Nederlands doceren in de jaren 70 en nu: een wereld van verschil

Generaties in gesprek
Wim Bosland (l) en Peter Goedegebure delen de liefde voor hetzelfde vak, Nederlands. Maar lesgeven aan De Driestar begin jaren 70 en anno 2019 is een wereld van verschil. beeld Martin Droog

Het is alsof je het over twee verschillende beroepen hebt: leraar in de jaren zeventig van de vorige eeuw en docent een halve eeuw later aan dezelfde school. Toch is zowel Wim Bosland (73) als Peter Goedegebure (53) idolaat van hetzelfde vak: Nederlands.

Bosland begon in 1972 aan de Driestar van „meneer Kuijt.” Het was voor de stichter van de eerste reformatorische school voor voortgezet onderwijs destijds alle hens aan dek om aan personeel te komen voor de Goudse school. Bosland: „Ik was één jaar onderwijzer toen ik via een buurvrouw een briefje van Kuijt kreeg waarin hij schreef dat hij een leraar Nederlands zocht. Zij wist dat ik met de lerarenopleiding Nederlands bezig was.”

De geboren Ouddorper kreeg een gesprek met directeur P. Kuijt en de bestuursleden ds. H. Rijksen en mr. J. de Heer. „Ik had toen een snor en lang haar. Dat laatste moest eraf, maar ik zei dat ik mijn snor niet zou weghalen, anders zou ik mijn sollicitatie intrekken. Tijdens het gesprek hoorde ik gelijk dat ik werd benoemd –er was ook niemand anders– en ik kreeg meteen een vaste aanstelling.”

Bosland ging in alle klassen van de mavo aan de slag. „Bij een volledige baan had ik 32 lesuren, maar een leraar mocht 4 uur extra geven. Dat heb ik altijd gedaan.” Later kwam er naast de mavo op de Driestar ook een havo-onderbouw.

In de begintijd gaf je niet alleen les aan de Driestar, „je werd Driestar”, zegt Bosland. „Ik was het eerste contact dat werd gebeld bij onraad. Dan ging ik midden in de nacht de school binnen met een knuppel. Meestal was het loos alarm, maar twee keer was de geldautomaat in de hal gekraakt door twee jongens op een brommer. Toch moest je er de volgende morgen om 8.00 uur weer zijn.”

In 1980 stapte Bosland gedeeltelijk over naar de Opleiding tot Kleuterleidster van de Driestar. Toen deze OK vier jaar later fuseerde met de PA tot pabo, stopte de Gouwenaar met het voortgezet onderwijs.

Beste leraar

Goedegebure, afkomstig uit het Zeeuwse Nieuwdorp, kwam in 1992 de inmiddels Driestar College geheten school heel anders binnen. „Ik had aan de Nieuwe Leraren Opleiding Nederlands en geschiedenis gestudeerd en daarna mijn doctoraal en postdoctoraal Nederlands in Leiden afgerond. Na mijn aanstelling gaf ik meteen les aan zowel de onder- als de bovenbouw van havo en vwo.” De Driestardocent was in 2016 kandidaat voor de verkiezing tot beste leraar Nederlands van Nederland en België.

Hoe veranderden de leerlingen in de loop van de tijd?

Bosland, achter zijn hand trekkend aan zijn elektrische sigaret: „Toen ik begon, waren de leerlingen heel tamme, volgzame kindertjes. Dat is, denk ik, een beetje veranderd.”

Goedegebure: „Ik had een jaar stage gelopen op heftige scholen in Rotterdamse volksbuurten. In vergelijking daarmee waren de leerlingen hier toen heel rustig. Tam zou ik niet zeggen.

De leerlingen nu zijn opener dan vroeger. Als je wat te melden hebt, tonen ze meegaandheid en belangstelling. De keerzijde is: ze luisteren niet omdat je de leraar bent, maar omdat je wat te bieden hebt.

Leerlingen wogen vroeger de leraren meer op kerkelijke afkomst. Ze hebben mij weleens gevraagd: „Bent u gereformeerd? U bidt zo kort en hebt een roze stropdas.”

Tegenwoordig ervaar ik openheid bij de dagopeningen. Ik vraag of er gebedspunten zijn. De leerlingen zijn meer betrokken dan vroeger en stellen wezenlijke vragen. Sommigen zitten in een Bijbelstudiegroep of hebben een gebedsgroepje.”

Bosland: „Vroeger kwam dat soort zaken absoluut niet ter sprake. Ik heb wel veel verhalen verteld. En ook moppen, aan het begin van de les, totdat ik bij directie werd geroepen. Een vader vond mijn mop niet leuk.”

Goedegebure: „Ik houd wat dat betreft van soberheid. Een grapje moet te maken hebben met de lesstof.

Ik heb wel het idee dat de leerlingen beleefder zijn geworden. Dat geldt voor de maatschappij, maar ook binnen de school.”

Bosland: „Nou, als je hier naar de Coop in de buurt van de school gaat, moet je je mening wel nuanceren. Dagelijks halen daar tientallen leerlingen een alternatief voor hun lunchpakket. Aan een klein groepje van hen ergeren veel klanten zich. Ze schreeuwen in die winkel en staan met een grote radio in het winkelcentrum.”

Goedegebure: „Het kan zijn dat leerlingen zich buiten de school anders gedragen dan er binnen. Ik ervaar juist beleefdheid, in een vraag als: „Sorry meneer, mag ik even mijn waterfles vullen?” Ook merk ik betrokkenheid vanuit de leerlingen op het leerproces. Dat er een op zaterdagavond om 23.00 uur een boekverslag inlevert en schrijft: „Excuses, dit moest eigenlijk vanmiddag om 14.00 uur gebeuren.””

