Minister Bussemaker: Vrijheid van onderwijs verdient onderhoud

Vrijheid van onderwijs
Minister Bussemaker. beeld RD. Anton Dommerholt

Als het aan minister Bussemaker van Onderwijs ligt, blijft de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs bestaan. Maar ze vraagt van het bijzonder onderwijs wel om anderen de vrijheid te gunnen waar ze zelf al een eeuw gebruik van maken.

Hoe kijkt u als minister aan tegen de vrijheid van onderwijs?

„Ik vind de vrijheid van onderwijs een groot goed en een belangrijke verworvenheid. Honderd jaar geleden is de financiële gelijkheid tussen het openbaar en bijzonder onderwijs tot stand gekomen.

De vrijheid is een mooie mix tussen verantwoordelijkheid van de overheid en vrijheid van scholen om het onderwijs zelf vorm te geven. De eerste zin uit artikel 23 luidt dat het onderwijs een aanhoudende zorg is van de regering. Dat geeft de overheid de verantwoordelijkheid om toe te zien op de kwaliteit van het onderwijs. Anderzijds krijgen ouders de vrijheid zelf scholen op te richten en in te richten.”

En als sociaaldemocraat?

„Ik ben zelf niet religieus, en toch verdedig ik vurig de vrijheid van onderwijs. Het artikel staat voor mij sterk in een traditie van emancipatie en verheffing van het volk. De kleine luiden en de rooms-katholieken zijn via ‘hun’ onderwijs geëmancipeerd.

Een liberaal als staatssecretaris Dekker verdedigt de vrijheid van onderwijs ook. Het past goed in zijn traditie waarin mensen het initiatief nemen. Dat het CDA het verdedigt, is logisch; de voormannen van de partij pleitten er begin vorige eeuw voor.

Ik vind het mooi dat we het zo hebben geregeld. Elke politieke stroming kan er wat van zichzelf in terugvinden.”

Daar moest wel een hele strijd voor gevoerd worden. Liberalen en socialisten voelden in eerste instantie weinig voor gelijkstelling.

„Zoals bekend bestond de ruil uit het vrouwenkiesrecht tegen de bekostiging van het bijzonder onderwijs. Ik ben met beide blij. En de les is dat uitruilen in de politiek, in plaats van eindeloze compromissen, niet altijd slecht uitpakt.

Uit internationaal onderzoek blijkt dat de vrijheid van onderwijs ons veel goeds heeft gebracht, namelijk een hoge onderwijskwaliteit. Alle internationale rapporten roemen Nederland op dit punt. In Frankrijk, waar bijna al het onderwijs staatsonderwijs is, ligt dat heel anders. Kijk ook naar Engeland; daar heb je goed onderwijs op privéscholen voor de rijken en matig onderwijs voor het armere deel van de bevolking.”

GroenLinks heeft in het verkiezingsprogramma staan dat er een eind moet komen aan de bekostiging van het bijzonder onderwijs. Is dat het begin van het einde?

„GroenLinks is niet de maat van de dingen. Voor kwalitatief goed onderwijs zal bekostiging mogelijk blijven.”

Dus geen wijziging of afschaffing van het artikel?

„Wat mij betreft houden we het stelsel van openbaar en bijzonder onderwijs in stand. Maar dat betekent niet dat we er geen inhoudelijke discussie over mogen voeren. Dat is heel logisch. De wereld verandert voortdurend, en het onderwijs dus ook. Scholen zijn een samenleving in het klein. Het zou vreemd en slecht zijn als we niet over de vrijheid van onderwijs zouden debatteren. Het vraagt om onderhoud, maar niet om afschaffing.”

Waar denkt u dan aan?

„Uit onderzoek blijkt dat er een enorme kansenongelijkheid bestaat. Daar moet wat aan gebeuren.

Ook zien we dat er een toename is van maatschappelijke diversiteit, ook in pedagogische visies. Dat botst met het beleid van de overheid om alleen scholen van een wettelijk erkende richting te subsidiëren, zoals protestants-christelijk, rooms-katholiek of reformatorisch onderwijs. Sommige ouders willen ook graag scholen stichten die uitgaan van een bepaald didactisch concept. Vandaar het voornemen van dit kabinet om te komen met een wet die richtingvrij plannen mogelijk maakt. Daarbij kijkt de overheid niet meer naar de richting van een school, maar beoordeelt ze alleen of de school levensvatbaar is en of de onderwijskwaliteit op niveau is.”

