Schoolhoofd toen en nu

Generaties in gesprek
J. W. van Leeuwen (29) en B. Bulsink (92) in gesprek over het leidinggeven aan een basisschool. „De hele dag komen er mails binnen.” „In mijn laatste schooljaar kwam de eerste computer.” beeld Martin Droog

Bovenmeester B. Bulsink gaf de hele week les. Directeur J. W. van Leeuwen geeft helemaal geen les; hij heeft geen eigen klas. Het is een van de verschillen in het leidinggeven aan een basisschool vroeger en nu.

Bulsink is 92; bij Van Leeuwen is de leeftijd net omgekeerd: 29. Senior heeft een onderwijsloopbaan van 36 jaar achter de rug, waarvan 25 als hoofdonderwijzer. Junior is acht jaar actief, en nog maar een halfjaar als directeur. „Ik ben begonnen op de Ds. J. Fraanjeschool in Barneveld”, zegt hij. „Ik ook”, reageert Bulsink verrast. „Ik heb er pas nog een gastles over de Tweede Wereldoorlog gegeven. Dat doe ik op meer scholen. Of ik vertel over mijn tijd als militair in Nederlands-Indië.”

Die periode was er de oorzaak van dat hij pas op 23-jarige leeftijd naar de kweekschool ging. „Omdat ik wat ouder was, kreeg ik de leiding van een van de jongensinternaten en mocht ik er een jaar gratis wonen. Ik herinner me de lessen van P. Kuijt. Soms werd hij weggeroepen omdat de telefoon ging. Als hij terugkwam, ging hij verder met de zin waaraan hij bezig was. Onvoorstelbaar.

Vanuit Barneveld kwamen secretaris Bekebrede en schoolhoofd Ter Harmsel naar Krabbendijke, stapten de eetzaal van het internaat binnen en vroegen: „Wie wil er bij ons komen lesgeven?” Zo kreeg ik mijn eerste baan.

De Driestar had weinig stagescholen, dus we hadden met vijftien man achter in een klas gezeten, zonder zelf les te geven. Na de evacuatie vanwege de watersnood in 1953 kwam ik op de Rehobothkweekschool in Utrecht terecht. Toen heb ik één keer een les gegeven, in een lokaal achter een kerk.”

Kat uit de boom

Dat was Bulsinks totale ervaring toen hij op 15 juni 1953 zijn diploma kreeg. „De volgende dag ben ik van mijn ouderlijk huis in Amersfoort naar Barneveld gefietst. Daar kreeg ik direct een eigen klas. Onverantwoord. Door schade en schande heb ik het vak geleerd.”

Vanuit Doetinchem, waar Bulsink was opgegroeid, kwam zijn oom ds. H. Wiltink op bezoek: „Wil je naar onze school komen?” Nee, zei Bulsink. „We waren net getrouwd en woonden nog maar een jaar in Barneveld.”

Er kwamen twee Doetinchemse bestuursleden: „Wil je komen?” Nee, zei Bulsink opnieuw. Er kwam een derde verzoek. En Bulsink kwam, in 1958. Hij bleef er tot zijn pensionering in 1989. „Daar heb ik nooit spijt van gehad. De kinderen in Doetinchem waren opener dan die in Barneveld.”

Dat verandert, zegt Van Leeuwen. „De jongere generatie in Barneveld is niet zo gesloten.”

Ontdekken

Beide leerkrachten waren niet op een directiefunctie uit. Bulsink: „Het hoofd in Doetinchem vertrok en stimuleerde me te solliciteren. Zo werd ik in 1961 hoofd der school. Gods leiding in het leven.”

Van Leeuwen: „Ik merkte dat ik taken buiten de klas uitdagend vond, dus ik volgde de opleiding ”schoolleider basisbekwaam”. Misschien eerst eens teamleider worden, dacht ik. Ik ging met mijn vrouw naar een informatieavond op de Jan de Bakkerschool in Woerden om meer te weten te komen over directiewerk op een eenpitter, een bestuur met slechts één school. Daar viel ik in zo’n warm bad dat ik toch naar de directeursfunctie solliciteerde.” Sinds 1 februari is hij er aan het werk. „Ik ben nog elke dag aan het ontdekken wat het inhoudt. Bij al het regelwerk moet je opletten dat je vooral onderwijskundig bezig blijft.”

Schoolplan

Hij heeft er vijf dagen per week voor tot zijn beschikking. „In de auto of de trein, van Barneveld naar Woerden, bedenk ik wat die dag prioriteit heeft. Maar aan dat werk ben ik om twaalf uur soms nog niet toegekomen.

Ik heb m’n eerste jaarverslag gemaakt. Dat kostte dagen. Nu moet er een schoolplan komen: waar willen we over vier jaar staan?”

Bulsink: „Ik weet niet wat ik hoor. Dat soort dingen kende ik helemaal niet. Pas kwam ik op een school en daar hadden ze bouwvergadering. Ik dacht: Dit gebouw is toch pas nieuw? Het bleek echter om een vergadering van de boven- of de onderbouw te gaan.”

Vergaderen

De Woerdense school telt 193 leerlingen. „We gaan naar 163. Veel reformatorische scholen in de omgeving kennen krimp. Bovendien berekent het CBS 11 procent krimp voor Woerden tot en met 2023”, zegt Van Leeuwen.

