Onderwijsraad geeft honderd jaar wijze raad

Tentoonstellng over 100 jaar Onderwijsraad in Onderwijsmuseum. beeld RD
4

De eerste echte onderwijsminister van ons land, ds. De Visser, installeert op 23 juni 1919 de Onderwijsraad. Het nieuwe adviesorgaan moet onder meer de financiële gelijkberechtiging van openbaar en bijzonder onderwijs bewaken. Is dat honderd jaar later nog steeds zinvol?

De schoolstrijd die tussen 1840 en 1917 in Nederland woedt, hakt er flink in. Er ontstaat een diepe scheidslijn tussen de liberalen enerzijds en de protestanten en rooms-katholieken anderzijds. De liberalen vinden dat er wel vrijheid van onderwijs mag zijn, maar de overheid mag christelijke scholen niet of slechts gedeeltelijk bekostigen. De christelijke partijen vragen juist wel financiële gelijkstelling. Na enkele decennia touwtrekken krijgen de confessionelen in 1917 hun zin. In ruil daarvoor moeten ze accepteren dat er algemeen kiesrecht komt en dat de overheid deugdelijkheidseisen stelt aan het bijzonder onderwijs.

In 1918 treedt de eerste echte minister van Onderwijs aan. Voor die tijd viel Onderwijs onder Binnenlandse Zaken; vanaf 1918 is het een zelfstandig departement. Dr. J. Th. de Visser, hervormd predikant (ethische richting) en vooraanstaand CHU-politicus, zwaait er de scepter. Hij is een begenadigd spreker en kanselredenaar. Hij installeert negen maanden na zijn aantreden de Onderwijsraad. De raad krijgt nadrukkelijk de opdracht mee te kijken naar de grote lijnen in het onderwijs en niet mee te deinen met de waan van de dag. Het adviesorgaan staat boven de partijen, is onafhankelijk en heeft deskundige leden.

Onderwijsvernieuwing

Vanaf het begin is de taak breder dan alleen de bewaking van de financiële gelijkberechtiging en de onderwijsvrijheid. Om het in de woorden van De Visser te zeggen bij de installatie van de raad: „Maar in dit alles ontbreekt de minister van Onderwijs de gestadige voeling met hen, die in onderwijszaken doorkneed en met onderwijsidealen vervuld, hem voortdurend kunnen voorlichten omtrent datgene, dat in de eis des tijds kan worden geacht.” Het gaat dus ook om onderwijsvernieuwing.

Die bredere opdracht blijkt ook uit de adviezen die de raad uitbrengt. Nog geen jaar na de installatie beziet de Onderwijsraad met enige zorg dat afgestudeerde onderwijsgevenden een baan buiten het onderwijs zoeken. De reden: betere financiële vooruitzichten dan in het onderwijs.

In 1929 adviseert de Onderwijsraad over het gebruik van de radio in de klas. Dat kan volgens het adviesorgaan „zonder bezwaar”, evenals „het boek, de grammophoon, de plaat, de teekening en de film.” Maar: „De volle verantwoordelijkheid moet blijven bij de gewone docent.”

Focus verschoven

Anno 2019 fungeert de Onderwijsraad als een onafhankelijk adviescollege van regering en parlement dat gevraagd en ongevraagd adviseert over beleid en wetgeving. Voor het opstellen van een advies roept de raad, die uit tien personen bestaat, hulp in van mensen uit het onderwijsveld. De raad zelf bestaat uit leraren, wetenschappers en bestuurders. Ze verrichten hun werk op persoonlijke titel. Prof. dr. Edith Hooge, hoogleraar onderwijsbestuur bij TIAS School for Business and Society in Tilburg, hanteert in deze zittingsperiode, die tot 2022 loopt, de voorzittershamer.

De vrijheid van onderwijs en het streven naar kwaliteitsverbetering zijn altijd nog richtinggevend voor het werk van de raad. Ook houdt de raad de opdracht om op de grote lijnen te letten, nog steeds in het oog.

Toch is de focus wel verschoven. Lette de raad in het begin sterk op bewaking van de financiële gelijkstelling, daar zijn anno 2019 minder zorgen over. Het adviesorgaan waakt er nog wel steeds voor dat de overheid zich niet te veel mengt in het onderwijs dat de scholen geven. Scholen hebben vrijheid om het onderwijs in te richten zoals zij dat wenselijk achten, zo staat dat immers in de Grondwet. Zo wil de raad bijvoorbeeld niet dat de overheid zich te veel mengt in de wijze waarop scholen burgerschapsonderwijs vormgeven.

De raad let ook nog steeds op de grote uitdagingen waar de samenleving voor staat. Anno 2019 komen er indringende vragen op scholen af. Individualisering, migratie en informatisering vragen nieuwe vaardigheden van leerlingen. De samenleving anno 2019 ziet er fundamenteel anders uit dan die van 1919. De ontkerkelijking heeft haar tienduizenden verslagen. De samenleving is voor het overgrote deel niet langer verdeeld in levensbeschouwelijke zuilen. Nu liggen de breuklijnen voor een groot deel anders. Naast religieus-niet religieus kwam daarbij rijk-arm, allochtoon-autochtoon, hoogopgeleid-laagopgeleid. Dat vraagt het nodige van het onderwijs. De raad legt tegenwoordig veel nadruk op gelijke kansen voor alle kinderen en op de rol van de burger in een democratische samenleving.