Het huidige kabinet wilde dat voorstel nog voor de verkiezingen indienen. Waarom is dat niet gelukt?

„Het is best een ingewikkeld wetsvoorstel, waar de Raad van State, gezien de voorgeschiedenis, ook wel zijn tanden in zal zetten. Meer kan ik er op dit moment niet over zeggen. Dat kan pas weer als de wet –met het advies van de Raad van State– in de openbaarheid komt.”

Oud-minister Deetman stelde onlangs in deze krant dat de wet voor richtingvrij plannen niet nodig is omdat in principe iedere school nu al opgericht kan worden. Heeft de CDA’er gelijk?

„Nee, de oud-bewindsman moet het conceptwetsvoorstel nog maar eens lezen. Nieuwe scholen moeten nu behoren tot een wettelijk erkende richting, anders komen ze niet voor bekostiging in aanmerking. Het kabinet wil nu aan iedereen, van wat voor richting of didactisch concept ook, de vrijheid geven eigen scholen te stichten. De toets ligt bij de kwaliteit.

Ik kan me overigens niet voorstellen waarom confessionelen tegen dit concept zijn. Waarom zouden ze anderen de vrijheid misgunnen waar ze zelf nu al een eeuw gebruik van maken? We pakken niet iets af, maar we maken de vrijheid ruimer. Ik respecteer Deetman zeer, maar ben het op dit punt hartgrondig met hem oneens.”

Is de balans tussen verantwoordelijkheid van de overheid en vrijheid van scholen wel in balans? Scholen klagen nog weleens over de bemoeizucht van de onderwijsinspectie.

„De vrijheid mag nooit een reden zijn voor kwalitatief slecht onderwijs. Ik zit hier niet voor het belang van enige richting in het onderwijs. Ik dien ervoor te zorgen dat de jonge generatie het best denkbare onderwijs krijgt. Daarom mag ik strenge kwaliteitseisen stellen, ook aan confessionele scholen. Anderzijds mogen zij hun eigen zienswijze hebben op de inrichting van het onderwijs.

Onlangs hebben we de verhouding tussen de taken van de overheid en de verantwoordelijkheden van scholen nog eens herijkt door een nieuw kader voor het onderwijstoezicht vast te stellen. Dat was een initiatiefwet van SGP, D66 en CDA en die sloot goed aan bij de opdracht uit het regeerakkoord. Daarom hebben we besloten samen op te trekken, en zo creëerden we een breed draagvlak.”

Een andere dreiging is de acceptatieplicht die er mogelijk komt.

„Ik vind dat een schijndiscussie. We hebben het over een paar procent van het aantal scholen dat onderschrijving van de grondslag vraagt. De overige scholen vinden respectering voldoende. Het gaat om een aantal reformatorische scholen die een heldere visie hebben. Vanuit hun standpunt is het logisch dat ze een gesloten toelatingsbeleid hebben. Laten we elkaar niet de maat nemen.

Ik mag uitspreken dat ik niets met die uitgangspunten heb, maar waarom zou ik ze anderen misgunnen? Als het kansen van kinderen zou verkleinen, zou ik er anders tegenaan kijken, maar er zijn voldoende andere scholen in de buurt.”

Gaat de overheid soms niet te ver in het voorschrijven van hetgeen scholen moeten aanleren, bijvoorbeeld acceptatie van seksuele diversiteit?

„Ook hier geldt dat de samenleving verandert en dus ook het denken over seksualiteit. Ik ben ook minister van Emancipatie en hecht dus zeer aan acceptatie en erkenning van diversiteit. Scholen hebben wel de ruimte om er op hun eigen manier mee om te gaan. Deze zomer had ik een heftige discussie met de Kamer over Hart van Homo’s, een organisatie die voorlichting wilde geven op orthodox-christelijke scholen. Persoonlijk sta ik niet achter hun wijze van zien op homoseksualiteit, maar ik vond het wel belangrijk dat er ook ruimte was voor dit soort opvattingen. De Kamer heeft dat helaas geblokkeerd.”

Vrijheid van onderwijs betekent toch ook vrijheid voor thuisonderwijs?

„Thuisonderwijs vind ik ten principale ongewenst. Het onderwijs is er niet in de eerste plaats voor de ouders, maar voor de kinderen. Geen land ter wereld dat zo’n groot scholenaanbod heeft. Wat de regering betreft moet thuisonderwijs een hoge uitzondering blijven. Maar bij thuisonderwijs valt de kwaliteit niet te garanderen. De school is ook een plek waar leerlingen elkaar ontmoeten en leren met elkaar om te gaan. Samenleven doe je niet alleen.”

