Zesjarige Bram tobt enorm met taal

Bram (6) heeft een taalontwikkelingsstoornis. beeld Anjo Mutsaars

Vraag: Ons zoontje Bram van 6 heeft een taalontwikkelingsstoornis. De basisschool geeft er veel aandacht aan en de schoolbegeleidingsdienst Kentalis ondersteunt hem. Wijzelf ervaren echter vaak onbegrip van mensen in onze omgeving, omdat deze aandoening zo onbekend is. Kunt u een artikel over de stoornis schrijven, zodat die wat bekender wordt?

De ouders van Bram stuiten regelmatig op onbegrip in hun omgeving. Omstanders denken vaak dat Bram in zijn taalontwikkeling achterloopt, omdat hij zo onduidelijk praat. Ook schatten ze hem daardoor jonger dan hij is. Een andere misvatting die deze ouders tegenkomen is dat hij een vorm van autisme of een lage intelligentie zou hebben.

Ouders kunnen zich hierdoor onzeker voelen. Ze missen erkenning voor problemen die ze bij hun kind ervaren. Ook kunnen ze twijfelen aan hun opvoeding: „Hebben we zijn taalontwikkeling genoeg gestimuleerd? Heb ik hem wel vaak genoeg voorgelezen? Is het slechts een taalachterstand die weer kan worden ingehaald? Moet ik het nog een poosje aankijken, of hulp gaan zoeken?”

Niet zo bekend

Een taalontwikkelingsstoornis is een niet zo bekende aandoening, die net zo vaak –zo niet vaker– voorkomt als autisme en ADHD. Een taalontwikkelingsstoornis treedt op bij zo’n 5 procent van de kinderen in Nederland. Het is een neurologische ontwikkelingsaandoening waarbij de hersenen taal minder goed verwerken.

Voor Brams spraak- en taalontwikkeling heeft dit grote gevolgen. Hij heeft moeite met praten en vertellen, maar ook met het begrijpen en interpreteren van wat anderen zeggen. Het gaat niet om een taalachterstand die hij weer zou kunnen inhalen.

De aandoening, die altijd zal blijven, gaat dieper dan de lees- en spellingsproblemen bij dyslexie. Bram heeft professionele begeleiding en behandeling nodig. Hij kan wel met zijn afwijking leren omgaan.

Signaleren

Waaraan is een kind met een taalontwikkelingsstoornis te herkennen? Kentalis signaleert een aantal kenmerken.

Een kind met deze aandoening:

n kent weinig woorden;

n praat (nog) niet of weinig;

n kan klanken en woorden moeilijk onthouden;

n heeft een normale intelligentie en een normaal gehoor;

n heeft moeite om op een woord te komen. Bijvoorbeeld ”paraplu” en ”regen”. Dit zijn voor hen losse woorden die geen verband met elkaar houden. Ook vallen ”appel”, ”peer” en ”banaan” voor een kind met een taalontwikkelingsstoornis niet logischerwijs onder de noemer ”fruit”;

n is niet goed te verstaan. Zijn uitspraak lijkt op dat van een kind dat net leert praten: „akspres” betekent expres, „hasse wasse” handen wassen en „epe watte” even wachten;

n raakt gefrustreerd als het niet wordt begrepen of het anderen niet begrijpt;

n maakt korte zinnen of veel fouten bij het maken van zinnen. De zinsopbouw is onlogisch. „Op mijn watten, ja?” („Op mij wachten, ja?”);

n lijkt niet te luisteren, maar begrijpt in werkelijkheid niet wat er wordt gezegd;

n heeft moeite met plannen;

n vindt omgaan met emoties lastig.

Voor het kind is het van belang dat een taalontwikkelingsstoornis zo vroeg mogelijk wordt opgemerkt. Professionals kunnen dan zijn spraak- en taalontwikkeling goed in beeld brengen en stimuleren.

Vroege behandeling –als het kind tussen de 2 en de 4 jaar oud is– is ook belangrijk. Daardoor krijgen de ouders al handvatten voordat hun kind naar school mag en weten ze welke vorm van onderwijs het beste bij hun kind past. Ook kan meer logopedische hulp nodig zijn.

De schoolbegeleidingsdienst van Kentalis biedt verschillende vormen van behandeling en begeleiding aan. De Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind biedt eveneens specialistische zorg aan mensen met deze aandoening.

