Kinderen De Zwart moesten wennen aan de Australische hoed

Ver weg naar school
Sophie en Jesse de Zwart uit Nederland op het naambord van het Christian College in Nhulunbuy, in Noord-Australië. Ze moesten wennen aan het dragen van de verplichte hoed. beeld Esther de Zwart
4

Waaraan Jesse en Sophie de Zwart erg moesten wennen op hun Australische school? „Aan de verplichte hoed tegen de zon”, zegt moeder Esther. „Geen hoed betekent: niet spelen. Maar inmiddels zijn ze die hoed wel gewend.”

Sinds oktober vorig jaar woont het gezin De Zwart in Yirrkala, een kustdorpje met 800 inwoners in het Noordelijk Territorium, Australië. Het gezin De Zwart is uitgezonden vanuit de hervormde Eben-Haëzerkerk in Apeldoorn. Vader Marijn (37) is piloot voor Mission Aviation Fellowship (MAF), met het nabijgelegen Gove Airport als basis. Hij vervoert onder anderen zieke en overleden Aboriginals naar het ziekenhuis.

In de regio, Arnhemland, wonen naast blank overheidspersoneel, hulpverleners en mijnwerkers vooral de oorspronkelijke Aboriginals. De streek is zeer dunbevolkt, geïsoleerd en ruig. „Toen ik er kwam, dacht ik dat ik in Afrika was”, aldus Esther de Zwart (36).

Hardop leren bidden

De oudste twee kinderen, Jesse (9) en Sophie (6), gaan naar het Christian College in het nabijgelegen mijnwerkersstadje Nhulunbuy. „Het is een duidelijk christelijke school, met elke dag een Bijbelvertelling en een opening, en een weeksluiting met alle klassen. In Sophies klas zijn ze bezig om te leren hardop voor elkaar bidden”, vertelt ze via Skype.

De school heeft een open toelatingsbeleid. „Er zitten veel kinderen op uit andere culturen, zoals uit Japan, Italië en India, maar ook kinderen van christen-Aboriginals. Niet-christelijke mijnwerkers sturen hun kinderen eveneens naar deze school, omdat ze daar beter onderwijs krijgen dan op de staatsschool. Dit beleid biedt de mooie mogelijkheid om hun het Evangelie te vertellen.”

’s Morgens om 7.15 uur moeten Jesse en Sophie klaarstaan bij de bushalte. Daar haalt de schoolbus hen op. De kinderen dragen een uniform als ze naar school gaan. „Vanwege de kracht van de zon moeten zij een hoed op. ”No hat, no play”, geen hoed, geen spel, is de regel”, meldt Esther.

Die hoed was even wennen, „maar inmiddels vinden ze het de normaalste zaak van de wereld. Het is een regel die in heel Australië geldt. Vanwege het gat in de ozonlaag verbrand je hier snel en loop je risico op huidkanker.” Gelukkig is er airco op school.

Een ander punt waaraan de twee schoolgaande kinderen moesten wennen, was de taal. Op school wordt alleen Engels gesproken. „Hiervoor moesten ze een drempel over. Ze begrepen niet alles. Vooral het schrijven in een andere taal vonden ze ingewikkeld. Maar het is verbazingwekkend om te zien hoe snel ze zich hieraan hebben aangepast.”

Bijspijkeren

Dat gebeurde dankzij het relatief veelvuldig aanwezige ondersteunend personeel op de school. „Beide kids kregen daardoor extra aandacht en individueel onderwijs tijdens de eerste maanden, zodat ze hun Engels een beetje konden bijspijkeren”, vertelt hun moeder.

De leerkrachten droegen daaraan eveneens hun steentje bij. „Ook zij komen uit verschillende landen. Zij hebben begrip voor anderstaligen en proberen de andere leerlingen te laten inzien dat onderwijs niet altijd makkelijk is als Engels niet je moedertaal is. Zo werd me gevraagd of ik in Sophies klas een verhaal in het Nederlands wilde voorlezen. Aan de hand van de plaatjes konden de kinderen raden waar het verhaal over ging.”

Behalve Jesse en Sophie emigreerde ook de 5-jarige Sil vorig jaar naar Australië. Hij gaat nu 2,5 dag per week naar een soort kleuterschool in Nhulunbuy. In januari volgend jaar mag hij naar de eerste klas van het basisonderwijs. „Alle drie de kinderen gaan inmiddels met plezier naar school.”

Elke dag huiswerk

De schooldagen duren relatief kort, van 8.10 tot 14.30 uur. „Er is dus geen vrije woensdagmiddag, zoals in Nederland.”