Hij is de ene week veel aan het vergaderen, de andere helemaal niet. „Gisterochtend hadden we directieoverleg van de eenpitters in de regio. Gistermiddag had ik vergadering van Berséba, het reformatorische samenwerkingsverband van regulier en speciaal basisonderwijs. Vanmiddag een teamvergadering, onder meer over de inrichting van het nieuwe schoolplein. En ga zo maar door. Vanwege de privacywet AVG komen er niet één, maar twee schoolgidsen, zodat de adresgegevens niet voor iedereen zichtbaar zijn.”

Bulsink schudt zijn hoofd: „O, o, o...”

Van Leeuwen: „En de hele dag komen er mails binnen.”

Bulsink: „In mijn laatste schooljaar kwam de eerste computer. Als ik jou hoor, denk ik: Dit had ik nooit gekund.”

Van Leeuwen: „Had u studiedagen?”

Bulsink: „Nee, hoor. Als je van de kweekschool kwam, was je klaar.”

Zilverlingen

De bejaarde Bodegravenaar had heel andere werkweken. „Elke dag gaf ik de zesde klas les. Het werk als hoofd deed je buiten de lestijden. Ik was elke avond bezig. Vanwege mijn leeftijd moest ik de laatste twee jaar dat ik werkte, een dag per week vrijnemen. Dat vond ik moeilijk, want ik had geen andere bezigheden.”

Het hoofd moest aanvankelijk ook de salarissen regelen. „Ik ben nooit een geldman geweest. Mijn vrouw deed de administratie. Zij was ervoor opgeleid en vond het leuk. Ze gaf me een linnen zakje mee en een briefje met het bedrag dat ik bij de bank moest opnemen. Zij deed het geld in enveloppen. Op school zei ik: „Het is vandaag de dag der zilverlingen.” Dan kwamen de collega’s hun salaris in mijn lokaal ophalen.”

En ondertussen had hij zijn eigen klas. „Ik bezocht de gezinnen van al mijn leerlingen. Drie op een avond. ’k Liet de vrouwen geen tijd verspillen met koffiezetten; koffie dronk ik daarna thuis.”

Van Leeuwen: „Huisbezoeken zijn er bij ons alleen bij de kleuters. In elke groep is er aan het begin van het jaar een luisteravond: ouders komen vertellen over hun kind. In november wordt er gepraat over het welbevinden van de kinderen, aan de hand van een observatielijst van de leerkracht. Pas in februari komt het eerste rapport, met een ouderavond over leerresultaten.”

Overblijven

Ouderbetrokkenheid is er in Woerden ook op een andere manier. „Volgende week is er grote schoonmaak; dan worden alle ouders verwacht. Voor het overblijven hebben we een oudercommissie. Die organiseert met alle andere ouders dat er tussen de middag wordt gegeten en schoongemaakt en dat er spelletjes worden georganiseerd. Ouders die niet meehelpen, betalen 250 euro per jaar.”

Het overblijven ging in Barneveld vroeger anders, zegt Bulsink. „Eén lokaal vol jongens, één vol meisjes, en als onderwijzer stond je in de deuropening ertussen.”

Bestuur

Van Leeuwen is bestuurder op de Jan de Bakkerschool, het vroegere bestuur is raad van toezicht. Bulsink: „In Barneveld vormde de kerkenraad van de gereformeerde gemeente het bestuur. Eén keer per maand kwamen twee ambtsdragers op bezoek, altijd onverwachts. Ik had er eens een smal lokaal, waar ze niet achterin konden zitten. Dus ze zaten naast me. Tijdens een Bijbelverhaal zag ik uit mijn ooghoek dat een van de bestuursleden iets opschreef. Dat gebeurde anders nooit, dus ik dacht: Wat is er mis? Maar ik heb er nooit iets over gehoord.

In Doetinchem was het heel anders. Daar kwam het bestuur nooit in de klas.”

Slangen

„Hoe ging u om met kinderen met leer- en gedragsproblemen?” vraagt Van Leeuwen. Bulsink: „We probeerden hen te houden. De schooladviesdienst zei over een jongen dat hij naar de blo-school –voor moeilijk lerenden– moest. Zijn moeder begon te huilen. Hij mocht bij ons blijven. Nu is hij eigenaar van een grote onderneming.” Van Leeuwen: „Zo lang mogelijk houden, dat proberen we nog steeds: passend onderwijs. Bij ons zijn twee intern begeleiders er allebei tien uur per week druk mee.”

Op zijn smartphone laat Van Leeuwen zijn oude vakgenoot foto’s zien van zijn vorige school. Zoals van een leerlinge met een enorme spin op haar hand. „Zulke beesten hield ik daar. Momenteel staat er een bak met slangen in de school. Die krijgen wekelijks muizen te eten. Sommige ouders griezelen ervan. De kinderen niet.”

Van een grote school ging hij naar een kleine, hoewel met een groter voedingsgebied. „Ik vind het directiewerk heel leuk. En bij de ouders bemerk je grote betrokkenheid bij de school.”

serie Generaties in gesprek

Senior en junior over school en studie, vroeger en nu. Deel 1.