Op school, een talige omgeving, krijgen kinderen met deze stoornis met allerlei taalbarrières te maken. Denk aan kringgesprekken, de uitleg van de juf of meester, het leren lezen en opdrachten in de lesboeken. Regulier onderwijs volgen is mogelijk, mits het kind goed wordt begeleid.

Het verschilt per kind welke begeleiding er nodig is. Zo kan er ambulante begeleiding worden gegeven vanuit de school of vanuit een instelling voor leerlingen met een gehoor- of communicatiebeperking, zoals bij Bram het geval is. Het kind kan ook speciaal onderwijs volgen voor kinderen met een auditieve/communicatieve beperking (cluster 2).

Een kind met een taalontwikkelingsstoornis heeft grote kans op sociale en emotionele problemen, ook al op jonge leeftijd, zoals bij vertellen, samen spelen en hulp vragen. Dit gebeurt allemaal door middel van taal.

Anderen kunnen een kind met een taalontwikkelingsstoornis vaak moeilijk tot slecht verstaan. Als het zich probeert te uiten en anderen begrijpen hem niet, is dat lastig. Het kind kan gefrustreerd raken of de moed opgeven en stil worden. „Als ik niet word begrepen, zeg ik maar niks.” Het trekt zich in sociale situaties dan liever terug.

Dit heeft negatieve gevolgen voor zelfbeeld, vriendschappen en gevoel van welbevinden. Daarom is erkenning en behandeling van deze aandoening –ook op latere leeftijd– erg belangrijk. Als het kind wat ouder is, is het ook goed om aan klasgenoten uit te leggen wat er aan de hand is. Onterecht worden kinderen die dit hebben beoordeeld als verlegen of teruggetrokken.

Lichaamstaal

Taal heeft ook alles te maken met de ”theory of mind”. Dat is het vermogen zich in anderen in te leven, maar ook het interpreteren van woorden en lichaamstaal van anderen en woorden geven aan de eigen emoties en gevoelens.

Voor Bram is dit lastig. De afwijking zorgt bij hem en veel kinderen hiermee voor frustraties, zich onbegrepen voelen en faalangst. Ook heeft de aandoening effect op de uitvoerende (executieve) functies. Dat zijn de hersenfuncties die de impulsbeheersing, concentratie, flexibiliteit en het stellen van prioriteiten regelen.

Bij Bram zijn deze functies minder sterk ontwikkeld. Concreet betekent dit dat het voor hem moeilijk is een in woorden gegeven opdracht te verwerken en uit te voeren, plannen om te zetten in daden en zijn aandacht vast te houden bij een taak.

Hoe kunnen de ouders van Bram hem thuis helpen? Allereerst door van hem te houden en hem te accepteren zoals hij is. God heeft hem zo gemaakt, mét de taalontwikkelingsstoornis.

Daarnaast kunnen ze hem helpen door rustig tegen hem te praten. Bram heeft tijd nodig om woorden tot zich te laten doordringen en een plekje te geven. Geef Bram geen opdracht van meer handelingen, maar één opdracht tegelijk en controleer of hij die heeft begrepen.

Ook is het voor zijn emotionele ontwikkeling belangrijk hem te laten vertellen wat hij van dingen vindt en waarom. Blijf hem daarin stimuleren. Het belangrijkste is dat hij blijft praten en niet vanwege zijn taalaandoening in zijn schulp kruipt.

Als een ouder de omschrijving van de taalontwikkelingsstoornis bij zijn kind herkent, kan hij hulp vragen bij de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin. Zij kunnen het kind doorverwijzen naar een logopedist of een audiologisch centrum.

>>rd.nl/eigenwijzer

Tips

Schakel tijdig hulp in via de huisarts of het Centrum voor Jeugd en Gezin.

Praat rustig. Houd de zinnen kort.

Stel één vraag per keer.

Geef één opdracht tegelijk.

Moedig het kind aan om na te denken en te praten over wat het vindt en waarom.

Controleer of het kind de zinnen heeft begrepen.

Praat rustig tegen een kind met een taalontwikkelingsstoornis.

Benadruk waar het kind goed in is.

Lees samen het prentenboek ”Help weet jij het woord? Tossie en uil gaan op zoek”.

Bron: kentalis.nl

Wilt u reageren of hebt u vragen over opvoeding? Leg ze (anoniem) voor aan de medewerksters van Eigenwijzer. Dat kan door de situatie en de (gezins)omstandigheden, liefst uitvoerig, te mailen naar: wijs@rd.nl of te sturen naar: RD, t.a.v. redactie Wijs, Postbus 670, 7300 AR Apeldoorn.