Waarom er meer vrouwen studeren dan mannen

Op hogescholen en universiteiten zijn vrouwelijke studenten in de meerderheid. beeld ANP, Jerry Lampen
3

Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid. Met die slogan probeerde de overheid in de jaren tachtig meer dames aan de studie te krijgen. En dat is gelukt ook: in het hoger onderwijs zijn meiden intussen in de meerderheid. Sterker nog, ze studeren sneller en halen hogere cijfers dan jongens. Hoe kan dat?

Het begint al in groep 8. Meisjes krijgen gemiddeld een hoger advies voor het voortgezet onderwijs dan jongens. Ook als ze dezelfde score op de Cito halen. In de derde klas van de middelbare school blijkt ook nog eens dat ze vaker dan jongens een hoger niveau volgen dan dat advies op de basisschool. Ondertussen zijn meer jongens op een lager niveau beland. In havo- en vwo-klassen zijn de dames oververtegenwoordigd, op het vmbo de jongens. Jongens blijven ook vaker zitten.

Na de middelbare school blijven de verschillen bestaan: op het mbo volgen vooral meiden niveau 4. Ook op hogescholen en universiteiten zullen vanaf volgende week meer vrouwen dan mannen de collegebanken in schuiven. De dames scoren beter dan hun mannelijke leeftijdsgenoten, halen sneller hun bachelor of master. Mannen in het wetenschappelijk onderwijs doen gemiddeld bijna een jaar langer over hun studie. Meer dan dubbel zoveel van hen verlaten het hoger onderwijs zonder diploma.

Natuurlijk, het zijn allemaal gemiddelden. Er zijn genoeg slimme mannen die vooroplopen bij hun vrouwelijke klasgenoten. Maar de cijfers liegen er niet om. Twee jaar geleden haalde het aandeel hoogopgeleide vrouwen in Nederland de mannen in – onder de 45-plussers hebben die nog de overhand. Door het meisjessucces lijken jongens het onderspit te delven. Hoe komt dat? En wat is eraan te doen?

Verhaaltjessommen

Dat de school- en studieprestaties van jongens doorgaans lager liggen, wijten deskundigen aan veranderingen in het onderwijs zelf. Die zijn veelal in het nadeel van jongens. Van scholieren wordt bijvoorbeeld steeds meer zelfstandigheid verwacht. Zélf dingen uitzoeken, zélf plannen. Meer vrijheid en minder structuur. „Meisjes kunnen die verantwoordelijkheid op lagere leeftijd aan dan jongens”, legt hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles uit.

De rijping van de hersenen speelt daarin een belangrijke rol: sommige functies ontwikkelen zich bij meiden eerder dan bij jongens. Zo zijn meisjes al vanaf hun baby- en peutertijd gemiddeld wat beter in taal. Als kind begrijpen ze vrij vroeg abstracte woorden als frustratie, empathie en bedoeling. Omdat het onderwijs in de loop van de jaren taliger is geworden, hebben de dames daar voordeel bij. Denk bijvoorbeeld aan de verhaaltjessommen bij rekenen: „Jan doet vakantiewerk en verdient iedere dag 15 euro. Hoeveel dagen moet hij werken om een fiets van 165 euro te kunnen kopen?”

Veel jongens zijn nieuwsgierig, ondernemend, doen eerst en denken daarna. Dat is goed voor later, benadrukt Jolles. „Jongens komen weleens thuis met een winkelhaak in hun broek, omdat ze achter een tak zijn blijven hangen. Dat ze risico’s durven nemen, daar hebben ze later profijt van als ze het zelf moeten redden in de wereld.”

Maar hun gedrag kan ook afleiden van de concentratie die voor het schools presteren nodig is. „Op een stoel zitten en schrijven in schriftjes sluit meer aan bij meiden. Veel jongens zijn wat beter in praktisch leren, door dingen waar te nemen en verbanden te leggen.” Ook zelfinzicht ontwikkelen ze later dan meiden. „De meeste meisjes kunnen gemiddeld op een jongere leeftijd beoordelen wat ze goed of minder goed doen en staan eerder open voor feedback.”

