Scholen worstelen om hoofd boven water te houden

De Petrus Dathenus in Hilversum is een van de basisscholen die minder leerlingen hebben dan de opheffingsnorm vereist. Dit schooljaar bezoeken 47 kinderen de school. Om sluiting te voorkomen fuseerde het Hilversumse schoolbestuur met dat van de Calvijnschool in Ederveen. beeld RD, Anton Dommerholt
4

Het basisonderwijs kampt al jaren met dalende leerlingaantallen. Die trend gaat ook reformatorische scholen niet voorbij. Hoewel de meeste nog voldoende leerlingen hebben, moeten sommige zich beraden op hun voortbestaan.

Vooral reformatorische scholen aan de flanken van de Biblebelt en in steden hebben te maken met krimp, zien Wim Voorwinden, beleidsadviseur bij de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS), en Arno Bronkhorst, bestuurder bij de Vereniging tot bevordering van schoolonderwijs op gereformeerde grondslag (VBSO). Dat komt doordat gezinnen kleiner worden, ouders de stad inruilen voor een woonplaats in een ander deel van het land en de keuze voor reformatorisch onderwijs minder vanzelfsprekend lijkt.

Daarbij komt dat de opheffingsnorm in steden vaak flink hoger ligt dan in dorpen. Dat nekt sommige scholen. Zo moesten de afgelopen tien jaar onder andere reformatorische scholen in Hoogvliet, Capelle aan den IJssel en Ridderkerk hun deuren sluiten.

Wim Voorwinden, beleidsadviseur en jurist bij de VGS. beeld VGS

Zo’n 15 à 20 van de 140 VGS-scholen hebben minder leerlingen dan de gemeentelijke opheffingsnorm vereist, aldus Voorwinden. Bij de VBSO gaat het om 3 van de 28 scholen: Arnemuiden, Katwijk en Hilversum.

Voor de scholen die bij Verus, de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs, zijn aangesloten, ziet het beeld er anders uit, zegt Auke Vlonk, adviseur strategische scholenplanning. „Het leerlingaantal op onze scholen in Noord- en Oost-Nederland en Zeeland krimpt, maar neemt in de Randstad –in lijn met de landelijke cijfers– juist toe.”

2020-02-29-katZA3-Basisschool_Hilversum-5-FC_webKnokken voor behoud van eigen school

Toelatingsbeleid

Voor scholen waarvan het leerlingaantal onder de opheffingsnorm duikt, valt niet gelijk het doek. Zo kunnen ze samenwerkingsafspraken maken met een nabijgelegen school, waardoor het leerlingaantal en de opheffingsnorm gemiddeld worden.

Daarnaast mag het leerlingaantal van een school die als enige in een straal van 5 kilometer onderwijs van een bepaalde richting aanbiedt, zakken tot vijftig. Daarop kunnen reformatorische scholen zich nogal eens beroepen.

Scholen waarvoor deze uitzonderingsbepalingen geen soelaas bieden, kunnen op andere manieren een sluiting voorkomen, legt Voorwinden uit. Zo kunnen ze fuseren met een ander bestuur of hun toelatingsbeleid verruimen om zo meer leerlingen te trekken.

Sommige reformatorische scholen, zoals in Leiderdorp en Poederoijen, voeren zo’n open toelatingsbeleid; voor andere scholen is dat onbespreekbaar. „Je moet zo’n beslissing ook zien in lijn met de stichting”, zegt Voorwinden. „Een school is niet voor niets opgericht. De vraag is dan of het verruimen van het toelatingsbeleid bij de oprichting past.” Daarnaast is het volgens hem belangrijk marktonderzoek te verrichten. „Hoe groot is de kans dat het leerlingaantal door zo’n maatregel ook daadwerkelijk groeit?”

Arno Bronkhorst, bestuurder bij de VBSO. beeld RD

Daarbij komt dat het doel en de situatie van een stadsschool anders kunnen zijn dan die van een dorpsschool, ziet hij. „Dat heeft effect op de keuzes die je maakt.”

Ook Vlonk benadrukt dat de maatregelen die krimpende scholen nemen, lokaal maatwerk zijn. „Sommige scholen staan open voor samenwerking met besturen van een andere identiteit, andere niet. Dat is afhankelijk van de noodzaak, cultuur en opties die een schoolbestuur nog heeft.”

Bronkhorst ziet dat een verruiming van het toelatingsbeleid voor VBSO-scholen veelal geen optie is. „De identiteit vormt hun bestaansrecht. Zij zullen daarom eerder kiezen voor een bestuurlijke oplossing.”

Een van die bestuurlijke oplossingen is een fusie. Dat is echter wel een behoorlijke stap, vinden Bronkhorst en Voorwinden. Voorwinden: „Scholen verschillen, zowel op financieel als op identitair vlak. Zo’n fusieproces vraagt daarom tijd.” Bronkhorst: „Elke school heeft zijn eigen nestgeur. Het is daarom het beste te zoeken naar samenwerkingsconstructies waarbij de eigenheid van de school zoveel mogelijk gewaarborgd blijft.”

Auke Vlonk, adviseur strategische scholenplanning. beeld Ruben Schipper

Penibel

Een explosieve toename van het aantal schoolsluitingen verwachten Bronkhorst, Voorwinden en Vlonk de eerste jaren niet. Bronkhorst: „Het is belangrijk als school tijdig te anticiperen op verwachte krimp; dan is er vaak nog best wat mogelijk.” Voorwinden: „Meestal is goed te voorspellen hoe het leerlingaantal zich ontwikkelt en kan hierop tijdig ingespeeld worden. Soms komt een school echter in een dusdanig penibele situatie terecht dat sluiting onafwendbaar is.”

Vlonk: „Afgelopen jaren hebben vooral basisscholen te maken gehad met krimp, we zien nu dat die trend zich doorzet naar scholen voor voortgezet onderwijs.”