hebreeuwse Bijbels mee, voor het geval ik Joodse mensen zou ontmoeten. Daar is het zaadje geplant, overigens zonder de gedachte dat ik mijn vader zou opvolgen. Het werd mijn verlangen om te doen wat de Heere wilde dat ik zou doen. Ik ging naar Spanje met de gedachte om na terugkeer een voortgezette commerciële studie te volgen en kwam terug met het besluit naar een Bijbelschool te gaan.”

Waardoor kwam u tot persoonlijk geloof?

„Door het gesprek met een vriend die me de basiswaarheden van het Evangelie uitlegde. Daarmee was ik opgegroeid, maar toen kwamen ze in mijn hart. De Bijbel werd een levend boek voor me. Ik kon letterlijk niet stoppen met lezen. Mijn vader reikte me boeken aan die me de verbanden in de Bijbel beter leerden zien. Dan kom je vanzelf bij de plaats van Israël in Gods heilshandelen. Daardoor ontstond het verlangen om net als hij Joden in aanraking te brengen met het Woord. In 2008 ging ik voor een dag per week bij Israël en de Bijbel werken. Drie jaar later verscheen de Hebreeuws-Spaanse Tenach, voor ons het Oude Testament. Die zijn we zelf in Spanje gaan verspreiden. Ik kende Barcelona op mijn duimpje en mijn vader sprak Spaans. Een contactpersoon introduceerde ons bij Joodse gemeenschappen elders in het land. Zo kwam ik voor het eerst rechtstreeks in contact met Joden.”

Hoe moet ik me dat concreet voorstellen?

„We hadden adressen van synagogen. Vaak vind je in die omgeving ook Joodse winkeltjes. Met een aanhanger vol Bijbels gingen we op pad, in het vertrouwen dat de Heere ons van de ene plek naar de andere zou leiden. Nadat we ons hadden voorgesteld, vertelden we dat we uit liefde voor Israël graag een Hebreeuws-Spaanse Tenach wilden geven. Als mensen er open voor stonden, overhandigden we ook het Nieuwe Testament. Ik verbaasde me vooral over de diversiteit onder Joden, van ultraorthodox tot volstrekt liberaal.”

Ik neem aan dat een Jood die de synagoge bezoekt de Tenach al heeft.

„Dat is een misvatting. Veel Joden zijn daar uitsluitend met de vijf boeken van de Thora, de gebedenboeken en de tradities bezig. Ze vinden het prachtig als ze gratis een tweetalige Tenach ontvangen. De meeste weerstand ervaren we bij rabbijnen die vermoeden dat we de tekst hebben aangepast.”

Wat zegt u als mensen vragen wat u drijft?

„Dat we de God van Abraham, Izak en Jakob liefhebben, en daarom ook Zijn volk. Vanuit die liefde geven we dit geschenk. We hopen dat de Joodse ontvangers na de Thora verder lezen in de profeten. Jezus Zelf heeft gezegd dat Mozes en de profeten van Hem getuigen.”

Hoe lastig is het om in zo’n gesprek over Jezus te beginnen?

„Binnen de synagoge is dat vrijwel onmogelijk. In het straatwerk buiten de synagoge gaat het veel eenvoudiger. Daar verspreiden we voornamelijk het Nieuwe Testament. In de gesprekken probeer ik de vooroordelen weg te nemen, bijvoorbeeld dat het een antisemitisch boek is. Het Nieuwe Testament is juist door en door Joods.”

Wacht u af tot mensen naar u toe komen, of benadert u hen actief?

„Het laatste. Dat heb ik geleerd tijdens mijn verblijf van een halfjaar in de Joodse wijk Brooklyn in New York, samen met mijn gezin. Ik werkte er samen met collega’s van Amerikaanse zusterorganisaties, zoals Life in Messiah. Tot die tijd was ik heel voorzichtig in het benaderen van Joden. Onbewust speelde daarin waarschijnlijk mee dat Evangelieverkondiging onder Joden hier zeer omstreden is. In Amerika kennen ze die discussie nauwelijks. De mensen met wie ik optrok plaatsten een boekentafel op straat en liepen onbevangen op Joodse voorbijgangers af. Daardoor ben ook ik mijn schroom kwijtgeraakt. Vaak nam ik Jesaja 53 als uitgangspunt voor het gesprek.

Als ik in Israël Bijbels uitdeel, begin ik met de opmerking: „Ik ben christen en wil graag weten hoe u als Jood tegen het Nieuwe Testament aankijkt.” Zo proberen we Joden uit te dagen om het Nieuwe Testament te gaan lezen. Als ze dat doen, heb ik mijn doel bereikt. Mensen verwijten ons weleens dat wij proberen Joden te bekeren. Dan is mijn antwoord dat wij dat helemaal niet kunnen. Wat we wel kunnen, is Joden het Woord geven. Het is Gods Geest Die vervolgens het werk doet.”

Hoe verloopt het contact met orthodoxe Joden?

„Daarin ervaren we de meeste weerstand tegen ons werk, waar ze soms letterlijk op spuwen. Tegelijk hebben we met deze mensen veel gemeenschappelijk. Wanneer ze zeggen dat hun gebeden in plaats van de offerdienst zijn gekomen, wijs ik erop dat er zonder bloedstorting geen vergeving kan plaatsvinden. „Dat is wat jullie eigen Tenach leert.” Er is veel meer basis voor een gesprek dan met een seculiere Jood. Als ik met orthodoxe Joden in gesprek ga, is mijn gebed of God dat wil gebruiken om als het ware een steentje in hun schoen te schuiven. Zodat ze zich het gesprek later herinneren en alsnog het Nieuwe Testament gaan bestuderen. Dan zal God daarmee doen wat Hem behaagt. Lees je getuigenissen van Joden die tot geloof zijn gekomen, dan valt op dat het vaak een lang proces is geweest. Dat begon toen ze in aanraking kwamen met het Nieuwe Testament.”