De hersenen van meisjes zijn rond hun 22e of 23e gerijpt; bij het jongensbrein duurt dat gemiddeld twee jaar langer. Al bestaan er grote individuele verschillen, haast Jolles zich te zeggen. Bovendien loopt de ontwikkeling van de motoriek en het ruimtelijk denken bij jongens juist voor.

beeld ANP, Bas Czerwinski

Handen wassen

Ook Lauk Woltring is ervan overtuigd dat het huidige onderwijs beter bij meisjes dan bij jongens past. Hij is een van de auteurs van het deze zomer verschenen boek ”De ontwikkeling van jongens in het onderwijs”. „Waar jongens het goed doen, doen meisjes het ook vaak goed”, vertelt hij. „Maar op scholen waar meisjes het goed doen, gaat het lang niet altijd goed met de jongens.”

Jongens leren vooral door trial and error – uitproberen en dan wel zien waar het schip strandt. „Zij leren dus door fouten te maken. Meisjes worden daar eerder onzeker van. Ze zijn meer beducht voor gevaar, vermijden risico’s en kleuren het liefst binnen de lijntjes.” Fijn voor de leraar of –meestal– lerares, want die heeft in de klas weinig last van hen.

Dat brengt een volgend probleem aan het licht, gaat Woltring verder. „Jongens krijgen vaak het verwijt lui en ongemotiveerd te zijn. Ze worden constant gecorrigeerd: Praat niet voor je beurt, zit eens stil, blijf af, schei uit.” Zijn boek beschrijft een praktijkvoorbeeld in een kleuterklas. Bij de kraan zijn jongens met water bezig, tot de juf boos komt aanlopen. „Houd eens op met dat geklieder! Kijk nou, alles wordt nat...” Tien minuten later staan de meisjes bij de kraan. „Fijn dat jullie je handen al aan het wassen zijn!”

Voor hetzelfde gedrag berispen zowel meesters als juffen de jongens –onbewust– drie keer zo vaak als de meiden, laat Vlaams onderzoek zien. Gevolg: jongens krijgen een hekel aan school.

Zo werkt het voortdurend worden gecorrigeerd uiteindelijk averechts op de schoolprestaties, waarschuwt Woltring. „Jongens stoppen als het ware hun oren dicht voor een volgende berisping, want ze voelen haarscherp aan dat een docent hen vervelend vindt. Maar luister: als docent ben je ervoor om je leerlingen te motiveren.” Daar komt nog bij dat jongens verbale communicatie niet op dezelfde manier begrijpen als meisjes. „Als de juf tussen de regels door iets duidelijk wil maken, snappen jongens dat niet goed. Beter is om concreet te zijn in je aanwijzingen en verwachtingen en vraag hun niet steeds zich uitvoerig te verantwoorden.

Woltring ziet jongens als de kanarie in de kolenmijn. „Aan hen kun je zien wanneer het niet goed gaat in het onderwijs. Ik bedoel: leerlingen moeten zich te veel aanpassen aan de school, in plaats van dat de school naar de mogelijkheden en motieven van een leerling kijkt. Het is tegenwoordig belangrijker op welke bladzijde een kind is dan wat hem bezighoudt.”

Te braaf

Hun vroege ontwikkeling helpt meiden niet altijd, benadrukt Jolles. „Zij kunnen last hebben van te veel zelfinzicht: ik werk niet hard genoeg, dus ik doe er nog een schepje bovenop. De docent vindt het fijn dat zo’n meisje het goed wil doen. Terwijl zij zelf last heeft van het feit dat ze te braaf is. Ze gaat op haar tenen lopen, wat kan leiden tot faalangst.” Meiden tussen de 8 tot 14 jaar kampen twee keer zo vaak met perfectionisme als hun mannelijke leeftijdsgenoten.

Daarom, zegt Jolles, hebben meiden gerichte feedback nodig. „Ouders en docenten moeten zeggen dat het wel een tandje minder kan: „Het is goed, het hoeft niet beter.”” Tegelijk is het belangrijk om jongens te stimuleren in hun taalontwikkeling. Dat draagt eraan bij dat ze op een goede manier leren nadenken over hun eigen gedrag.