Hoe is het geven van het vak Nederlands veranderd?

Bosland: „Grammatica was een onderdeel dat ik duidelijk kon toetsen. Bij opstellen was het gek: ik keek na, gaf een 6 of een 7, maar gaf er geen vervolg aan. Na vier maanden volgde er nog een opstel. Die manier van werken was slecht; had totaal geen zin. Met spreekbeurten was dat hetzelfde: ik heb nooit informatie gegeven waarom het goed was om een spreekbeurt te houden.

Ik stelde mijn eigen overhoringen en proefwerken samen. Collega’s hadden er niets mee te maken. Als ik het makkelijk maakte, hadden alle leerlingen een goed cijfer. Het was gezellig, maar onderwijskundig niet goed; er zat geen idee achter.”

Goedegebure: „Als leerling had ik ook zo’n ervaring van willekeur. Begin jaren tachtig hield ik een spreekbeurt over de Hmong-vluchtelingen; ik kreeg een 8,5. Ik was een stukje de klas ingelopen. De docent zei: Als je iets verder de klas in was gestapt, had je een 9 gekregen.

Gelukkig is er tegenwoordig meer overleg. De repetities wisselen we uit en die beoordelen we volgens een van tevoren afgesproken normering. Er is minder willekeur, maar het is nog steeds gezellig.”

Bosland: „Is zo’n beoordelingsmodel niet bureaucratisch?”

Goedegebure: „Dat is ook mijn worsteling. Ik geef het liefst intuïtief cijfers: liever een 8 dan een 7,83 voor een spreekbeurt. Daarbij wil ik graag wel het verschil tussen een 7 en een 8 uitleggen.”

Literatuur

Het gesprek gaat verder over de behandeling van literatuur.

Goedegebure: „Vroeger kon ik over de Beatrijs, een bekend werk uit de middeleeuwen, een lesuur van 45 minuten vullen. Maar tegenwoordig red je het niet meer met alleen vertellen.”

Bosland: „Literatuur had niet mijn voorkeur. Over de middeleeuwen vertelde ik wel wat verhalen, maar over Vondel of Hooft had ik minder te melden. Die literatuurgeschiedenis stond wel in het boek. Voor moderne literatuur lazen we gezamenlijk een absurdistisch boek dat helemaal niet op de Driestar thuishoorde,: over hoe soldaat Mazuro aan zijn einde kwam; hij versteende, werd doormidden gezaagd en meegenomen.

Als specialiteit had ik op de lerarenopleiding historische grammatica gedaan. Ik was liever daarmee bezig en met verhaalanalyses: hoe het perspectief in een boek veranderde.”

Goedegebure: „Toen mijn leraar Nederlands al bij de deur begon een gedicht van Guido Gezelle voor te dragen, gaf dat voor mij de doorslag om Nederlands te gaan studeren. Dat was zo gaaf, dáár wilde ik me mee bezighouden. Ik specialiseerde me in historische letterkunde.

Ik probeer de leerlingen te motiveren voor literatuur. Dat is lastiger geworden. Op internet zijn er wel tien verslagen van hetzelfde boek te vinden. Daarbij komt dat zowel vwo- als havo-leerlingen nu veel minder boeken hoeven te lezen dan vroeger: het vwo ging van dertig naar twaalf boeken en de havo van twintig naar acht. Ik kan dus minder toetsen.

Voor de moderne literatuur probeer ik criteria aan te reiken wanneer de leerlingen een boek ongelezen moeten laten. Ik probeer zo de moderniteit in goede banen te leiden, niet meer ermee te confronteren. Die kennismaking is via het filmkanaal Netflix allang gebeurd.”

Bosland: „Bij ons was er geen kader van waaruit je moest lesgeven. Je had de methode, dat was het. Je praatte niet met collega’s over de stof. Wat je besprak en hoe de orde was, bleef beperkt tot jouw klaslokaal.”

Goedegebure: „Die begeleiding is absoluut verbeterd. Je hebt nu een werkplekbegeleider, assessments, een portfolio. De gedachte dat je meteen moet kunnen lesgeven bestaat niet meer.

In het begin van mijn loopbaan werd er nooit over gepraat hoe je orde moest houden. Je deed de deur dicht en als je het lastig had, zat je alleen te lijden. Nu wordt er wel over gepraat, al is het maar in de koffiekamer.”

Identiteit

Aan het eind van het gesprek zegt Goedegebure: „Gelukkig is er geen vraag geweest over een eventuele verandering in identiteit.” Bosland, spontaan: „Over identiteit werd begin jaren zeventig niet gesproken. Toen werd van iemand van de Gereformeerde Gemeenten, Gereformeerde Bond of de Christelijke Gereformeerde Kerken gewoon aangenomen dat het met de identiteit wel goed zat.”

Goedegebure: „Daar kijk ik van op. Er is nu zelfs een lectoraat waarin wordt geprobeerd de verbinding tussen het geloof en ieder vak te zoeken. Vind je dat wel goed?”

Bosland: „Zeker. Er was natuurlijk wel identiteit. We waren een groep behoudende christenen, maar we spraken nooit over het geloof. Maar we zullen als collega’s vanzelfsprekend wel identiteit hebben uitgestraald.”

serie Generaties in gesprek

Senior en junior over school en studie, vroeger en nu. Deel 4.