Op de bres voor eigen leermiddelen

VBSO-bestuurder Arno Bronkhorst (l.) en VGS-bestuurder Pieter Moens. De beide besturenorganisaties hebben vrijdag de stichting Ontwikkeling Leermiddelen opgericht. beeld Henk Visscher

Leermiddelen moeten beter aansluiten bij de identiteit van christelijke en reformatorische basisscholen, vinden besturenorganisaties VGS en VBSO. Daarom richtten ze vrijdag de stichting Ontwikkeling Leermiddelen op. „Het is belangrijk proactief te doordenken waar ons onderwijs voor staat.”

De leerkrachten en de leermiddelen zijn twee kernzaken voor het christelijk en reformatorisch onderwijs, vinden Arno Bronkhorst, bestuurder van de Vereniging tot Bevordering van Schoolonderwijs op Gereformeerde Grondslag (VBSO), en Pieter Moens, bestuurder van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS). „Op die twee punten kan een school de identiteit invullen en sturen.”

Om ervoor te zorgen dat de leerkracht bij de identiteit van de school past, voeren de VBSO- en VGS-scholen een personeelsbeleid. De bestuurders zien echter dat de bij hen aangesloten scholen veelvuldig gebruikmaken van seculiere lesmethoden. Onwenselijk, vinden beiden.

Wat is precies het probleem met seculiere leermiddelen?

Bronkhorst: „De mens- en maatschappijvisie die daaruit spreekt is vaak in strijd met de Bijbelse visie. Zo staat het maximaal benutten van de eigen mogelijkheden vaak centraal. Maar waar zijn de Bijbelse noties van nederigheid en dienstbaarheid?”

Moens: „Enkele jaren geleden was ik op een christelijke school in Liverpool. Daar werd geen seculier lesmateriaal gebruikt. Volgens de directrice waren leermiddelen namelijk óf uit God óf uit de duivel. Die uitspraak zette mij aan het denken. Lesmateriaal is doordrenkt van een bepaalde levensvisie. Staat God of het eigen ik daarin centraal?”

Bronkhorst: „Daarnaast spreekt de Bijbel anders over thema’s als seksuele diversiteit of schepping en evolutie. En neem een geschiedenismethode: is die ontwikkeld vanuit de overtuiging dat Gods hand de historie schrijft of wordt de geschiedenis puur beschouwd als een aaneenrijging van gebeurtenissen?”

Is het niet de taak van een leerkracht die duiding te geven?

Moens: „Hoe de juf of meester met de leerstof omgaat is inderdaad cruciaal. Leermiddelen zijn ook geen doel op zich, maar kunnen hen helpen bij het geven van onderwijs dat past bij de levensovertuiging van de school.”

Wat gaat de stichting precies doen?

Bronkhorst: „Vanuit beide achterbannen is een bestuur samengesteld. Drie van de zeven leden zijn afkomstig uit de voormalige werkgroep methodeontwikkeling basisonderwijs, waarin Driestar educatief, VGS, VBSO, KOC Diensten en diverse reformatorische scholen participeerden. Dat bestuur benoemt een projectleider. Die betrekt onderwijsgevenden, onderwijsadviesdiensten en uitgeverijen bij het ontwikkelproces.”

Moens: „Wat er geleverd gaan worden, is nog niet duidelijk. Dat kunnen lesmethoden, projectmaterialen of docentenhandreikingen zijn. In eerste instantie ligt de focus op het thema burgerschap. Dat onderwerp staat landelijk gezien op de agenda. Daarnaast richten we ons op vakken als taal, geschiedenis en biologie. De producten die ontwikkeld gaan worden moeten zowel digitaal als analoog gebruikt kunnen worden en er moet ruimte zijn voor differentiatie tussen leerlingen.”

Waarom een speciale stichting?

Moens: „Zo hopen we het belang van eigen materiaal meer op de kaart te zetten, de kwaliteit van de producten te borgen en urgentiebesef te creëren. Daarnaast willen we de eenduidigheid tussen onze scholen bewaren.”

Bronkhorst: „We merken dat het christelijk en reformatorisch onderwijs soms te weinig proactief handelt en teveel bezig is met het reageren op maatschappelijke ontwikkelingen.”

Moens: „Onze scholen hebben een eigen levensovertuiging. Die heeft invloed op de manier waarop je kijkt naar onderwerpen als levensinvulling, gezinsvorming en duurzaamheid. De doordenking van wat we kinderen nu precies willen leren en hoe dat moet, zou echt meer aandacht moeten krijgen. Dan blijft ons onderwijs toekomstbestendig en kun je zowel intern als ook extern, ook richting de overheid, scherper verwoorden waarvoor je staat.”

Is het niet juist goed dat leerlingen kennismaken met andere denkbeelden?

Bronkhorst: „Zeker. Maar de basisschool is niet allereerst de plaats om dat te doen. Hoe kunnen ze zich over allerhande denkbeelden een gefundeerde mening vormen als ze nog geen stevige innerlijke basis hebben? Juist voor kinderen van vier tot twaalf jaar is het belangrijk dat ze thuis, op school en in de kerk dezelfde boodschap horen. Zo raken ze geworteld in hun overtuiging.”

Eerdere initiatieven op dit gebied bleken niet altijd succesvol. Waarom gaat het deze keer wel lukken?

Moens: „Sommige scholen staan inderdaad sceptisch tegenover de ontwikkeling van eigen materiaal. Uit een peiling in het onderwijsveld bleek echter ruim een derde graag te willen dat er een dergelijke stichting opgericht werd. Een derde heeft belangstelling en een derde ziet de noodzaak niet. In die cijfers zien we voldoende draagvlak.”