Jolles is ervan overtuigd dat de verschillen in leerprestaties kleiner kunnen worden door jongens dingen te leren waarin meisjes nu voorlopen en andersom. Stereotiepe beelden –jongens zijn vervelend en rumoerig; meisjes zijn braaf– houden verschillen volgens hem in stand. „Erken dat verschillen helemaal niet erg zijn. Dan hoeven we ook minder bozig naar jongens te zijn. Stimuleer hun zelfinzicht en talig vermogen juist.”

Andersom geldt dat ouders en docenten meisjes meer mogen uitdagen om de grenzen op te zoeken, nieuwsgierig te zijn en niet te veel stil te staan bij wat er zou kunnen gebeuren. Veel meisjes hebben te veel empathie, houden te veel rekening met wat anderen zouden kunnen denken. Dat remt hen in hun ontplooiing. Het kan dan ook geen kwaad als ze uitgedaagd worden en meer fouten maken. „Jongens en meisjes kunnen in potentie hetzelfde, maar je moet het ze wel leren.”

beeld ANP, Bas Czerwinski

Schoolzwemmen

Woltring pleit voor meer waardering van jongens. Dat de wereld buiten school hen meer trekt, ziet hij niet als gebrek aan intellect of motivatie. „Een eigen bedrijf runnen kunnen jongens heel goed. Een brommer opvoeren ook, en daar komt best wat techniek bij kijken. Nee, zin in woordjes leren hebben de meesten niet. Stampwerk vraagt een hoge motivatie en die komt bij jongens pas later. Zij zouden een vreemde taal veel makkelijker leren door een spannend boek in het Engels of Duits te lezen.”

Schakel jongens in, luidt zijn advies. „Brutale jongens hebben vaak geen positief zelfbeeld. Geef die raddraaier dus een belangrijke taak in de klas. Of ga het gesprek aan: „Ik heb last van je, wat is er aan de hand? Hoe gaat het thuis?” Het is essentieel dat jongens ergens trots op kunnen zijn. Dan laten ze zich veel sneller bijsturen.”

Door de latere rijping van de hersenen pakt de selectie naar onderwijsniveau in groep acht volgens Woltring vooral voor jongens „beroerd” uit. Hij is er voorstander van om dat op latere leeftijd te doen, bijvoorbeeld met veertien jaar, zoals ook in andere Europese landen gebeurt. „Met twaalf jaar is een kind nog lang niet genoeg uit de verf gekomen om een voor hem zo bepalende keuze te maken.”

Zover is het nog niet. Maar wie weet: de Onderwijsraad gaat zich buigen over de verschillen tussen jongens en meisjes in het onderwijs. Woltring heeft alvast wat tips voor scholen die nu al aan de slag willen. Meer bewegen bijvoorbeeld. „Als jongens niet kunnen bewegen, worden ze knettergek.” Niet bezuinigen dus op gymlessen en schoolzwemmen, adviseert hij. „Geef ruimte voor beweging, met als hoofdregel dat je de ander niet mag storen.”

Juffen

Zowel Jolles als Woltring hoopt dat een wat verschillende aanpak van jongens en meiden meer aandacht gaat krijgen op de pabo. Ook op de lerarenopleiding zelf zie je de vervrouwelijking terug. Ook daar ligt de focus op taalvaardigheden en zelfinzicht, zegt Woltring. „Pabostudenten zitten voortdurend reflectieverslagen te schrijven. Jongens lopen dan weg.”

Hoewel er nauwelijks bewijs is dat de hoeveelheid aan juffen het ‘jongensprobleem’ in de hand werkt, vindt Woltring het voor hun vorming niet goed dat zo veel vrouwen voor de klas staan. „Ik kan van vrouwen veel leren, maar niet hoe je man wordt. Jongens kijken tegen meesters op, zien hen als identificatiefiguur.”

Dat het aantal vrouwelijke leerkrachten in het basisonderwijs rond de 85 procent ligt, ziet Jolles niet als oorzaak van de lagere schoolprestaties van jongens. „Juffen zijn prima in staat om zowel jongens als meisjes te stimuleren en te laten ontwikkelen. Door wat meer open te staan voor het feit dat ontwikkeling, cognitie, sociaal-emotioneel functioneren en gedrag van jongens en meisjes wat anders verlopen. En door in te zien dat jongens een iets andere aanpak nodig hebben. Het hangt dus af van de attitude van de leerkracht, niet van de juf.”