Moderne interpretatie

Deze verschuiving geeft volgens de Onderwijsraad aanleiding tot een debat over artikel 23 van de Grondwet, waarin de onderwijsvrijheid is geborgd, maar het adviesorgaan ziet geen aanleiding om het artikel te veranderen. Wel is „een moderne interpretatie” nodig. Aan het eind van dit jaar brengt de Onderwijsraad uit eigener beweging een advies uit over de toekomst van het grondwetsartikel.

De voorzitter van de Onderwijsraad, Edith Hooge: „Artikel 23 biedt vrijheid van richting, stichting en inrichting voor scholen. Maar het spreekt ook van kwaliteitsbewaking van het onderwijs door de overheid. Je kunt die vrijheid en verantwoordelijkheid zien als tegengesteld, maar ik zie de begrippen als aanvullend op elkaar. Beide zijn belangrijk. Wij kijken in het advies naar de kansen én naar de belemmeringen die het grondwetsartikel biedt.

Als we artikel 23 toekomstbestendig willen houden, moet het ook passen in deze tijd. Vraagstukken waar we op in willen gaan zijn onder meer de toekomst van het schoolaanbod in krimpgebieden, scholen die in competitie met elkaar zijn om leerlingen te werven en het thema gelijke kansen voor iedereen. Bij dat laatste thema betrekken we ook de toegankelijkheid van het onderwijs. Stuk voor stuk spannende thema’s. Welke kant het opgaat, durf ik nog niet te zeggen. Ons uitgangspunt is dat er goed onderwijs is en blijft voor elk kind, ongeacht zijn afkomst.”

Expositie in Onderwijsmuseum

Het Onderwijsmuseum in Dordrecht organiseert in samenwerking met de Onderwijsraad een eenvoudige tentoonstelling over het eeuwfeest van het adviesorgaan. De ellipsvormig opgezette expositie heeft als titel ”Wijze raad” en valt in tweeën uiteen. De binnenring geeft een beeld van het jarenlange werk van de raad. Foto’s en teksten geven de bezoeker een goed beeld van de taken en werkzaamheden van de Onderwijsraad door de tijd heen.

In de buitenring hangen foto’s van leerlingen uit het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Ze hebben een foto gemaakt van een typerend moment van hun schooldag. Er zijn dertien genomineerden. In juni kiest een jury uit elke groep een winnaar.

De tentoonstelling in het Onderwijsmuseum loopt tot 2 juni.

Waardering en kritiek

Volgens Hilda Amsing, universitair hoofddocent pedagogiek en onderwijswetenschappen in Groningen, hebben de adviezen van de Onderwijsraad aan betekenis en invloed gewonnen sinds ze openbaar zijn. „Dat gebeurt sinds 1974. Nu moet iedereen zich in het openbaar verhouden tot de adviezen van de raad. De raad is een belangrijke speler in het onderwijsbeleid en bepaalt nu mede de actuele agenda.”

Amsing betitelt de Onderwijsraad als „tamelijk behoudend.” Dat is volgens haar ook niet zo vreemd: „Het onderwijs moet zich niet verliezen in de waan van de dag. Enige terughoudendheid is daarom op haar plaats.”

Toch zou de Onderwijsraad in de ogen van de universitair docent wel uitdagender adviezen mogen uitbrengen. Bijvoorbeeld op het gebied van gelijke kansen. „We weten dat ons huidige gedifferentieerde systeem met alle verschillende soorten onderwijs nadelig werkt voor kinderen uit lage sociale milieus. Een uitgestelde schoolkeuze zou hen kunnen helpen om beter mee te komen. Ik heb de oplossing daarvoor ook niet voorhanden. Moet er een systeemwijziging komen of juist niet? Dat vind ik een langetermijnvraag waar het adviesorgaan zich over moet buigen.

De raad lijkt moeite te hebben met dit thema. Op RTV Dordrecht suggereerde een lid van de Onderwijsraad onlangs dat de vraag wat we nu kunnen doen om kansengelijkheid te bevorderen niet echt een vraag voor de Onderwijsraad is, omdat dat een kortetermijnvraag is. Dat heeft me hogelijk verbaasd. Maar misschien is ook niet iedereen in de Onderwijsraad het met hem eens.”

CDA-Kamerlid Michel Rog is over het algemeen blij met de adviezen van de Onderwijsraad. „In de zeven jaar dat ik Kamerlid ben, heb ik ze steeds met aandacht gelezen. Ik ben het er niet altijd mee eens, maar ze zijn wel van hoog niveau en doordacht. De raad weet mij altijd te verrassen met doortimmerde adviezen. Hij staat echt boven de partijen en ontstijgt de waan van de dag. Laat dat vooral zo blijven.”

Rog heeft wel een zorgpunt. „Van de leden van de Onderwijsraad verwacht ik een zekere zakelijke afstandelijkheid tot de actualiteit. Het lid René Kneyber, in het dagelijks leven wiskundedocent, heeft daar kennelijk moeite mee. Hij spreekt zich in columns en op sociale media uit op een manier die ik niet vind passen bij de positie en waardigheid van een lid van de Onderwijsraad. De raad is evenwichtig samengesteld en daar horen dus ook zeker betrokken leraren bij. Maar een lid dat de polemiek aanjaagt, maakt de raad kwetsbaar.”