Onderwijs vertoont haarscheuren, concludeert Onderwijsinspectie

beeld ANP

Het goede nieuws: De onderwijskwaliteit is nog voldoende. Het slechte nieuws: Het onderwijs vertoont haarscheuren. De havo zit in de problemen. En niemand vraagt zich af of vernieuwingen de onderwijskwaliteit verbeteren. De inspectie geeft een schot voor de boeg.

De Onderwijsinspectie heeft het onderwijs in Nederland doorgelicht. Basisonderwijs, voortgezet (speciaal) onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs. Woensdag presenteerde de inspectie de resultaten in het rapport ”Staat van het Onderwijs”. Onderwijsminister Arie Slob nam het kloeke boekwerk –280 pagina’s– in ontvangst.

Het onderwijs is gemiddeld „nog” op niveau, zegt hoofdinspecteur Monique Vogelzang. De kwaliteit vertoont echter haarscheuren. Ze somt op: Leerlingen presteren minder goed op de kernvakken taal en rekenen, de laaggeletterdheid neemt toe en scholen vertonen sterke verschillen qua prestaties. De onderwijsinspecteur geeft daarom een schot voor de boeg. „Als er niets aan de haarscheuren wordt gedaan, verdiepen deze zich.”

Blijven zitten

De havo levert bijvoorbeeld hoofdbrekens op. Havisten blijven het vaakst zitten, terwijl veel havo-opleidingen op middelbare scholen slecht scoren. Het aantal jongens dat de basisschool verlaat met een havo-advies én vijf jaar een havo-diploma op zak heeft, blijft steken op 35 procent. Voor meisjes is dat de helft.

Tussen 2000 en 2018 is het aantal nieuwe onderwijsconcepten en -profielen in het basis- en voortgezet onderwijs minstens verdrievoudigd, tot circa dertig. Het resultaat van deze vernieuwingsgolf voor de kwaliteit van het onderwijs blijft echter onduidelijk, blijkt uit het jaarlijks rapport. „We weten niet wat het oplevert”, stelt Vogelzang vast.

Evaluaties ontbreken veelal. Scholen stellen geen doelen, doen geen of slecht onderzoek en leren weinig van elkaar, meldt de inspectie. Terwijl het aantal scholen dat zich profileert met een bijzonder onderwijsconcept of -profiel, zoals agora of technasium, fors groeit.

Een ander zorgpunt is het ernstige lerarentekort. Vooral in de Randstad. „Zorgwekkend.” Het basisonderwijs voelt vooral de pijn van de „forse” tekorten. Inspecteurs krijgen regelmatig te horen dat werkdruk te hoog oploopt en dat leraren steeds minder plezier in hun werk hebben. Schoolteams zijn vooral bezig om de school draaiend te houden. „Een risico voor de onderwijskwaliteit”, constateert de inspectie.

Het lerarentekort loopt bovendien op. Het primair onderwijs zoekt in 2023 waarschijnlijk 4172 fulltime leraren, mogelijk oplopend tot 10.370 fte in 2028. Het voortgezet onderwijs krijgt over vier jaar te kampen met 1057 vacatures en 1641 over negen jaar.

Het lerarentekort breidt zich de komende jaren uit naar het speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het mbo. De inspectie houdt er rekening mee dat het gebrek aan voldoende leerkrachten op termijn terug te zien is in de beoordeling van de verschillende scholen.

Het positieve nieuws is dat het aantal inschrijvingen bij de pabo’s dit schooljaar met ruim 10,6 procent is gestegen vergeleken met 2017/2018. Maar ook achter het goede nieuws zit een kleine maar. De instroom blijft namelijk nog altijd „ruim” achter bij 2014 met 8212 pabo-studenten.

De inspectie vraagt zich dan ook af of toekomstige generaties leerlingen en studenten nog de basiseisen van het onderwijs kan garanderen. Om de zorgelijke ontwikkelingen het hoofd te bieden, kiezen scholen allemaal hun eigen noodoplossing. Bijvoorbeeld het inzetten van onbevoegde leerkrachten.

Nog een probleem. Leerlingen van 14 jaar in eigen land hebben minder burgerschapskennis en -vaardigheden dan leerlingen in buurlanden. Kennis over hoe een democratie werkt, blijft bijvoorbeeld achter. Of over hoe de samenleving is opgebouwd. Niet onbelangrijk.

Niemand weet hoe het exact gesteld is met deze betrokkenheid van de leerlingen bij de samenleving, constateert de onderwijsinspectie. Schoolleiders niet, bestuurders niet. Terwijl burgerschapskennis toch echt een van de kerntaken van het onderwijs is.