Is deze discussie mede op gang gekomen omdat mogelijk ook islamitische ouders met een salafistische achtergrond thuisonderwijs zouden gaan geven?

„Niet in de eerste plaats. Dat is te simpel. Het gaat voor alles om het belang van de kinderen. De samenleving dreigt te versplinteren, en zoals de vroegere PvdA-voorman Den Uyl zei: „De taak van de overheid is de boel een beetje bij elkaar te houden.””

Uitgelicht

Hoe kijkt u aan tegen de gereformeerde gezindte?

„Dat vind ik een lastige vraag. Ik heb daar niet zo’n beeld bij. Ik heb met veel mensen met een orthodoxe achtergrond gewerkt. In het kabinet-Balkenende IV was ik staatssecretaris van Volksgezondheid en had daar te maken met bewindslieden van de ChristenUnie. Ik kijk met respect naar ze. Ook wel met enige verwondering. Het ligt ver van mijn persoonlijk leven.

Ik zie dat mensen inspiratie halen uit hun geloof. Ik ben geworteld in het sociaaldemocratisch denken. In de politieke praktijk zie je dat je op een goede manier met elkaar kunt omgaan en dezelfde doelen kunt nastreven.

Zo kijk ik ook naar de orthodox-christelijke scholen. Dan zie ik veel discipline en een hechte gemeenschap. Maar er is ook sprake van een zekere geslotenheid. Als ik er kom, voel ik me een buitenstaander. Dat komt vooral doordat ik de codes, waaronder de kledingvoorschriften, niet deel.”

Welke waarden vindt u belangrijk in het leven?

„Emancipatie, solidariteit, rechtvaardigheid en gelijkheid. Ik ben de afgelopen jaren druk bezig geweest met de acceptatie van diversiteit. Met het emancipatiebeleid wil ik geen mensen uitsluiten, maar wil ik de juist de meerwaarde van het verschil laten zien. Om met elkaar te kunnen leven, moet je ook spelregels afspreken. Om goed met elkaar samen te leven, moeten we het wel eens zijn over een aantal fundamentele waarden en normen. Er zijn bepaalde regels waaraan iedereen zich moet houden; bijvoorbeeld dat je geen geweld gebruikt.”

Hoe kijkt u aan tegen het thema immigratie en integratie?

„Dat is een van de heikele thema’s in de samenleving. Margalith Kleijwegt heeft in mijn opdracht een boekje geschreven over gescheiden werelden in het onderwijs. Dat is heel, heel alarmerend. Het vraagt een enorme inzet om daar verandering in aan te brengen.

We moeten oppassen dat we mensen niet alleen als lid van een groep moeten zien. Iedereen moet zichzelf kunnen ontwikkelen, ondanks zijn of haar achtergrond is. Dat gold vroeger voor meisjes, voor katholieken, voor gereformeerden en dat geldt nu voor mensen met een migratieachtergrond. Ik vind het heel erg dat een deel van hen geen stageplaats of werk krijgt vanwege hun achtergrond. Daardoor zien we niet meer hun enorme talenten voor de Nederlandse samenleving. Als we er niet in slagen om de mensen die we hebben toegelaten te integreren, gaan we een zware tijd tegemoet. Het onderwijs is daar cruciaal bij, op alle niveaus.”

Levensloop Bussemaker

Mariëtte (Jet) Bussemaker (1961) studeerde na de middelbare school politieke theorie en moderne staat aan de Universiteit van Amsterdam. In 1993 promoveerde ze in de politieke en sociaalculturele wetenschappen aan dezelfde universiteit. In 1995 zegde ze haar lidmaatschap van GroenLinks op en twee jaar later, in 1997, werd ze lid van de PvdA. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1998 werd ze in de Tweede Kamer gekozen.

In het kabinet-Balkenende IV (2006-2010) was ze staatssecretaris op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Sinds 2012 is ze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bussemaker stond niet op de PvdA-kandidatenlijst, dus als er een nieuw kabinet is, zal ze uit de landelijke politiek vertrekken.

Eerder was Bussemaker beleidsmedewerker bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderzoeker en docent Universiteit van Amsterdam en universitair docent bij de vakgroep politicologie en bestuurskunde Vrije Universiteit te Amsterdam. In 2011-2012 was zij rector van de Hogeschool van Amsterdam.