Elke dag moeten Jesse en Sophie huiswerk maken. Dat is vanaf het eerste schooljaar verplicht, al neemt het vaak niet meer dan een halfuurtje in beslag. „Vooral Jesse vindt huiswerk niet leuk. Hij houdt van spelen met vriendjes. Maar inmiddels vindt ook hij het normaal. Als de kinderen thuiskomen, krijgen ze drinken en pakken ze zelf hun huiswerk. Dat is routine geworden.”

Na ruim een halfjaar schoolgaan in Australië spreken Jesse, Sophie en Sil onderling vaker Engels dan Nederlands. „Ze kunnen gemakkelijk schakelen tussen Engels en Nederlands. Ook bij de kinderen van de MAF-gezinnen –we wonen in Yirrkala met hen in één straat– ontmoeten ze veel begrip wanneer ze een fout maken. Marijn en ik hebben wel de regel dat we thuis Nederlands praten, omdat de kinderen het anders gemakkelijk ontwennen.”

Moeder Esther, orthopedagoog van oorsprong, geeft sinds de kinderen in Australië zijn, sinds mei vorig jaar, de oudste twee drie keer per week les in de Nederlandse taal, waarvan één keer op zaterdagmorgen. „Daarvoor kiezen Marijn en ik bewust. Ons doel is dat als we uiteindelijk terugkeren naar Nederland de kinderen Nederlands kunnen lezen, schrijven en spreken. Daarop richt ik me bij de homeschool-lessen.”

Speciale band

De Nederlandse maakt gebruik van de methodes die De Sjofar, de voormalige school van de kinderen in Apeldoorn, ook aanbiedt: Taal actief voor Jesse en Lijn 3 voor Sophie. „Met de school heb ik sporadisch contact, als ik materiaal nodig heb of vragen heb over de stof. Op dit niveau kan ik het redelijk goed zelf uitdokteren.”

In het begin van deze lessen moesten moeder en kinderen wennen aan hun nieuwe rol als leerkracht en leerlingen. „De kinderen zijn inmiddels heel enthousiast. En af en toe vinden ze het leuk om met mij als moeder in discussie te gaan. Voor mij is het erg mooi dat ik Sophie Nederlands heb leren lezen en schrijven. Dat geeft een speciale band.”

Esther de Zwart vindt het niet haalbaar om naast het onderwijs op school en de lessen Nederlands ook nog aandacht aan de Nederlandse geschiedenis te geven. „Wel willen we in de toekomst wat spelvormen en boeken aanschaffen die zich daarop richten.”

Drie weken geleden verbleef het gezin De Zwart op Elcho Island, waar vader Marijn twee weken was gestationeerd voor het vliegen naar de omringende eilanden. Esther: „Hij werkte op de MAF-vliegbasis daar; wij hadden vakantie, die hier vier weken duurde. Tijdens deze vakantie zouden we wat meer aan Nederlandse les gaan doen. Ik heb de oudste twee de opdracht gegeven om een brief aan opa en oma te schrijven. Dat is voor beide partijen leuk. Het thema was ”kamperen in Australië”, over de week voordat we naar Elcho gingen. Ik heb de brieven gefotografeerd en via WhatsApp naar opa en oma gestuurd.”

In Noord-Australië is het nu winter. „Dat is hier het hoogseizoen om te kamperen, omdat het de rest van het jaar veel te warm is. Het is nu een graad of 28. ’s Zomers –als het in Nederland winter is– is het hier warmer dan 35 graden en heel benauwd door de moessonregens.”

In de vakantie zwemmen de kinderen De Zwart in het zwembad in Nhulunbuy, ondanks dat zowel Yirrkala als Nhulunbuy aan de Arafurazee ligt. „Maar je kunt niet in zee zwemmen vanwege de krokodillen.”

Voorsprong

Esther de Zwart vindt het nog te vroeg om te kunnen beoordelen of de kinderen een achterstand oplopen door de andere onderwijssituatie. Ze denkt dat ze op bepaalde gebieden eerder een voorsprong hebben. „Qua Engels in ieder geval; dat gaat nu heel goed.”

Daarnaast ziet ze voordelen van het leven in een andere cultuur en het spreken van twee talen. „Hoewel, soms zijn het er drie. De Yolngu, zoals de Aboriginals zich hier noemen, hebben hun eigen stammentaal, het Yolngu Matha. Soms krijgen Marijn en ik van de kinderen als antwoord ”yaka”: nee.”

Marijn en Esther de Zwart zijn ervan overtuigd dat het leven en schoolgaan in een andere cultuur voor hun kinderen een enorme verrijking is. „Ze hebben nu al zulke andere dingen gezien en meegemaakt, die leer je nooit uit een boek.”

zomerserie Ver weg naar school

Deel 3 in een serie over Nederlandse kinderen en jongeren die in het buitenland les krijgen. Volgende week dinsdag deel 4.