En als ze u afwijzen?

„In het begin vond ik dat lastig. Nu kan ik er beter mee omgaan. Het is een geestelijke strijd. Dan is het niet vreemd als je met weerstand wordt geconfronteerd, zeker in de frontlinie.”

Hoe beleeft u het dat ook veel christenen in dit land uw werk soms fel bekritiseren?

„Toen ik net bij IB werkte, zei een dame tegen me: „Waar maak je je druk om? In de Bijbel staat toch dat heel Israël zalig zal worden?” Het heeft me ertoe gebracht het Bijbelgedeelte waarin Paulus dat zegt, grondig te onderzoeken. Dat heeft me alleen maar bevestigd in de noodzaak van ons werk. In de toekomst zal de bedekking op het hart van Israël als geheel door God worden verwijderd, maar wij hebben een verantwoordelijkheid voor de individuele Jood die nu leeft. Ook die moet de Messias leren kennen. En wie weet welke rol de Bijbels die we verspreiden zullen spelen in de toekomstige bekering van Israël als volk.”

Bent u de Bijbel anders gaan lezen?

„Absoluut. Veel christenen passen profetieën die ze mooi vinden op zichzelf toe en laten de rest liggen. Dat was ook bij mij de praktijk. Lees je ze in hun context, dan ga je de bredere verbanden zien. Dat maakt de inhoud veel rijker. Natuurlijk mag je de profetieën ook op jezelf toepassen, maar nooit los van hun eerste betekenis voor Israël. Het is een misvatting dat je dan als christen uit de heidenen iets wordt ontnomen. Je leert juist meer van Gods trouw. Elke maand krijg ik van prof. Pieter Siebesma een opdracht waardoor ik mijn kennis op dit gebied vergroot. Samen hebben we de rabbijnse uitleg van Jesaja 53 en Zacharia 12 bestudeerd. Dat is geweldig verrijkend.”

Welk Bijbelboek spreekt u het meest aan?

„De Romeinenbrief. Daarin zijn de kern van het Evangelie en de praktijk van het christenleven kernachtig verwoord. De rechtvaardiging door het geloof, de overwinning door Christus, de strijd tussen vlees en geest.”

Ook in deze ruimte vol geestelijke lectuur hebt u last van het vlees?

„Natuurlijk. Je blijft mens. In zo’n interview moeten de Heere en het belang van de Evangelieverspreiding centraal staan. Dat is ook echt mijn verlangen. Tegelijk vind ik het toch wel mooi dat ík aan het woord kom. Wat dat betreft is straatwerk een goede leerschool. Daarin ervaar je heel direct dat je zelf niets kunt bewerken. Het is God Die mensen op je pad moet brengen, de woorden in je mond moet leggen, het hart van mensen moet aanraken. Ik ben niet meer dan een instrument.”

Op zondag gaat u regelmatig voor. Preekt u bij voorkeur over Gods plan met Israël?

„Dat gebeurt in veel gemeenten te weinig, dus ik heb inderdaad een voorkeur voor Bijbelgedeelten die daarover gaan. Afgelopen zondag sprak ik over het hartzeer van Paulus over zijn volk. Hij zou wel van Christus gescheiden willen zijn ten behoeve van zijn broeders naar het vlees, als hij hen daarmee een stap dichter bij Jezus Christus kon brengen.”

Dat zegt u hem na?

„Ik ben geen Paulus. Hij werd bij het schrijven van deze woorden rechtstreeks geïnspireerd door de Heilige Geest. We moeten ons niet op één lijn plaatsen met de apostelen en profeten. Wel durf ik te zeggen dat het Joodse volk echt op mijn hart ligt. Ik heb er heel veel voor over om Joden in aanraking te brengen met de Messias. In november trok ik drie weken langs synagogen in Brazilië. Het was mijn eerste reis naar dat land, dus ik begon bij nul, maar dat vind ik fantastisch. Ik bid ook dagelijks gericht voor de bekering van Israël. En voor de Joodse mensen die ik een Bijbel heb mogen geven. Heel veel gezichten zie ik dan concreet voor me. Het is mijn verlangen dat ook zij de Heere Jezus leren kennen als de Weg, de Waarheid en het Leven. En dat anderen dezelfde begeerte krijgen. De Heere wil niets liever dan dat Zijn volk Zijn Messias leert kennen. Die wetenschap houdt me tijdens moeilijke momenten op de been en doet me met hoop doorgaan.”

Levensloop Christian Stier

Christian Stier (1986) begon zijn loopbaan als elektricien. Na twee jaar besloot hij een mbo-opleiding voor een commerciële functie te gaan volgen. Zijn eindstage deed hij in Barcelona. Daar raakte hij betrokken bij Bijbelverspreiding onder Joden. Na een opleiding aan Bijbelschool De Wittenberg en een jaar CHE studeerde hij theologie aan de Evangelische Theologische Academie. In 2008 kwam hij in dienst bij Israël en de Bijbel. Onlangs volgde hij daar zijn vader op als directeur. Stier is gehuwd en heeft 2 kinderen. Het gezin is lid van Bijbelgemeente Dabar in Oudewater. Op zondag gaat Stier regelmatig voor in evangelische gemeenten.